ECLI:NL:RBGEL:2026:208

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
ARN 24/2182
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over ontheffing inrijverbod voor zware voertuigen

Deze uitspraak betreft de verleende ontheffing van het inrijverbod voor voertuigen met een totaalmassa of som van de aslasten hoger dan vijftien ton aan [naam bedrijf 1]. Eiseres, woonachtig aan [locatie 1], is het niet eens met deze ontheffing en heeft bezwaar gemaakt. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, met name waarom is gekozen voor de route via [locatie 1]. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Eiseres krijgt een vergoeding van het griffierecht en proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij het verlenen van ontheffingen en de noodzaak om besluiten goed te onderbouwen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2182

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats 1], eiseres

en

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland

(gemachtigden: mr. T.P.J. Steenland-Mulder en A.M.E.W. Roelofs).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan [naam bedrijf 1] verleende ontheffing van het inrijverbod voor voertuigen waarvan de totaalmassa of de som van de aslasten hoger is dan vijftien ton. Eiseres is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende ontheffing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom is gekozen om een ontheffing te verlenen voor de route via de [locatie 1]. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [naam bedrijf 2] is gelegen aan [locatie 2] te [plaats 2], een weg die gesloten is voor voertuigen waarvan de totaalmassa of de som van de aslasten hoger is dan vijftien ton (het inrijverbod). [naam bedrijf 1] heeft een ontheffing aangevraagd voor dit inrijverbod voor het vervoeren van goederen van en naar [naam bedrijf 2] Met het besluit van 23 oktober 2023 heeft het college deze ontheffing verleend voor de periode 15 oktober 2023 tot en met 31 december 2023. De ontheffing is geldig voor de wegen de [locatie 1] te [plaats 1] en [locatie 2] te [plaats 2]. Daarbij heeft het college niet gekozen voor de kortste route, maar, gelet op de verkeersveiligheid, voor de volgens het college minst bezwaarlijke route.
2.1.
Eiseres is woonachtig aan de [locatie 1] [huisnummer] en is het niet eens met de verleende ontheffing. Zij heeft daarom bezwaar gemaakt tegen het besluit van
23 oktober 2023. Met het bestreden besluit van 12 maart 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Is sprake van een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb [1] ?
3. Het college heeft op 4 april 2024 opnieuw een besluit genomen om eenzelfde ontheffing te verlenen als in het bestreden besluit, nu voor de periode van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2029 (de tweede ontheffing). Eiseres heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft vervolgens het besluit van 4 april 2024 en het bezwaarschrift van eiseres daartegen doorgezonden naar de rechtbank, omdat het volgens hem een besluit is tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit. Volgens het college heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking op het besluit van 4 april 2024.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 4 april 2024 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Met dit besluit wordt namelijk niet het bestreden besluit (de eerste ontheffing) ingetrokken, gewijzigd of vervangen. De geldigheidsduur van die ontheffing is immers slechts van rechtswege geëindigd. Hoewel de (tweede) ontheffing voor dezelfde wegen wordt verleend en er ogenschijnlijk dezelfde feiten en omstandigheden spelen, ziet het besluit van 4 april 2024 op een geheel andere geldigheidsperiode van de ontheffing dan die in het bestreden besluit. De geldigheidsduur sluit ook niet aan op de datum van het eindigen van de geldigheidsduur van de eerste ontheffing. De rechtbank heeft eiseres tijdens de zitting nog gewezen op de mogelijkheid van rechtstreeks beroep waarbij met instemming van partijen de bezwaarfase kan worden overgeslagen. Eiseres heeft hiervoor expliciet geen instemming verleend.
3.2.
Het voorgaande betekent dat het beroep niet van rechtswege mede ziet op het besluit van 4 april 2024. Het college moet dan ook een besluit op het bezwaar van eiseres nemen. De rechtbank zal dus alleen de rechtmatigheid van het bestreden besluit beoordelen en niet de rechtmatigheid van het besluit van 4 april 2024.
Heeft eiseres nog procesbelang?
4. Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit. De ontheffing was namelijk geldig van
15 oktober 2023 tot en met 23 december 2023. De geldigheidsduur van deze ontheffing is dus verstreken en er is een ontheffing verleend voor een nieuwe periode.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat de bestuursrechter een bij hem ingediend beroep alleen inhoudelijk hoeft te beoordelen als de indiener van het beroep procesbelang heeft bij de uitkomst van de procedure. Er is sprake van procesbelang als het resultaat dat een indiener met het instellen van het beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor hem feitelijk betekenis kan hebben. [2] Met andere woorden, de indiener moet een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Procesbelang kan ook zijn gelegen in de omstandigheid dat zich tussen dezelfde partijen in de toekomst een soortgelijk geschil kan voordoen. [3]
4.2.
Het gaat hier om een beoordeling van een besluit dat ziet op een al verstreken periode. Eiseres kan met dit beroep dus niet meer bereiken dat [naam bedrijf 1] niet meer gebruik kan maken van de ontheffing. Inmiddels is voor de periode van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2029 een nieuwe ontheffing verleend van het inrijverbod. Eiseres heeft tegen dit besluit opnieuw bezwaar gemaakt. Op de zitting heeft het college ook bevestigd dat zolang [naam bedrijf 2] is gevestigd aan [locatie 2] te [plaats 2], de vervoerders een ontheffing nodig zullen hebben. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het belang van eiseres gelegen is in het feit dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor ontheffingsbesluiten die zien op toekomstige periodes. Eiseres heeft dus naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk belang bij een beoordeling van het door haar ingediende beroep.
Beoordelingskader
5. Op grond van artikel 87 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 kan het bevoegde gezag ontheffing van het inrijverbod verlenen. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dit betekent dat het besluit tot verlening van een dergelijke ontheffing terughoudend moet worden getoetst. [4]
5.1.
Het college heeft in het Ontheffingenbeleid ten aanzien van verkeersmaatregelen (het Ontheffingenbeleid) regels vastgesteld voor het verlenen van een ontheffing. In het Ontheffingenbeleid staat dat bij een verzoek om een ontheffing steeds dient te worden overwogen met welk doel een bepaalde verkeersmaatregel is ingesteld. Vervolgens moet aan de hand van een aantal concrete criteria een verdere afweging worden gemaakt:
de ontheffingverzoeker dient de noodzakelijkheid tot ontheffingverlening aan te tonen;
ontheffing wordt verleend als bepaalde percelen niet op een andere wijze bereikbaar zijn;
ontheffing wordt niet verleend voor een kortere route;
ontheffing wordt ook niet verleend voor tijdsbesparing;
ontheffing wordt verleend indien een restrictieve handhaving van de verkeersmaatregel leidt tot een onevenredig zwaar economisch nadeel voor ontheffingverzoeker;
ontheffing wordt verleend als de nadelige gevolgen van de ontheffing, ten aanzien van het doel van de desbetreffende verkeersmaatregel, door middel van het verbinden van voorschriften aan de ontheffing, kunnen worden ondervangen.
Er wordt, zoveel mogelijk, een restrictief beleid gevoerd, waarbij het college zich strikt houdt aan de genoemde criteria.
Mocht het college de ontheffing verlenen?
6. Eiseres stelt dat het college de ontheffing niet heeft mogen verlenen, omdat de verleende ontheffing in strijd is met het Ontheffingenbeleid. Het college heeft de criteria uit het Ontheffingenbeleid aan de kant geschoven en gekozen voor een heel nieuw en eigen criterium, namelijk de gemeentelijke verkeersveiligheid. Dit maakt dat het college haar bevoegdheid voor het verlenen van een ontheffing gebruikt voor een doel, de verkeersveiligheid binnen de kern van [plaats 2], dat buiten het Ontheffingenbeleid valt. Daarbij komt dat op grond van het Ontheffingenbeleid moet worden gekozen voor de kortste route, terwijl het college dat niet heeft gedaan. De [locatie 1] is een smalle dijk zonder voet- of fietspaden. Wandelaars, fietsers en ander verkeer maken gebruik van dezelfde weg die op sommige plekken zo smal is dat vrachtwagens elkaar niet kunnen passeren. Hierdoor moeten vrachtwagens soms achteruit rijden. Ook is de [naam brug] gelegen aan de [locatie 1]. Deze brug wordt binnen afzienbare tijd afgekeurd en het toestaan van zwaar vrachtverkeer levert grote gevaren op.