ECLI:NL:RBGEL:2026:197

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
11817411
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-tijdige instelling van verzet tegen verstekvonnis in huurzaak

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Gelderland op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een verzetprocedure. De zaak betreft een huurovereenkomst tussen [opposant] en STICHTING TALIS, waarbij [opposant] zijn betalingsverplichtingen niet is nagekomen, wat leidde tot een huurachterstand van meer dan drie maanden. Op 13 september 2024 is er een verstekvonnis uitgesproken, waarbij de huurovereenkomst is ontbonden en [opposant] is veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Het verstekvonnis is op 8 oktober 2024 betekend, maar [opposant] heeft pas op 4 juli 2025 verzet ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het verzet niet tijdig is ingesteld, omdat de verzettermijn van vier weken is verstreken. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [opposant] op 31 oktober 2024 bekend was met de inhoud van het verstekvonnis, en dat de verzetdagvaarding pas op 4 juli 2025 is uitgebracht. Hierdoor is [opposant] niet-ontvankelijk verklaard in het verzet, en blijft het verstekvonnis in stand. Tevens is [opposant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11817411 \ CV EXPL 25-2154
Vonnis van 9 januari 2026
in de zaak van
[opposant],
te [woonplaats] ,
eisende partij in het verzet (opposant),
hierna te noemen: [bewindvoerder] (q.q.) of de bewindvoerder en [opposant] ,
gemachtigde: mr. D.A. IJpelaar,
tegen
STICHTING TALIS,
te Nijmegen,
gedaagde partij in het verzet (geopposeerde),
hierna te noemen: Talis,
gemachtigde: mr. W. Blansjaar.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Bij verstek
  • de dagvaarding van 26 augustus 2024,
  • het verstekvonnis van 13 september 2024 (met zaaknummer 11303228 CV-EXPL 24-2793),
In verzet
  • de verzetdagvaarding van 4 juli 2025,
  • de akte overlegging producties van Talis,
  • de mondelinge behandeling van 9 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Aan de kant van opposant was de gemachtigde van [opposant] , mr. D.A. IJpelaar, aanwezig. [opposant] zelf is, zonder nadere kennisgeving, niet verschenen. Aan de kant van geopposeerde waren [naam 1] en [naam 2] aanwezig, bijgestaan door gemachtigde mr. W. Blansjaar. Mr. Blansjaar heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
1.2.
Mr. IJpelaar heeft, naar aanleiding van vragen daarover in verband met het opheffen van het bewind, verklaard dat hij (ook) namens [opposant] zelf optreedt in deze procedure.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[opposant] huurde van Talis de woning gelegen aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde).
2.2.
[opposant] is zijn betalingsverplichtingen richting Talis niet geheel nagekomen, waardoor er per augustus 2024 sprake was van een huurachterstand van meer dan drie maanden.
2.3.
Bij verstekvonnis van 13 september 2024 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden op grond van de huurachterstand. [opposant] is verder (onder meer) veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de huurachterstand.
2.4.
Op 8 oktober 2024 is het verstekvonnis door de gerechtsdeurwaarder aan [opposant] betekend (dossiernummer gerechtsdeurwaarder: 23.22706).
2.5.
Op 30 oktober 2024 is de ontruiming bij exploot aangezegd.
2.6.
Op 5 november 2024 mailt bewindvoerder [bewindvoerder] aan de gerechtsdeurwaarder met onderwerpregel ‘Verzoek uitstel i.v.m. verzoek onderbewindstelling [opposant] dossier: 23.22796’ – voor zover van belang – het volgende:
‘Zojuist heb ik voor de heer [opposant] onderbewindstelling aangevraagd bij de rechtbank. Omdat er sprake is van een ontruiming verwachten we dat de beschikking z.s.m. komt (..)’
2.7.
Bij beschikking van 22 november 2024 zijn de goederen van [opposant] onder bewind gesteld, met aanstelling van [bewindvoerder] als bewindvoerder.
2.8.
Op 25 november 2024 mailt de gerechtsdeurwaarder aan [bewindvoerder] q.q.:
‘Zoals u wellicht weet staat er voor woensdag 27 november 2024 een ontruiming gepland. Om hoge kosten te voorkomen is het wijsheid dat meneer zelf de sleutels inlevert uiterlijk dinsdag 26 november 2024 om 12.00 uur bij Talis (..).’
2.9.
[bewindvoerder] q.q. reageert daar op 25 november 2024 met onderwerpregel ‘RE: Onderbewindstelling [opposant] dossier: 23.22796’ als volgt op:
‘Van de financieel expert van de gemeente Nijmegen die bij [opposant] betrokken is, heb ik begrepen dat Talis met de Regieteam van gemeente Nijmegen heeft afgesproken dat er niet ontruimt gaat worden. Klopt dat? Van u begrijp ik nu dat er wel ontruimt gaat worden. (..)’
2.10.
Op 26 november 2024 is tussen Talis en [opposant] een gebruiksovereenkomst tot stand gekomen, op basis waarvan [opposant] zijn verblijf in het gehuurde mocht continueren onder bepaalde voorwaarden.
2.11.
Bij exploot van 13 juni 2025 is tegen [bewindvoerder] q.q. gedwongen ontruiming aangezegd per 9 juli 2025.
2.12.
Op 4 juli 2025 heeft [bewindvoerder] q.q. Talis gedagvaard in kort geding (zaaknummer 11777479 \ VV EXPL 25-50). In deze procedure heeft [bewindvoerder] q.q. (primair) gevorderd Talis te verbieden om het verstekvonnis van 13 september 2024 ten uitvoer te leggen in afwachting van de uitkomst van het verzet op straffe van een dwangsom.
2.13.
Bij vonnis van 8 juli 2025 met zaaknummer 11777479 \ VV EXPL 25-50 heeft de kantonrechter Talis verboden het verstekvonnis van 13 september 2024 ten uitvoer te leggen, totdat de kantonrechter uitspraak heeft gedaan in de door [bewindvoerder] q.q. aanhangig te maken verzetprocedure.
2.14.
Bij beschikking van 10 november 2025 is het bewind over de goederen van [opposant] opgeheven.

