ECLI:NL:RBGEL:2026:2087

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
12002419
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:43 BWArt. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:96 lid 6 BWArtikel 238 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering zorgverzekeringspremie wegens correcte betaling en onjuiste toerekening

De zaak betreft een vordering van Menzis Zorgverzekeraar tegen een verzekerde die de premie voor maart 2025 niet zou hebben voldaan. Menzis stelde dat ondanks herinneringen, aanmaningen en een betalingsregeling de premie onbetaald bleef, en vorderde betaling van de premie, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

De gedaagde had op 4 maart 2025 een bedrag betaald en later in oktober 2025 twee betalingen gedaan, die Menzis echter toerekende aan latere premies. De rechtbank oordeelde dat volgens artikel 6:43 lid 2 BW Pro de betaling eerst moet worden toegerekend aan de meest bezwarende verbintenis, hier de oudste premie van maart 2025.

Verder stelde de rechtbank vast dat de wettelijke rente onjuist was berekend en dat de buitengerechtelijke incassokosten terecht waren aangezegd, maar dat Menzis niet had aangetoond dat na correcte toerekening nog een bedrag openstond.

Daarom wees de rechtbank de vordering af en veroordeelde Menzis in de proceskosten, die nihil werden begroot omdat de gedaagde in persoon procedeerde zonder kosten te hebben gespecificeerd.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Menzis af omdat de verzekerde de premie voor maart 2025 reeds had voldaan en de betaling onjuist was toegerekend.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12002419 \ CV EXPL 25-9705
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Wageningen,
eisende partij,
hierna te noemen: Menzis,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding 18 november 2025 met producties 1 en 2;
- de conclusie van antwoord, waarbij [gedaagde] een drietal ongenummerde producties heeft overgelegd;
- de conclusie van repliek met productie 1 tot en met 10;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] gaat met Menzis een overeenkomst (met als referentienummer [nummer] ) aan als bedoeld in artikel 3 van Pro de Zorgverzekeringswet betreffende de basisverzekering en/of aanvullende verzekeringen.
2.2.
Menzis stuurt een herinnering naar [gedaagde] . In de brief staat onder meer het volgende:
“Hierbij ontvangt u een herinnering omdat de premie niet of deels niet is betaald.
Bij Menzis kunt u dezebetalen met IDEAL. (...)
Wilt u deze factuur betalen voor 15 maart 2025? Nadat u heeft betaald, verandert de betaalstrook bovenin dit bericht van blauw (te betalen) naar groen (betaald). (...)
Factuurdatum:1 maart 2025
Vervaldatum:15 maart 2025
Omschrijving:herinnering
Kenmerk:[nummer]
Bedrag:€ 151,25 (...)
2.3.
Op 4 maart 2025 betaalt [gedaagde] een bedrag van € 151,25 aan Menzis met als omschrijving [nummer] .
2.4.
Op 21 mei 2025 stuurt de gemachtigde van Menzis een kosteloze aanmaning naar [gedaagde] , waarbij een bedrag van € 48,40 aan buitengerechtelijke kosten wordt aangezegd.
2.5.
Op 23 juni 2025 neemt [gedaagde] telefonisch contact op met de gemachtigde van Menzis, waarbij hij aangegeven heeft dat hij betaalbewijzen zal opsturen.
2.6. 6
oktober 2025 neemt [gedaagde] telefonisch contact op met de gemachtigde van Menzis. Tijdens dit telefonisch onderhoud is een betalingsregeling getroffen van € 69,00 per maand. Deze betalingsregeling is op 6 oktober 2025 ook schriftelijk door de gemachtigde van Menzis bevestigd. In de brief staat onder meer het volgende:
U betaalt maandelijks € 69,00.
De eerste betaling ontvangen uiterlijk 25 oktober 2025 van u. (...)
Kom u overige betalingsverplichtingen aan Menzis zorgverzekering N.V. correct na. Als u dit niet doet, vervalt de regeling.(...) Komt u de betalingsregeling niet na? Dan stop deze. U moet het totale bedrag dan direct betalen.”
2.7.
De door de gemachtigde van Menzis en [gedaagde] gesloten betalingsregeling is komen te vervallen.
2.8.
[gedaagde] betaalt op 27 oktober 2025 een tweetal bedragen van € 151,25 aan Menzis. Bij een van de betalingen staat als omschrijving:
“relatienummer [nummer] regeling”.

