Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2117

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
456639
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:15j BWArt. 3:166 BWArt. 6:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegang erfgenamen tot stukken nalatenschap en administratie landbouwbedrijf

De broers en zussen zijn erfgenamen van een nalatenschap na het overlijden van hun ouders, die een landbouwbedrijf hadden. De broers vorderen inzage in alle onderliggende stukken bij de erfbelasting en administratie van het bedrijf, omdat de zussen deze ondanks verzoeken niet verstrekken.

De zussen betwisten de vordering, stellende dat de broers geen concreet verzoek hebben gedaan en dat zij niet over alle gevraagde stukken beschikken. Ook wijzen zij op het intrekken van een volmacht en het blokkeren van ervenrekeningen, waardoor zij zelf geen toegang meer hebben tot bepaalde informatie.

De rechtbank oordeelt dat de broers recht hebben op inzage in de stukken die gebruikt zijn voor de erfbelasting, maar dat de zussen niet kunnen worden veroordeeld tot het overleggen van stukken die zij niet bezitten. De zussen worden veroordeeld om de boekhouder toestemming te geven deze stukken aan de broers te verstrekken. De vordering tot inzage in de administratie van het landbouwbedrijf wordt afgewezen wegens onvoldoende specificatie en bewijs van beschikbaarheid.

Een dwangsom wordt niet opgelegd omdat er geen reden is te veronderstellen dat de zussen het vonnis niet zullen naleven. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familierelatie en het onderwerp. De zaak wordt aangehouden voor verdere afwikkeling nadat de broers de gevraagde informatie hebben ontvangen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de zussen om de boekhouder toestemming te geven de erfbelastingstukken aan de broers te verstrekken en wijst overige vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/456639 / HZ ZA 25-257
Vonnis in incident van 11 maart 2026
in de zaak van

1.[naam eiser in hoofdzaak 1] ,

te [woonplaats] (gemeente [gemeentenaam] ),
hierna te noemen: [eiser 1] ,
2.
[naam eiser in hoofdzaak 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: de zussen,
advocaat: mr. G.H.J. Spee,
tegen

1.[naam gedaagde in hoofdzaak 1] ,

te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2.
[naam gedaagde in hoofdzaak 2],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: de broers,
advocaat: mr. P.F. Schepel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in het incident
- de conclusie van antwoord in incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis in incident bepaald.

2.De feiten voor zover van belang in incident

2.1.
De broers en de zussen zijn de kinderen van [erflater] (hierna: erflater) en mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster). Partijen zullen hierna samen worden genoemd: de kinderen.
2.2.
Erflater had een landbouwbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. Erflater en erflaatster waren in gemeenschap van goederen gehuwd. In 2022 zijn de goederen van erflater en erflaatster onder bewind gesteld.
2.3.
Erflater is op 26 januari 2024 overleden. Erflater heeft bij testament van 29 oktober 1990 (productie 1 bij dagvaarding) over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament is erflaatster tot enig erfgenaam benoemd. De bewindvoerder heeft de nalatenschap namens erflaatster beneficiair aanvaard. In het testament van erflater zijn tevens legaten aan de kinderen toegekend. De legaten zijn opeisbaar geworden bij het overlijden van erflaatster. De legaten waren gelijk en elk ter hoogte van € 99.421 per kind. Dit bedrag is inmiddels aan elk van de kinderen uitgekeerd.
2.4.
Erflaatster is op 3 september 2024 overleden. Erflaatster heeft bij testament van
29 oktober 1990 (productie 4 bij de dagvaarding) over haar nalatenschap beschikt. In dit testament is [gedaagde 2] benoemd tot erfgenaam voor 1/4e van de nalatenschap en zijn alle tot de nalatenschap behorende onroerende zaken en de levende en dode have die tot het landbouwbedrijf behoren aan hem gelegateerd onder de last en verplichting om de waarde van het gelegateerde in de nalatenschap in te brengen in contanten. Daarbij is bepaald dat wanneer [gedaagde 2] ten tijde van haar overlijden niet meer het landbouwbedrijf uitoefent, genoemde erfstelling en legaat vervallen en aan ieder van de kinderen wordt gelegateerd wat zij zouden hebben geërfd wanneer erflaatster geen testament zou hebben gemaakt.
2.5.
In de verklaring van erfrecht van 9 oktober 2024 is opgenomen dat de kinderen op grond van de wet en gelet op het testament de erfgenamen van erflaatster zijn, ieder voor een vierde deel, en dat zij de nalatenschap van erflaatster beneficiair hebben aanvaard (productie 5 bij dagvaarding). Daarnaast is in de verklaring van erfrecht opgenomen dat de erfgenamen een volmacht aan [eiser 1] hebben verleend om hen te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van de nalatenschap. De broers hebben deze volmacht later ingetrokken.

