Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
2.De feiten
f1.000.000,00 (€ 453.780,22) waarmee partijen de aankoop van de woning hebben gefinancierd en waarvoor zij beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn (producties 5 en 14 van [eiser in conventie] ).
f247.219,25). In de notariële akte schuldbekentenis met hypotheekstelling van 24 januari 2001 (productie 7 van [eiser in conventie] ) is opgenomen dat partijen op 1 januari 2001 van [bedrijf 1] voormeld bedrag ter leen hebben ontvangen, dat zij hoofdelijke schuldenaren zijn en over dat bedrag 6% rente per jaar verschuldigd zijn, te voldoen in maandelijkse termijnen uiterlijk op de laatste dag van elke maand.
“ondanks het feit dat de man de lasten van de echtelijke woning voldoet”,zeker niet overstijgt. Over de draagkracht van [eiser in conventie] is overwogen dat hij zijn stelling dat hij onvoldoende draagkracht heeft om die bijdrage te kunnen voldoen, onvoldoende heeft onderbouwd.
“Stop daar maar mee. (…) Ik zoek andere oplossingen.”
3.Het geschil
primair: te bepalen dat de woon- en eigenaarslasten van de woning vanaf 11 februari 2012 volledig voor rekening van [gedaagde in conventie] komen, zulks onder uitsluiting van [eiser in conventie] , en tevens [gedaagde in conventie] te veroordelen om de reeds door [eiser in conventie] betaalde kosten ad € 200.000,00 aan hem te voldoen, uit hoofde van regres dan wel ongerechtvaardigde verrijking, alsmede te bepalen dat [gedaagde in conventie] dat bedrag binnen veertien dagen na dit vonnis aan [eiser in conventie] dient te voldoen, bij gebreke waarvan zij over het niet betaalde bedrag de wettelijke rente verschuldigd zal zijn aan [eiser in conventie] ;
4.De beoordeling
f1.000.000,00 (€ 453.780,00) bedroeg. Partijen gaan er beiden van uit dat de restantvordering van de ABN Amrobank nog steeds (ongeveer) € 453.780,00 bedraagt. Deze hypotheekschuld maakt, net als de woning, deel uit van de gemeenschap tussen partijen en partijen zijn in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig voor die schuld.
f247.219,25 (€ 112.183,20) aan partijen heeft geleend in verband met de aanbouw van paardenstallen bij de woning en dat die lening nadien nog is verhoogd tot € 200.000,00. [gedaagde in conventie] stelt zich op het standpunt dat in de notariële akte van 24 januari 2001 weliswaar staat dat een bedrag van
f247.219,25 ter leen is ontvangen, maar dat [bedrijf 1] dit bedrag nooit aan partijen heeft verstrekt en dat het uitsluitend een fiscale constructie was in het belang van [eiser in conventie] . Omdat in de notariële akte schuldbekentenis met hypotheekstelling (productie 7 van [eiser in conventie] ) – een authentieke akte die op grond van artikel 157 Rv Pro in beginsel dwingend bewijs oplevert – staat dat partijen het bedrag van
f247.219,25 hebben ontvangen en [gedaagde in conventie] ter zitting heeft erkend dat zij heeft getekend voor de hypotheekschuld van € 112.000,00, gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is van die schuld van partijen aan [bedrijf 1] , dat zij daar beiden aansprakelijk voor zijn en in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor die schuld. [eiser in conventie] stelt dat de schuld van € 112.000,00 nadien is verhoogd tot € 200.000,00. Ter onderbouwing heeft hij de jaarcijfers van [bedrijf 1] over 2016 overgelegd. [gedaagde in conventie] betwist die verhoging. [eiser in conventie] heeft na die betwisting niet onderbouwd dat [gedaagde in conventie] heeft ingestemd met de verhoging. Uit de jaarcijfers van [bedrijf 1] blijkt niet van die instemming. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat voor de verdeling rekening dient te worden gehouden met een hypotheekschuld aan [bedrijf 1] B.V. van € 112.183,20
f600.000,00) in de woning heeft geïnvesteerd. Uit productie 1 van [gedaagde in conventie] blijkt dat zij dat bedrag op 30 juli 1998 – één dag voor de overdracht van de woning aan partijen – van haar persoonlijke rekening heeft overgemaakt aan de en/of-rekening van partijen. [eiser in conventie] betwist ook niet dat [gedaagde in conventie] dat bedrag van haar eigen rekening heeft overgemaakt om de woning (deels) te financieren, maar volgens hem is de rekening van [gedaagde in conventie] mede door hem “gevoed”. [gedaagde in conventie] betwist die stelling van [eiser in conventie] en namens [eiser in conventie] is ter zitting verklaard dat hij niet kan bewijzen dat hij bedragen heeft overgemaakt naar de rekening van [gedaagde in conventie] . Daardoor staat vast dat [gedaagde in conventie] € 272.268,00 van haar rekening heeft betaald bij aankoop van de woning maar is niet gebleken van een – daaraan voorafgaande – betaling door [eiser in conventie] op de rekening van [gedaagde in conventie] . De rechtbank gaat er daarom van uit dat [gedaagde in conventie] uit haar vermogen € 272.268,00 heeft gefinancierd bij aankoop van de woning en dat zij in verband daarmee recht heeft op een vergoeding van [eiser in conventie] . Die vergoeding bedraagt evenwel slechts de helft van dat bedrag (€ 136.134,00) omdat zij door inbreng van het bedrag in de gemeenschap – waartoe partijen beiden voor de helft gerechtigd zijn – een vordering op [eiser in conventie] heeft gekregen van de helft daarvan.