3.Het geschil

3.1.
Menzis heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan haar te betalen:
1. een bedrag van € 206,10, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 151,25 vanaf 18 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
2. de proceskosten.
3.2.
Menzis heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] de verzekeringspremies voor de maand maart 2025 onbetaald heeft gelaten. [gedaagde] heeft, ondanks een betalingsregeling, diverse herinneringen en aanmaningen, de verzekeringspremies niet (volledig) voldaan. Menzis heeft de vordering uit handen moeten geven, reden waarom zij ook aanspraak maakt op de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. Volgens Menzis heeft zij de door [gedaagde] op 4 maart 2025 verrichte betaling afgeboekt overeenkomstig het door [gedaagde] gebruikte betalingskenmerk. Menzis heeft de tweetal door [gedaagde] op 27 oktober 2025 verrichte betalingen van € 151,25 in mindering gebracht op de zorgverzekeringspremies voor de maanden september en oktober 2025
3.3.
[gedaagde] heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] bij Menzis staat ingeschreven en hij de zorgverzekeringspremies verschuldigd is, gaat de kantonrechter daar van uit. Evenmin is tussen partijen in geschil dat [gedaagde] op 27 oktober 2025 een tweetal bedragen van € 151,25 aan Menzis heeft betaald. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [gedaagde] de zorgverzekeringspremies voor de maand maart 2025 (nog) wel verschuldigd is, alsmede de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
4.2.
De kantonrechter neemt als uitgangspunt dat [gedaagde] bij een van zijn betalingen van 27 oktober 2025 als omschrijving “
betalingsregeling” heeft vermeld. Menzis heeft gesteld dat, nu [gedaagde] de tussen partijen gesloten betalingsregeling niet correct was nagekomen, deze reeds was komen te vervallen. Dit betekent dat bij deze betaling, gelet op het bepaalde in artikel 6:43 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), niet specifiek is aangegeven aan welke verbintenis (zorgverzekeringspremie) de betaling moet worden toegekend. Nu [gedaagde] geen (correcte) schuld heeft aangewezen waarop de betaling betrekking heeft, dient deze betaling overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:43 lid 2 BW Pro in de eerste plaats te worden toegekend aan de opeisbare verbintenissen. Komen meer verbintenissen in aanmerking, dan wordt de betaling toegerekend aan de voor de schuldenaar meest bezwarende verbintenis. Wat de meest bezwarende verbintenis is, wordt van geval tot geval vastgesteld. Zijn verbintenissen even bezwarend, dan wordt de oudste schuld het eerst voldaan. Kan geen oudste schuld worden vastgesteld, dan wordt de betaling naar evenredigheid aan de openstaande schulden toegekend.
4.3.
Menzis heeft gesteld dat zij de tweetal door [gedaagde] op 27 oktober 2025 betaalde bedragen van € 151,25 in mindering heeft gebracht op de zorgverzekeringspremies voor de maanden september en oktober 2025. Gesteld noch gebleken is echter dat [gedaagde] bij deze twee betalingen een (correcte) schuld heeft aangewezen. Dit betekent dat, mede gelet op het door [gedaagde] gevoerde verweer, deze betalingen – conform het bepaalde in artikel 6:43 lid 2 BW Pro – allereerst op de meest bezwarende verbintenis in mindering moet worden gebracht. Dit betekent dat deze betalingen allereerst in mindering dienen te worden gebracht op de oudste en daarmee meest bezwarende vorderingen, zijnde de verzekeringspremie voor de maand maart 2025. Menzis was dan ook niet gerechtigd om de betaling af te boeken op een andere verbintenis.
4.4.
