ECLI:NL:RBGEL:2026:2033

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
AWB-25_2823
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 lid 1 OmgevingswetArt. 5.1 lid 1 aanhef en onder a OmgevingswetArt. 22.8 OmgevingswetArt. 2.12 Algemene plaatselijke verordening gemeente PuttenArt. 2.16 lid 3 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag omgevingsvergunning tweede uitrit wegens aantasting openbaar groen

Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een tweede uitrit aan de achterzijde van hun perceel. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten heeft deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 2.12 van de Algemene plaatselijke verordening (APV), omdat de aanleg ten koste zou gaan van openbaar groen.

De rechtbank heeft het beroep van eisers beoordeeld en geoordeeld dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van haar beoordelingsruimte. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een tweede uitweg die openbaar groen aantast, wat een geldige weigeringsgrond is. Eisers konden niet aantonen dat het openbaar groen geen waarde heeft, aangezien beeldmateriaal uit 2018 en 2019 een dichtbegroeide groenstrook toont.

Verder oordeelt de rechtbank dat de nadelige gevolgen van de weigering niet onevenredig zijn in verhouding tot het belang van het behoud van openbaar groen, dat belangrijk is voor leefbaarheid, biodiversiteit en klimaatadaptatie. Eisers konden ook geen gelijkheidsbeginsel aantonen, omdat de vergelijkbare situaties niet relevant of niet vergelijkbaar waren.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van de aanvraag door het college. Eisers krijgen het griffierecht niet terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een tweede uitrit is ongegrond verklaard en de aanvraag terecht afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2823