een echtgenootzijn eigen vermogen aanwendt ten gunste van de andere echtgenoot. De beleggingsleer is niet van toepassing op kosten die na de echtscheiding zijn gemaakt omdat partijen toen niet langer echtgenoten van elkaar waren. Ter zitting heeft [gedaagde in conventie] nog een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking maar na betwisting van de verrijking van [eiser in conventie] heeft [gedaagde in conventie] niet onderbouwd dat daadwerkelijk sprake is van verrijking van [eiser in conventie] als gevolg van de door haar betaalde kosten. Omdat [eiser in conventie] bovendien onweersproken heeft gesteld dat [gedaagde in conventie] nooit met hem heeft overlegd over (de noodzaak van) de werkzaamheden, kan [gedaagde in conventie] op grond van artikel 3:172 BW Pro, in samenhang met 3:170 BW, evenmin aanspraak maken op vergoeding daarvan door [eiser in conventie] . Dat geldt te meer nu [gedaagde in conventie] heeft gesteld dat zij de inkomsten uit exploitatie van de woning heeft gebruikt voor noodzakelijk onderhoud.
f600.000,00) bij de verdeling zal worden meegenomen als kosten die voor de helft door [eiser in conventie] aan [gedaagde in conventie] moeten worden vergoed/verrekend. Het onder II door [gedaagde in conventie] gevorderde is daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 136.134,00.
5.De beslissing
- Partijen geven binnen twee weken na de datum van dit vonnis opdracht aan [makelaar] makelaars om de woning te taxeren;
- De taxatie zal plaatsvinden in aanwezigheid van beide partijen, waarbij partijen op geen enkele manier met elkaar of met de taxateur in discussie zullen treden. Direct na afloop van de taxatie zal [eiser in conventie] de woning direct verlaten, gelijktijdig met de taxateur. Partijen mogen uitsluitend schriftelijk met de taxateur communiceren onder gelijktijdige toezending van een afschrift als CC aan de ander.
- [gedaagde in conventie] krijgt na taxatie van de woning twee maanden de tijd om een financiering te regelen om het aandeel van [eiser in conventie] in de woning over te nemen en overgedragen te krijgen voor de helft van de getaxeerde waarde met ontslag van [eiser in conventie] uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gezamenlijke hypotheekschuld bij de ABN Amro en de gezamenlijke hypotheekschuld van € 112.183,20 bij [bedrijf 1] ;
- De kosten van taxatie en van de overdracht van de woning komen geheel voor rekening van [gedaagde in conventie] ;
- [eiser in conventie] heeft recht op de helft van de getaxeerde overwaarde in de woning, verminderd met de helft van de hypotheekschuld bij de ABN Amro en met € 56.091,60, zijnde de helft van de gezamenlijke hypotheeklening bij [bedrijf 1] ;
- De woning wordt door partijen aan een derde verkocht en overgedragen. Partijen geven [makelaar] makelaars dan binnen 2 weken na afloop van eerder genoemde termijn van 2 maanden opdracht voor die verkoop;
- Partijen stellen in onderling overleg de bij de verkoop van de woning te hanteren vraagprijs en de verkoopsom vast. Indien partijen niet binnen een week na het geven van de verkoopopdracht aan [bedrijf 3] tot overeenstemming zijn gekomen over de vraagprijs, zijn partijen gehouden om het advies van de makelaar te volgen. Indien partijen binnen een week na het ontvangen van een bod op de woning niet tot overeenstemming komen over de verkoopprijs, zijn zij gehouden om het advies van de makelaar te volgen over het al dan niet accepteren van dat bod. Indien de makelaar adviseert om de koopsom op enig moment te wijzigen, beslissen partijen in onderling overleg of zij het advies opvolgen. Indien zij binnen een week na het advies niet tot overeenstemming komen, dan zijn zij gehouden het advies van de makelaar op te volgen;
- Partijen verlenen tijdig hun medewerking aan alles wat nodig is om het voorgaande te bewerkstelligen, waarbij dit vonnis in de plaats kan treden van de daartoe vereiste rechtshandeling van een partij zoals is bepaald in artikel 3:300 BW Pro indien en voor zover die partij daaraan niet of niet tijdig meewerkt;
- De kosten van taxatie en van verkoop komen ten laste van beide partijen, ieder voor de helft, en zullen net als de hypotheekschuld aan de ABN Amro en de gezamenlijke hypotheekschuld van € 112.183,20 aan [bedrijf 1] worden voldaan uit de verkoopopbrengst;
- Partijen hebben ieder recht op de helft van de overwaarde die resteert na aftrek van bovengenoemde kosten van taxatie en verkoop en hypotheekschulden,
- € 136.134,00 in verband met investering in de woning en
- € 906,00in verband met de factuur van [bedrijf 3]