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat hij de ontheffing heeft mogen verlenen. Het inrijverbod is ingesteld om de verkeersveiligheid te waarborgen, schade aan de wegverharding te beperken en overlast door trillingen zoveel mogelijk te voorkomen. Bij het beoordelen van een ontheffingsaanvraag wordt bekeken of een route zo min mogelijk gebruik maakt van wegen waarop een beperking geldt van vijftien ton. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de verkeersveiligheid. In dit geval zou de kortst mogelijke route leiden door de kern van [plaats 2] en de kern van [plaats 3], waar basisscholen op korte afstand staan van de mogelijk voorgeschreven route. Vanwege die bijzondere omstandigheid is gekozen voor een route via de [locatie 1]. Deze route sluit ook het beste aan op de landelijke principes van de wegcategorisering bij de verkeersafwikkeling. Het is bekend dat dat [locatie 1] een smalle weg is, maar het is de minst bezwaarlijke route. Verder kan de [naam brug] nog steeds veilig worden gebruikt door (zwaar) verkeer. Het feit dat de brug in de planning staat te worden vervangen, betekent niet dat de brug nu onveilig is en een acuut gevaar vormt.
6.2.
Het college is beheerder van de wegen die gesloten zijn voor voertuigen waarvan de totaalmassa of de som van de aslasten hoger is dan vijftien ton (het inrijverbod). Bij een aanvraag voor een ontheffing, ontkomt het college er niet aan om te kijken naar welke (alternatieve) routes mogelijk zijn. Bij deze routes is het college niet de enige wegbeheerder, omdat de wegen met een inrijverbod grenzen aan wegen zonder een inrijverbod en waarvan het college niet de wegbeheerder is. Het verlenen van een ontheffing van een inrijverbod kan echter wel van invloed zijn op de wegen waarvoor geen inrijverbod geldt. Als het college voor een bepaalde route een ontheffing verleend, is het namelijk logisch dat op de aansluitende weg aan de weg met het inrijverbod meer verkeer ontstaat van voertuigen waarvan de totaalmassa of de som van de aslasten hoger is dan vijftien ton. Dit kan mogelijk van invloed zijn op de verkeersveiligheid op die weg. Dit is dan ook een nadelig gevolg van het ontheffingsbesluit dat het college moet meewegen. De rechtbank is dus van oordeel dat het college bij de besluitvorming tot een ontheffing de verkeersveiligheid mag meewegen voor wegen waarvan het college niet de beheerder is.
6.3.
Het college heeft in het bestreden besluit echter niet gemotiveerd hoe deze belangenafweging heeft plaatsgevonden in relatie tot (de criteria in) het Ontheffingenbeleid en hoe tot de conclusie is gekomen om te kiezen voor de route via de [locatie 1]. Het college heeft op de zitting toegelicht dat er overleg heeft plaatsgevonden met het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden en dat is gekeken naar een kaart met de verkeersintensiteit van de verschillende wegen, maar dit volgt niet uit het bestreden besluit en hier zijn ook geen stukken van overgelegd. Verder begrijpt de rechtbank uit het verslag van de hoorzitting dat een verkeerskundige de route via de [locatie 1] heeft geadviseerd, maar dit advies is ook niet overgelegd. Dat betekent dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond, omdat het college het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Dat is in strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan het college is om te onderbouwen en te motiveren waarom, gelet op alle belangen, is gekozen voor een specifieke route.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht van € 187 aan eiseres vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding van de proceskosten die zij heeft gemaakt. De proceskosten stelt de rechtbank vast op € 87,48. Voor de verletkosten wordt aan eiseres een bedrag van € 40,50 (4,5 x € 9) toegekend. Omdat eiseres het uurtarief niet nader heeft onderbouwd, gaat de rechtbank uit van het laagste tarief. [5] Daarnaast krijgt eiseres een vergoeding van de reiskosten van € 46,98 (retour openbaar vervoer 2e klasse [locatie 1] [huisnummer] in [plaats 1] – Arnhem).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op om binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 87,48;
- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 187 aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4044.
3.Zie ABRvS 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3382, r.o. 2.1.
4.ABRvS 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3179.
5.Zie artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.