Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2123

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
05-228601-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal met geweld op station Apeldoorn met veroordeling tot deels voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

Op 29 mei 2025 vond op station Apeldoorn Osseveld een diefstal met geweld plaats waarbij aangever werd omsingeld en beroofd van een portemonnee, fietssleutel en zonnebril. Verdachte was aanwezig en rende achter aangever aan, maar ontkende betrokkenheid bij de diefstal. De rechtbank achtte de diefstal met geweld in vereniging bewezen op basis van verklaringen van aangever, medeverdachten en getuigen.

Verdachte werd verweten dat hij samen met anderen aangever omsingelde, bedreigde met een voorwerp dat leek op een mes en zijn zakken leeghaalde. Hoewel geen mes werd aangetroffen, concludeerde de rechtbank dat sprake was van (licht) geweld. Verdachte leverde een wezenlijke bijdrage door de groep te versterken en niet te de-escaleren.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van drie maanden op, waarvan 48 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 60 uur. De straf werd gematigd ten opzichte van de eis vanwege de jeugdige leeftijd en kwetsbaarheid van verdachte. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden opgelegd waaronder meldplicht, ambulante begeleiding en verblijf in begeleid wonen.

De civiele vordering van aangever tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de materiële schade reeds door de verzekering was vergoed. De rechtbank verklaarde verdachte strafbaar en veroordeelde hem conform het bewezen verklaarde feit.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf waarvan 48 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 60 uur voor diefstal met geweld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/228601-25
Datum uitspraak : 17 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan [adres 1] .
Raadsman: mr. S.J. [aangever] , advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee, een fietssleutel, een zonnebril en/of een vape, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- achter die [aangever] aan te rennen,
- die [aangever] te omsingelen,
- met een mes, althans een voorwerp, in de richting van die [aangever] te wijzen, en/of
- naar en/of in zijn jas en/of broekzak, althans zijn kleding te grijpen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken. Verdachte is weliswaar op het station geweest om te kijken of hij [medeverdachte 1] kon helpen, maar hij is niet betrokken geweest bij de diefstal met geweld. [medeverdachte 1] noemt verdachte niet bij naam in zijn verklaring. Uit de aangifte blijkt niet dat aangever verdachte heeft herkend.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [aangever] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij met zijn vrienden in de trein naar Apeldoorn Osseveld zat. Twee jongens ( [medeverdachte 1] [2] en [medeverdachte 2] [3] ) hebben toen “
silence!” naar aangever en zijn vrienden geschreeuwd. Toen aangever en zijn vrienden om 21.53 uur op station Apeldoorn Osseveld uitstapten, stapten de twee jongens ook uit de trein en gingen naast hen lopen. Eerst zeiden ze niets, later begonnen ze in een mix van talen van alles te roepen. Toen er (nog) twee andere jongens op aangever en zijn vrienden af kwamen lopen vertrouwden aangever en zijn vrienden de situatie niet meer. Zij hebben zich opgesplitst en zijn weggerend. Toen aangever nog alleen over was, zag hij de vier jongens zijn kant op rennen. De jongens (uit de trein) renden achter hem en de twee andere jongens renden op hem af. Op een gegeven moment stond aangever met zijn rug tegen de muur en stonden de vier jongens in een halve kring om hem heen. Hij zag dat één van de jongens een mes in zijn hand had, waarmee hij richting aangever wees, voor zijn buik. Vervolgens liepen de vier jongens op aangever af en grepen naar zijn jas en broekzak. Aangever voelde dat er spullen uit zijn broekzak werden gehaald. De vier jongens zijn vervolgens weggerend. Aangever is ook weggerend en heeft meteen 112 gebeld. De portemonnee, fietssleutel en zonnebril van aangever zijn gestolen. [4]
