Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen drie rechters van de rechtbank Gelderland die betrokken zijn bij haar strafzaken. Zij stelde dat de rechters niet onafhankelijk kunnen zijn omdat zij een eed aan de Koning hebben afgelegd, wat volgens haar de schijn van partijdigheid wekt. Daarnaast voerde zij aan dat de aard van de strafvervolging en concrete zittingsomstandigheden tijdens een regiezitting op 9 januari 2026 de onpartijdigheid zouden schaden.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de criteria voor rechterlijke onpartijdigheid. Uitgangspunt is dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij bijzondere omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid opleveren. De kamer oordeelde dat het afleggen van de eed of belofte aan de Grondwet en de Koning juist inhoudt dat rechters hun ambt eerlijk en onzijdig uitoefenen.
De door verzoekster aangevoerde omstandigheden, waaronder de inhoud van de strafzaak en de gang van zaken tijdens de zitting, boden geen concrete aanwijzingen voor (de schijn van) vooringenomenheid. De wrakingskamer stelde dat eventuele klachten over zittingshandelingen in de inhoudelijke strafprocedure kunnen worden ingebracht. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en is tegen deze beslissing geen rechtsmiddel mogelijk.