3.Het geschil

in het incident
3.1.
De broers vorderen dat de rechtbank, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de zussen hoofdelijk zal veroordelen om binnen veertien dagen na het vonnis een afschrift van alle onderliggende stukken bij de aangiften erfbelasting van zowel erflater als erflaatster, alsmede de stukken uit de administratie van de onderneming van erflater en erflaatster, die nodig zijn voor het opstellen van de ontbrekende jaarrekeningen van de onderneming en voor de aangiften inkomstenbelasting van erflater en erflaatster, aan de advocaat van de broers ter beschikking te stellen of door de boekhouder ter beschikking te laten stellen, bij voorkeur in digitale vorm, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, tot een maximum van € 25.000,-, met hoofdelijke veroordeling van de zussen in de proceskosten in het incident, inclusief begroot nasalaris, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na het vonnis.
3.2.
De broers stellen dat zij als erfgenamen in zowel de nalatenschap van erflater als die van erflaatster recht hebben op deze stukken. Ter onderbouwing van hun vordering stellen de broers dat de zussen, ondanks herhaalde verzoeken, weigeren de onderliggende stukken bij de aangiften erfbelasting van zowel erflater als erflaatster ter beschikking te stellen. Tevens weigert de boekhouder deze stukken af te geven zonder toestemming van de zussen, omdat hij zich niet wil mengen in de geschillen tussen de erfgenamen. Dit geldt eveneens voor de informatie uit de administratie van de onderneming van erflater en erflaatster, waaronder de documenten die nodig zijn voor het opstellen van de ontbrekende jaarrekeningen van de onderneming.
3.3.
De zussen concluderen tot afwijzing van het gevorderde, omdat de broers – kortgezegd – geen concreet en gespecificeerd verzoek hebben gedaan. Volgens de zussen is de vordering te algemeen geformuleerd, bijvoorbeeld door te vragen om “alle onderliggende stukken bij de aangiften erfbelasting” en “alle stukken van de onderneming”, zonder duidelijk te maken welke documenten de broers nog missen.
3.4.
Bovendien beschikken de broers volgens de zussen reeds over verschillende relevante stukken waarmee zij de aangifte erfbelasting voor erflater en de concept-aangifte voor erflaatster kunnen beoordelen. Verder stellen de zussen dat zij geen toegang meer hebben tot de ervenrekeningen, omdat deze zijn geblokkeerd door het intrekken van de volmacht. Dit maakt het voor hen onmogelijk om de benodigde inlichtingen te verkrijgen en deze aan de broers te verstrekken. De relevante bankafschriften die zij nog wel in hun administratie hebben, hebben de zussen als productie 19 overgelegd.
3.5.
Wat betreft de informatie uit de administratie van de onderneming stellen de zussen dat zij het accountantskantoor hebben benaderd met een verzoek om informatie. De zussen hebben de informatie die zij van het accountantskantoor hebben ontvangen, overgelegd (productie 20). Zij stellen verder geen andere stukken te hebben ontvangen.
3.6.
Ten slotte stellen de zussen dat het opleggen van een dwangsom onredelijk en disproportioneel is. Zij hebben er alles aan gedaan om informatie te vergaren. Dat de zussen goede bedoelingen hebben, blijkt ook uit het feit dat zij mede namens de broers bezwaar hebben gemaakt tegen een boete van de Belastingdienst wegens het te laat indienen van de aangifte erfbelasting.
3.7.
De zussen concluderen tot een veroordeling van de broers in de proceskosten, aangezien zij stellen dat de broers onnodig dit incident hebben opgeworpen.