Op 29 mei 2025 om 21:58 uur heeft de politie een melding gekregen van een beroving door vier jongens op het station Apeldoorn Osseveld. [5]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 2] in de trein zat. Hij heeft toen aan een groep jongens gevraagd of ze zachter wilden doen. In de trein hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [verdachte] gebeld. [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn naar het station gekomen. [medeverdachte 1] en zijn vrienden hebben een van de jongens uit de trein achtervolgd en omsingeld. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben hem gefouilleerd. Ze hebben gekeken in de zakken van de jongen. [medeverdachte 2] had een vape bij zich en heeft die als een soort mes vastgehouden. [6]
Getuige [getuige] is een vriend van aangever. Hij heeft verklaard dat de mannen uit de trein hen volgden toen ze uitstapten. Toen [getuige] en zijn vrienden de tunnel in renden, zijn de mannen achter hen aan gerend. Op datzelfde moment kwamen aan de andere kant van de tunnel twee andere mannen aanrennen. Hij wist meteen dat die mannen bij de twee andere mannen hoorden. [getuige] is omgedraaid en de tunnel uitgerend, de wijk in. [7]
Verdachte heeft ter terechtzitting een alternatief scenario geschetst. Dit scenario houdt in dat verdachte, na een telefoontje van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , weliswaar met [medeverdachte 3] naar het station is gegaan en daar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de groep jongens (uit de trein) heeft gezien, maar niet één van de vier jongens is die betrokken zou zijn geweest bij een diefstal met geweld. Dit is mogelijk een andere jongen geweest die in de woning aan de [adres 2] is aangetroffen door de politie. In de lezing van verdachte is hij achter een van de jongens uit de trein aangerend, toen die jongen het op een lopen zette. Toen hij terugkeerde zag hij zijn drie vrienden staan en zijn ze naar huis gegaan. Wat zijn vrienden hebben gedaan toen verdachte achter de jongen aanliep weet hij niet.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte niet aannemelijk is geworden. Uit de verklaringen van aangever en [medeverdachte 1] volgt dat
vierjongens achter aangever zijn aangerend, hem hebben omsingeld en gefouilleerd. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij is gevlucht toen, behalve de twee mannen uit de trein, twee andere mannen die daar duidelijk bij hoorden naar hem toe renden. De rechtbank twijfelt er niet aan dat één van deze twee personen verdachte is geweest, nu duidelijk is dat verdachte met [medeverdachte 3] naar het station is gekomen en van nog een ander persoon op geen enkele wijze is gebleken. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte betrokken is geweest bij het incident.
De rechtbank stelt vast dat de verdachten een portemonnee, een fietssleutel en een zonnebril van aangever hebben gestolen. Dat ook een vape van aangever is weggenomen blijkt niet uit de verklaring van aangever. Ten aanzien van dit punt komt de rechtbank dan ook tot een vrijspraak.
(Bedreiging met) geweld
Aangever heeft verklaard dat een van de jongens met een mes op buikhoogte in zijn richting heeft gewezen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat van een mes geen sprake is geweest, maar dat zowel aangever als [medeverdachte 2] ‘een vape als een soort mes trokken’.
De rechtbank stelt vast dat in het dossier geen ondersteunend bewijs voor de aanwezigheid van een mes is te vinden. Het mes is na afloop van het conflict door de politie niet aangetroffen. De mogelijkheid bestaat dat aangever een vape heeft aangezien voor een mes. De rechtbank stelt vast dat met een voorwerp in de richting van aangever is gedreigd (als ware het een mes).
Nu de verdachten naar de jas en de broekzakken van aangever hebben gegrepen en zijn broekzakken hebben leeggehaald is er sprake van fysiek contact tegen de wil van aangever. Daarmee is er sprake van (licht) geweld.