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten

(gemachtigde: mr. H. Vooren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een tweede uitrit. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 3 december 2024 een aanvraag ingediend voor het realiseren van een uitrit aan de achterzijde van het perceel [locatie] te [plaats]. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 mei 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Ingebrachte stukken ná sluiting onderzoek
3. De rechtbank heeft na de sluiting van het onderzoek nog een stuk van eisers ontvangen op 4 december 2025. Dit stuk gaf geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Dit betekent dat de rechtbank dit stuk buiten beschouwing laat. [1]
Beoordelingskader
4. Op grond van artikel 22.8 van de Omgevingswet geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Omgevingswet alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit, zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet te verrichten.
4.1.
Uit artikel 2.12 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Putten (hierna: de Apv) volgt dat het is verboden om zonder omgevingsvergunning een uitweg te hebben, te maken of te veranderen naar de weg. Een omgevingsvergunning kan slechts worden geweigerd:
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van de tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
4.2.
Het college heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag, of een van de weigeringsgronden zich voordoet. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt, in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen.
4.3.
Als een of meer van de in artikel 2.12, tweede lid, van de Apv genoemde weigeringsgronden zich voordoet, moet een belangenafweging worden gemaakt. Het college heeft daarbij beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de nadelige gevolgen van de weigering niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de weigering te dienen doelen.
Bestreden besluit
5. Het college stelt dat sprake is van één van de weigeringsgronden uit artikel 2.12 van de APV, te weten de weigeringsgrond onder d. Aan de voorzijde van het perceel [locatie] bestaat al een uitweg. De geweigerde uitweg gaat ten koste van een strook openbaar groen aan de achterzijde van het perceel. Het college is daarom niet bereid de gevraagde uitritvergunning te verlenen. Het college stelt dat de afwijzing van de aanvraag geen onevenredige nadelige gevolgen heeft voor eisers in verhouding tot de met de weigering te dienen doelen.
Is er sprake van aantasting van het openbaar groen?
6. Eisers stellen dat het college onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van aantasting van het openbaar groen. De strook aan de achterzijde van het perceel is volgens eisers al meer dan dertig jaar niet actief onderhouden door de gemeente, hetgeen door meerdere omwonenden wordt bevestigd. Eisers stellen dat het gaat om een braakliggende zandstrook zonder ecologische of recreatieve waarde.
groenstrook in 2014 (afbeelding streetview)
groenstrook t.t.v. besluitvorming
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Er is sprake van een strook grond met enige beplanting. Op grond van de APV is het geen vereiste dat sprake is van openbaar groen met een hoge ecologische of recreatieve waarde. Zoals het college heeft aangegeven, klopt het niet dat het stuk groen al dertig jaar braak ligt. Op beeldmateriaal tot 2018 is zichtbaar dat sprake is van een dichtbegroeide groenstrook; in 2019 is de beplanting vervangen. Er is daarom sprake van beplanting en het college verwacht dat deze zich verder zal ontwikkelen. Dat het stuk groen op dit moment weinig beplanting heeft, betekent niet dat dit in de toekomst niet kan veranderen. Daarnaast doet dit ook niet af aan de aard van het openbaar groen.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat de door eisers beoogde uitrit aan de achterzijde van het perceel een tweede uitweg is en alleen kan worden gerealiseerd ten koste van openbaar groen. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 2:12, tweede lid, onder d, van de APV van toepassing is.
Zijn de nadelige gevolgen onevenredig?
7. Eisers stellen dat het besluit leidt tot onevenredige benadeling. Volgens eisers stelt de gemeente het belang van ‘symbolisch groen’ boven het belang van eisers. Eisers beschikken over drie auto’s, een trailer en een aanhangwagen. Doordat zij slechts beperkte toegang hebben tot hun achtererf, raakt de oprit geblokkeerd. Daarnaast stellen eisers dat het straatbeeld hierdoor wordt aangetast.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de nadelige gevolgen van de weigering niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met de weigering worden gediend. Dat het openbaar groen op dit moment niet dichtbegroeid is, betekent niet dat het college daaraan geen belang meer mag toekennen. Zoals het college heeft gesteld, vervult openbaar groen een belangrijke functie voor de leefbaarheid en is het van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Wat het college nu aan openbaar groen prijsgeeft, kan in de toekomst niet meer op een voor de gemeenschap wenselijke manier worden ingevuld. Dat omwonenden mogelijk geen overlast zullen ervaren van een tweede uitrit, doet er niet aan af dat het college aan het belang van behoud van openbaar groen meer gewicht heeft mogen toekennen dan aan het belang van eisers bij ontsluiting van hun perceel met een tweede uitrit. Het is voor eisers mogelijk niet de meest gunstige situatie dat zij hun voertuigen op de oprit of aan de straat moeten parkeren, maar de rechtbank stelt vast dat zij daardoor niet onevenredig worden benadeeld. Dat eisers meerdere auto’s, een trailer en een aanhangwagen bezitten, betekent niet dat het college het belang om al deze voertuigen op eigen terrein te kunnen parkeren zwaarder moet laten wegen dan het belang van het openbaar groen in de wijk.
Gelijkheidsbeginsel
8. Eisers stellen dat in hun directe woonomgeving talloze vergelijkbare situaties zijn waarin wél een tweede uitrit of parkeerplaatsen zijn gerealiseerd, ook ten koste van openbaar groen. Veelal is het trottoir duidelijk verlaagd ten behoeve van die uitrit.
8.1.
Het college geeft aan dat het in slechts één van de achttien door eisers genoemde voorbeelden een aanvraag of vergunning in het archief heeft aangetroffen. Het college benadrukt dat hiermee niet wordt gezegd dat deze situaties illegaal zijn aangelegd; zij kunnen ook in een verder verleden zijn gerealiseerd. De betreffende weigeringsgrond is pas in 2015 in de APV opgenomen. Daarnaast wijst het college erop dat sprake is van een bijzondere situatie, nu eiser een uitrit wil realiseren aan de achterzijde van zijn perceel. Het gaat niet om een uitweg op een doorgaande weg. Het openbaar groen fungeert hier als een afscheidingsbuffer aan het einde van de weg en niet als berm langs een weg. De gevraagde uitweg zou ertoe leiden dat een relatief groot deel van deze buffer verdwijnt. Geen van de andere situaties is daarmee vergelijkbaar.
8.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van gelijke gevallen. Het is aan eisers om hun beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen met concrete situaties die op relevante punten vergelijkbaar zijn met hun eigen situatie. De toelichting dat de meeste gevallen dateren van vóór de APV van 2015 hebben eisers niet met nadere gegevens weerlegd. Het college overweegt bovendien om in sommige gevallen handhavend op te treden. Daarnaast betreft het in veel gevallen een tweede uitweg aan de voorzijde van het perceel in plaats van aan de achterzijde, waardoor ook om die reden geen sprake is van gelijke gevallen. Ter zitting is het voorbeeld aan de Kerkstraat 55 besproken, waarbij wel een vergunning is verleend voor een uitweg aan de achterzijde van het perceel, aansluitend op een doodlopend straatje, net als bij eisers. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, betreft dit naar het oordeel van het college echter een aanvraag voor een eerste uitweg, aangezien er geen uitweg aan de voorzijde is. Uit de kadastrale kaart en de afbeeldingen op Google Streetview volgt dat de aanwezige oprit aan de voorzijde bij het naastgelegen pand Kerkstraat 57 behoort. Kerkstraat 55 heeft dus geen uitweg voor voertuigen aan de voorzijde. Voor zover de voordeur, die direct op de stoep uitkomt, als ‘uitweg’ zou moeten worden aangemerkt, acht de rechtbank dit een relevant verschil met de situatie van eisers die een eigen oprit aan de voorzijde hebben. Er is daarom geen sprake van een gelijk geval.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.16, derde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025.