Uit het bepaalde in artikel 6:44 lid 1 BW Pro volgt vervolgens dat een betaling eerst in mindering wordt gebracht op de kosten, vervolgens op de rente en dan op de hoofdsom. Ten aanzien van de gevorderde rente en kosten wordt als volgt overwogen.
Wettelijke rente
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] , nu vast staat dat hij de zorgverzekeringspremie voor de maand maart 2025 niet binnen de betalingstermijn van de factuur heeft betaald, in verzuim is komen te keren. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel de wettelijke rente verschuldigd is. De kantonrechter stelt echter vast dat de hoogte van het door Menzis tot 18 november 2025 gevorderde bedrag aan rente van € 6,45 niet correct is. Die rente is immers berekend tot aan de dagvaarding, terwijl [gedaagde] – zij het te laat – de zorgverzekeringspremie voor de maand maart 2025 reeds op 27 oktober 2025 heeft voldaan. Dit was voordat Menzis tot dagvaarden is overgegaan.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.6.
Menzis heeft vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Menzis heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] de aanmaning van 21 mei 2025 ook daadwerkelijk heeft ontvangen, nu hij niet (gemotiveerd) heeft gesproken dat hij naar aanleiding van deze aanmaning telefonisch contact heeft gezocht met Menzis en om een betalingsregeling heeft verzocht. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om aan te nemen dat Menzis recht had op buitengerechtelijke incassokosten van € 48,40.
4.7.
Hoewel Menzis recht had op betaling van de hoofdsom, kosten en rente, zal desondanks het gevorderde worden afgewezen. Het vorenstaande leidt immers tot het oordeel dat Menzis niet helder heeft gemaakt dat [gedaagde] , in het geval dat Menzis conform het bepaalde in artikel 6:43 BW Pro de betalingen had afgeboekt en op een goede wijze de rente had berekend, nog een bedrag aan Menzis verschuldigd is. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de hoogte van de betalingen van [gedaagde] ter hoogte van € 302,50 (tweemaal een bedrag van € 151,25) en de hoofdsom van Menzis ten bedrage van € 151,25, kan worden geconcludeerd dat [gedaagde] , voordat Menzis tot dagvaarden is overgegaan en mede gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW Pro, de onderhavige vordering en de daarmee samenhangende kosten (wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten) reeds geheel heeft voldaan. De omstandigheid dat Menzis nu mogelijk nog andere openstaande facturen (zorgverzekeringspremies) heeft, brengt de kantonrechter niet tot een ander oordeel. De betaling van die facturen is door Menzis in de onderhavige procedure immers niet gevorderd.
4.8.
De kantonrechter wijst de vordering van Menzis dan ook af. Dit geldt eveneens voor de nevenvorderingen, nu die daarmee samenhangen.
4.9.
De door partijen aangevoerde argumenten die in het voorgaande niet aan de orde zijn gekomen, behoeven geen bespreking, nu deze, in het licht van hetgeen is overwogen, niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
4.10.
Menzis wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.
Nu [gedaagde] in persoon (zonder gemachtigde) procedeert is artikel 238 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van toepassing. Dat artikel kent de mogelijkheid om een bedrag toe te kennen aan noodzakelijke reis- en verblijfkosten en verletkosten in de zin van gederfde inkomsten. [gedaagde] heeft niet kenbaar gemaakt dat hij daadwerkelijk noodzakelijke kosten heeft gemaakt en/of wat de omvang daarvan was, zodat de kantonrechter de proceskosten begroot op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijstde vorderingen van Menzis af,
5.2.
veroordeeltMenzis in de proceskosten tot deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
53854\415