Medeplegen
Toen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [verdachte] belden dat ze in de problemen zaten, zijn [verdachte] en [medeverdachte 3] direct naar het station gegaan. Daar aangekomen, toen [verdachte] de ernst van de situatie zelf kon inschatten, heeft [verdachte] zich niet gedistantieerd of [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ervan weerhouden om de situatie tussen hen en aangever te laten escaleren. Integendeel, op het station hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] gezamenlijk aangever in het nauw gedreven en hem beroofd. De handelswijze van de groep duidt op een nauwe en bewuste samenwerking. De rol van verdachte bestaat uit het getalsmatig versterken van de groep, het achterna rennen/opjagen en het omsingelen van aangever. Daarmee heeft hij een wezenlijke en significante bijdrage aan de diefstal met geweld geleverd.
De rechtbank concludeert dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks29 mei 2025 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,een portemonnee, een fietssleutel en een zonnebril
en/of een vape, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [aangever]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld
en/of gevolgdvan geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken
, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door
- achter die [aangever] aan te rennen,
- die [aangever] te omsingelen,
- met
een mes, althanseen voorwerp, in de richting van die [aangever] te wijzen, en
/of- naar en/of in zijn jas en
/ofbroekzak
, althans zijn kledingte grijpen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan 149 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Als bijzondere voorwaarden moeten de voorwaarden worden opgelegd die in het reclasseringsrapport van 19 februari 2026 zijn geadviseerd. Aan het voorwaardelijke strafdeel moet een proeftijd van drie jaar worden gekoppeld.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte niet terug naar de gevangenis hoeft. De reclassering heeft contra-indicaties voor een gevangenisstraf gezien. Het leven van verdachte kent geen gemakkelijk verloop. Verdachte heeft een ontwikkelingsachterstand en is getraumatiseerd. Hij is verder beïnvloedbaar en overziet de consequenties van zijn handelen niet. Ten tijde van het strafbare feit was verdachte pas net 18 jaar oud. Het jeugdstrafrecht moet van toepassing worden verklaard.
Met hulp van de begeleider van Darna Care heeft verdachte weer richting aan zijn leven gegeven. Vanwege communicatieproblemen zal het maken van afspraken in het kader van de bijzondere voorwaarden grotendeels op de schouders van de begeleider van verdachte neerkomen, omdat hij veelal ook als tolk fungeert. Om die reden heeft de raadsman verzocht het aantal bijzondere voorwaarden in te perken.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat feit is begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 januari 2026 (het strafblad),
  • het reclasseringsadvies van 19 februari 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is eerder veroordeeld voor diefstal in vereniging (en overtredingen). Artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Zij zijn aangever achterna gerend en hebben hem omsingeld. Vervolgens hebben zij in de zakken van aangever gevoeld en een portemonnee, een fietssleutel en een zonnebril gestolen. De rechtbank vindt dit een ernstig feit. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd last kunnen hebben van wat hen is overkomen. Daarnaast vond de diefstal plaats in de openbare ruimte. Dergelijk handelen veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Rapportage
Uit het reclasseringsadvies van 19 februari 2026 volgt dat verdachte in 2023 vanwege de oorlog vanuit Syrië naar Nederland is gevlucht. Zijn ouders wonen nog in Syrië en gezinshereniging is afgewezen. Tijdens de vorige detentieperiode heeft verdachte ernstige suïcideklachten ervaren en een poging ondernomen. Er is behoefte aan diagnostiek en behandeling. Op dit moment is verdachte bezig met het leren van de Nederlandse taal. Verder heeft hij enige dagbesteding in de vorm van vrijwilligerswerk. Verdachte komt de afspraken na in het kader van de meldplicht en in het contact met de ambulant begeleider van Darna Care.
De risico’s op recidive en letselschade kunnen officieel niet worden vastgesteld, maar de reclassering ziet veel risico’s. Verdachte heeft omgang met een risicovol netwerk, toont zich beïnvloedbaar, kent een belaste voorgeschiedenis, heeft geen duidelijk toekomstperspectief, geen volledige dagbesteding en komt herhaaldelijk met politie en justitie in aanraking. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Het advies is om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Voor een pedagogische aanpak of maatregelen vanuit het jeugdstrafrecht ziet de reclassering geen meerwaarde. Met de JOVO (jongvolwassenen) methodiek kan de volwassenenreclassering voldoende aansluiten bij de ontwikkeling van verdachte en kan er toegewerkt worden naar het opbouwen van een zelfstandig en zelfredzaam leven in Nederland. Het advies is om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
  • Meldplicht bij de reclassering.