4.De beoordeling

4.1.
De broers en de zussen zijn als erfgenamen krachtens artikel 3:166 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) deelgenoten in de nalatenschap van erflaatster. Op grond van artikel 3:166 lid 3 in Pro samenhang met artikel 6:2 BW Pro dienen deelgenoten jegens elkaar de eisen van redelijkheid en billijkheid in acht te nemen. Dit brengt met zich dat een deelgenoot in een nalatenschap tegenover de andere deelgenoten recht heeft op inzage van alle stukken die deel uitmaken van die nalatenschap en die ter beoordeling van de omvang en de waarde van die nalatenschap van belang zijn.
Informatie over de erfbelasting
4.2.
De rechtbank begrijpt dat het de broers gaat om de stukken die zijn gebruikt voor de aangifte erfbelasting en dat de boekhouder die onder zich heeft. De vordering is in zoverre voldoende concreet zodat het verweer dat de broers niet duidelijk hebben gemaakt welke specifieke stukken zij wensen te ontvangen, wordt verworpen. De broers hebben als erfgenamen recht op kennisneming van de stukken die gebruikt zijn voor de aangifte erfbelasting. Deze zijn immers relevant voor het bepalen van de omvang en waarde van de nalatenschap van erflaatster. De zussen kunnen echter niet worden veroordeeld tot het overleggen van stukken waarover zij niet beschikken. De rechtbank maakt uit het verweer van de zussen op dat dit laatste volgens hen het geval is. Nu de broers onvoldoende onderbouwd hebben gesteld dat zij wel degelijk de beschikking hierover hebben, kan de vordering in zoverre niet worden toegewezen. Van de zussen kan echter wel worden verlangd dat zij aan de boekhouder toestemming verlenen om de stukken die zijn gebruikt voor de aangifte erfbelasting te verstrekken. Zij zullen daarom daartoe, als het mindere van de vordering van de broers, worden veroordeeld.
Informatie over de onderneming
4.3.
Op grond van artikel 3:15j BW kunnen erfgenamen, voor zover zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang hebben, openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers vorderen ten aanzien van de boekhouding van de erflater, en wel van degene die de administratie onder zich heeft en die daarin inzage of daaruit afschriften, uittreksels of duplicaten kan geven. De zussen hebben aangevoerd dat zij het accountantskantoor hebben verzocht de in deze procedure gevorderde informatie te verstrekken. Bij hun conclusie van antwoord in incident hebben zij als productie 20 de stukken overgelegd die zij stellen op hun verzoek te hebben ontvangen. Naar de rechtbank begrijpt, stellen de zussen geen andere stukken te hebben. Nu de broers niet (voldoende) hebben geconcretiseerd van welke (concrete) stukken uit de administratie van de onderneming zij een afschrift wensen en evenmin voldoende gemotiveerd hebben gesteld dat de zussen over deze stukken (kunnen) beschikken, zal de vordering op dit punt worden afgewezen.
Geen dwangsom
4.4.
Er bestaat onvoldoende grond voor de veronderstelling dat de zussen een veroordelend vonnis niet zullen naleven. De gevorderde dwangsom zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.5.
De rechtbank zal vanwege de familierelatie van partijen en het onderwerp van deze procedure de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In het door de broers en de zussen gestelde ziet de rechtbank geen aanleiding hiervan af te wijken.
in de hoofdzaak
4.6.
Nadat de boekhouder de gevraagde informatie heeft verstrekt, moeten de broers in staat worden geacht te reageren op de te verkrijgen afschriften en waar nodig hun stellingen ten aanzien van de afwikkeling van de nalatenschap en de verdeling aan te passen. Zij zullen in de gelegenheid worden gesteld dit bij akte te doen.
4.7.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
veroordeelt de zussen om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis toestemming aan de boekhouder te geven om aan de broers kopieën te verstrekken van de onderliggende stukken van de aangifte erfbelasting van zowel erflater als erflaatster,
5.2.
verklaart het vonnis in het incident tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
5.5.
verwijst de zaak naar de rol van
22 april 2026voor het nemen van een akte aan de zijde van de broers met het onder 4.6. omschreven doel,
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
JO/Ma