ECLI:NL:RBGEL:2026:2097

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
AWB – 25 _ 1863
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.62 BklArt. 5.85 BklArt. 5.89e BklArt. 5.96 Bkl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor gebruik bedrijfswoning als burgerwoning in strijd met beheersverordening

Eisers hebben een omgevingsvergunning aangevraagd om een bedrijfswoning te gebruiken als burgerwoning, maar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe heeft deze aanvraag geweigerd omdat het gebruik in strijd is met de beheersverordening van het bedrijventerrein. De beheersverordening bevat geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid en het college zag geen aanleiding voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit vanwege het ontbreken van een evenwichtige toedeling van functies.

Eisers voerden aan dat het college ten onrechte geen toepassing gaf aan bepaalde artikelen van het Besluit kwaliteit leefomgeving, maar deze artikelen zijn instructieregels voor de planwetgever en kunnen niet rechtstreeks worden ingeroepen zonder dat ze in het omgevingsplan zijn overgenomen. Daarnaast beriepen eisers zich op het vertrouwensbeginsel, verwijzend naar een reactie op raadsvragen uit 2011 waarin werd bevestigd dat het gebruik als burgerwoning werd gedoogd.

De rechtbank oordeelt dat deze reactie niet voldoende is om het vertrouwensbeginsel te laten slagen, omdat er geen toezegging is gedaan dat een omgevingsvergunning zou worden verleend. Bovendien is in de beheersverordening uit 2015 expliciet geen toestemming gegeven voor dit gebruik. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en krijgen eisers geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1863
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026
in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers

(gemachtigde: J. van den Berg, Msc),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe

(gemachtigde: mr. S.M.J. Thijssen).

Procesverloop

1. Eiser [eiser] heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om de bedrijfswoning [locatie] te [plaats] te mogen bewonen als burgerwoning. Het college heeft deze aanvraag in het besluit van 8 november 2024 afgewezen. In de beslissing op bezwaar van 11 maart 2025 is de weigering in stand gebleven.
1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde en de gemachtigde van het college.
1.3.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zijn krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Overwegingen

2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2.1.
Eisers hebben de bedrijfswoning aan de [locatie] in [plaats] gekocht en hebben een omgevingsvergunning aangevraagd om de bedrijfswoning als burgerwoning te mogen gebruiken. Niet in geschil is dat dit gebruik in strijd is met de beheersverordening “Bedrijventerrein [naam bedrijventerrein]”. De beheersverordening bevat geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Daarom heeft het college overwogen of met een zogenaamde buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden afgeweken van de Beheersverordening. Het college is tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Eisers zijn het niet eens met de weigering en voert aan dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de artikelen 5.62, 5.85, 5.89e en 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze artikelen zijn echter instructieregels voor de planwetgever, de ontwerper van het omgevingsplan, bij het opstellen of wijzigen van een omgevingsplan. Men kan zich niet beroepen op deze instructieregels zonder dat deze aanwijzingen zijn overgenomen in het omgevingsplan. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet. Eisers beroepen zich daarnaast op het vertrouwensbeginsel. Eisers hebben raadsvragen en de reactie daarop van het toenmalige college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaal uit 2011 overgelegd met betrekking tot de burgerbewoning van de bedrijfswoning aan de [locatie] te [plaats]. De inhoud van de beantwoording van de raadsvragen is niet voldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Er wordt weliswaar bevestigd dat de bedrijfswoning wordt gebruikt als burgerwoning en dat daartegen niet handhavend zal worden getreden maar er wordt ook aangegeven dat deze zaak zal worden meegenomen in het op korte termijn te starten proces van de visievorming van bedrijventerrein “[naam bedrijventerrein]”. Daarmee is niet gezegd dat als een omgevingsvergunning voor de ontstane situatie zou worden aangevraagd het college deze omgevingsvergunning ook zou verlenen. Vervolgens is er in de beheersverordening, die is vastgesteld op 21 mei 2015, ook niet voor gekozen om dit gebruik toe te staan. Dat betekent dat die beroepsgrond niet slaagt.
Het voorgaande betekent dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Het beroep is daarom ongegrond.
Deze mondelinge uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026
door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.