  • Ambulante behandeling.
  • Ambulante begeleiding.
  • Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang.
  • Dagbesteding.
  • Inzicht en begeleiding financiën.
  • Contactverbod met de medeverdachten.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit een forse straf voor verdachte passend is. Verdachte heeft een wezenlijk aandeel geleverd aan de diefstal door de groep getalsmatig te versterken, achter aangever aan te rennen en hem te omsingelen. Verdachte heeft geen poging ondernomen om de situatie te de-escaleren. De officier van justitie heeft (met toepassing van het strafrecht voor meerderjarigen) geëist om een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van zes maanden (met aftrek) op te leggen. Hoewel de rechtbank niet vindt dat het jeugdstrafrecht van toepassing moet zijn, is zij van oordeel dat de geëiste straf voor verdachte, gelet op zijn jeugdige leeftijd, te hoog is. De rechtbank zal de door de officier van justitie geëiste straf matigen en heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die aan de medeverdachten in hetzelfde onderzoek zijn opgelegd. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte kwetsbaar is voor detentie en dat hij een voorzichtig positieve wending aan zijn leven heeft weten te geven. Om die redenen is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet terug moet naar de gevangenis.
De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van drie maanden, waarvan 48 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte moet zich gedurende de proeftijd van twee jaar aan de bijzondere voorwaarden houden die door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod met de medeverdachten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een proeftijd van drie jaar, zoals geëist. Daarnaast wordt aan verdachte een taakstraf van 60 uur opgelegd.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 0,00. De materiële schade ad
€ 200,00 is reeds door de verzekering vergoed.
De rechtbank vat het schadeverzoek van de benadeelde partij als volgt op. De benadeelde partij heeft kennelijk de moeite willen nemen om de rechtbank te informeren over de geleden schade. Nu de schade reeds is vergoed door de verzekering is de vordering vastgesteld op
€ 0,00 en heeft de benadeelde (per saldo) geen schade geleden.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63, 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;
  • bepaalt dat
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als
bijzondere voorwaardendat:
  • verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt en zich houdt aan de aanwijzingen vanuit de reclassering. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering op het adres Van Pallandtstraat 11, 6814 GM in Arnhem of maakt hiertoe via telefoonnummer 0264430146 een afspraak;
  • verdachte zich gedurende de proeftijd diagnostisch laat onderzoeken en behandelen door een forensische of cultureel sensitieve behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het uitvoeren van diagnostiek en behandeling van de daaruit gekomen risico’s en problematiek;
  • verdachte zich gedurende de proeftijd ambulant laat begeleiden door de ambulant begeleider van Darna Care of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt;
  • verdachte, indien de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
  • verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van een dagbesteding (vrijwilligerswerk, inburgeringscursus, school en/of werk) met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
  • verdachte inzicht geeft in zijn financiën aan de ambulant begeleider en reclassering. Indien de ambulant begeleider en/of de reclassering het nodig acht werkt verdachte mee aan een traject vanuit de gemeente voor hulp en ondersteuning bij schulden en/of budgetbeheer;
 geeft opdracht aan Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (Arnhem) om toezicht te houden op de naleving van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt op
een taakstraf van 60 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;
 verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
 heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter), mr. D.S.M. Bak en mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025250316, gesloten op 30 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van het aanvullend verhoor van aangever, p. 34; verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2026.
3.Proces-verbaal van het aanvullend verhoor van aangever, p. 36; verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2026.
4.Proces-verbaal van aangifte, p. 22 t/m 24.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 45.
6.Proces-verbaal van het verhoor van verdachte [medeverdachte 1] , p. 187 t/m 189.
7.Proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige] , p. 90.