ECLI:NL:RBGEL:2026:2051

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/05/462025 / KG RK 26-62
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters wegens vermeende partijdigheid

Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen drie rechters van de rechtbank Gelderland die betrokken zijn bij haar strafzaken. Zij stelde dat de rechters niet onafhankelijk kunnen zijn omdat zij een eed aan de Koning hebben afgelegd, wat volgens haar de schijn van partijdigheid wekt. Daarnaast voerde zij aan dat de aard van de strafvervolging en concrete zittingsomstandigheden tijdens een regiezitting op 9 januari 2026 de onpartijdigheid zouden schaden.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de criteria voor rechterlijke onpartijdigheid. Uitgangspunt is dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij bijzondere omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid opleveren. De kamer oordeelde dat het afleggen van de eed of belofte aan de Grondwet en de Koning juist inhoudt dat rechters hun ambt eerlijk en onzijdig uitoefenen.

De door verzoekster aangevoerde omstandigheden, waaronder de inhoud van de strafzaak en de gang van zaken tijdens de zitting, boden geen concrete aanwijzingen voor (de schijn van) vooringenomenheid. De wrakingskamer stelde dat eventuele klachten over zittingshandelingen in de inhoudelijke strafprocedure kunnen worden ingebracht. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en is tegen deze beslissing geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/462025 / KG RK 26-62
Beslissing van 9 maart 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster],
wonende te [plaats].
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. H.C. Leemreize, mr. M.G.J. Post en mr. C.L.A. van der Veeken,
rechters in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de processen-verbaal van 9 januari 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld
  • de schriftelijke reactie van de rechters van 2 februari 2026
  • de e-mails van verzoekster van 25 februari 2026 en van 1 maart 2026
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 9 januari 2026.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling zijn zowel verzoekster als de rechters met bericht van verhindering niet verschenen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de zaken
met parketnummers 05/020360-25 en 05/339337-24 tegen verzoekster als verdachte. Op 9 januari 2026 heeft in deze zaken een regiezitting plaatsgevonden bij de meervoudige kamer. Tijdens deze zitting heeft verzoekster de rechters gewraakt.
2.2
Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. De rechters van de rechtbank hebben een eed aan de Koning afgelegd en dienen de Koning. Zij kunnen daarom niet onafhankelijk en onbevooroordeeld handelen.
2.3
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
2.4.
In haar e-mail van 1 maart 2026 heeft verzoekster deze grond herhaald en daarnaast toegelicht welk doel zij wenst te bereiken met haar wrakingsverzoek. Verzoekster heeft in dit verband gemeld dat haar wrakingsverzoek niet uitsluitend rust op de formele omstandigheid van de eedaflegging bij benoeming. Het is volgens verzoekster een cumulatie bestaande uit de aard van de strafvervolging (de zaak bestrijkt uitlatingen en beschuldigingen die betrekking hebben op onderdelen van de constitutionele orde) en concrete toetsbare zittingsomstandigheden tijdens de zitting van 9 januari 2026 die bij een objectieve en redelijk geïnformeerde waarnemer de schijn van onvoldoende institutionele afstand kan doen ontstaan. Hierdoor worden fundamentele waarborgen van een eerlijk proces geraakt.

3.De beoordeling

3.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoekster die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan haar bekend zijn geworden.
3.2
Verzoekster heeft willen betogen dat de rechters niet onpartijdig zijn aangezien zij een eed van trouw dan wel de belofte hebben afgelegd aan de Grondwet en daarmee hebben beloofd de Koning op geen enkele wijze te zullen schenden.
3.3
De wrakingskamer is van oordeel dat het afleggen van deze eed of belofte niet getuigt van (schijn van) vooringenomenheid dan wel partijdigheid van de rechters in deze concrete zaak. De eed of de belofte houdt bovendien ook in dat de rechters zweren dan wel beloven hun ambt eerlijk, nauwgezet en onzijdig, zonder aanzien van personen uit te oefenen.
3.4
Ook de door verzoekster gegeven toelichting in haar e-mail van 1 maart 2026 geeft geen grond voor het oordeel dat sprake is van (schijn van) vooringenomenheid of partijdigheid van de rechters. Verzoekster heeft geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan volgen dat bij de rechters sprake is van (schijn van) vooringenomenheid of partijdigheid omdat de zaak uitlatingen en beschuldigingen bestrijkt die betrekking hebben op onderdelen van de constitutionele orde. De door verzoekster genoemde zittingsomstandigheden zien op de gang van zaken tijdens de zitting en (regie)beslissingen die door de rechters toen zijn genomen. Hierover kan verzoekster zich nog beklagen bij de verdere (inhoudelijke) behandeling van de strafzaak.
3.5.
Het vorenstaande leidt de wrakingskamer tot het oordeel dat geen sprake is van (schijn) van partijdigheid, zodat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg en mr. L.M. Vogel, leden in tegenwoordigheid van de griffier [griffier] en in openbaar uitgesproken op 9 maart 2026
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.