3.Het geschil

3.1.
Talis heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat de kantonrechter de huurovereenkomst tussen partijen ontbindt en dat [opposant] wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Verder heeft Talis betaling van de huurachterstand, een gebruiksvergoeding voor iedere maand dat het gehuurde in gebruik blijft, de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten gevorderd.
3.2.
De kantonrechter heeft bij verstekvonnis van 13 september 2024 (zaaknummer 11303228 CV EXPL 24-2793) de huurovereenkomst ontbonden en [opposant] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Ook zijn de overige vorderingen toegewezen.
3.3.
[bewindvoerder] q.q. vordert in de verzetdagvaarding, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, opposant te verklaren tot goed opposant, en wel in die zin dat terecht verzet is ingesteld tegen het verstekvonnis van 13 september 2024, het verstekvonnis te vernietigen, althans [opposant] te ontheffen van de veroordelingen van het tegen hem uitgesproken verstekvonnis en Talis in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen aangezien haar vorderingen ongegrond dan wel onbewezen zijn met veroordeling van Talis in de proceskosten van het verstek en verzet.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Voordat de kantonrechter toe komt aan de inhoudelijke beoordeling van het
verzet, dient eerst beoordeeld te worden of [bewindvoerder] q.q., ten tijde van het bewind de procespartij namens [opposant] , het verzet tijdig heeft ingesteld.
4.2.
In artikel 143 Rv is geregeld dat verzet tegen een verstekvonnis moet worden ingesteld binnen vier weken. Het artikel noemt een drietal momenten waarop de termijn van vier weken begint te lopen:
De verzettermijn begint te lopen vanaf het moment dat het vonnis aan de veroordeelde partij in persoon is betekend. Betekening door middel van afgifte aan een huisgenoot of achterlating in een enveloppe, laat de verzettermijn niet aanvangen.
De termijn begint ook te lopen vanaf na het plegen door de veroordeelde van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis aan hem bekend is. De Hoge Raad heeft deze maatstaf aldus ingevuld dat de veroordeelde zélf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Voldoende is dat de veroordeelde ermee bekend is op vordering van wie, waartoe en door welk gerecht hij is veroordeeld, kortom, dat hij bekend is met de hoofdinhoud van het vonnis.
Tot slot begint de termijn te lopen na voltooiing van de tenuitvoerlegging (executie) van het vonnis.
4.3.
Talis stelt zich op het standpunt dat [bewindvoerder] q.q., en dus [opposant] , niet tijdig in verzet is gekomen. Het verstekvonnis is op 8 oktober 2024 betekend (door achterlating in een gesloten envelop) en de aanzegging van de ontruiming vond plaats op 30 oktober 2024. De termijn om in verzet te komen is volgens Talis dan ook verstreken op 5 november 2024. Daarnaast heeft de bewindvoerder onder andere op 5, 22 en 25 november 2024 e-mailberichten verstuurd aan Talis en de gerechtsdeurwaarder in het kader van de voorgenomen ontruiming vanwege het verstekvonnis. In deze e-mails refereert hij in de onderwerpregel, weliswaar met een typefout, aan het dossiernummer van de gerechtsdeurwaarder. [opposant] was derhalve bekend met het vonnis, nu hij zijn bewindvoerder daarover in kennis heeft gesteld. Het dossiernummer kan de bewindvoerder bovendien alleen maar weten als [opposant] hem het betekende vonnis heeft overhandigd, aldus Talis. Uit het e-mailverkeer volgen volgens Talis allemaal daden van bekendheid met de inhoud van het verstekvonnis, waardoor de verzettermijn in het meest gunstige geval in ieder geval is verstreken op 23 december 2024. Ook is [opposant] op 31 oktober 2024 zelf met het verstekvonnis naar zijn budgetbeheerder bij de gemeente Nijmegen gegaan. Dit heeft hij volgens Talis ook op de mondelinge behandeling van het kort geding op 7 juli 2025 erkend. Op 1 november 2024 heeft de gemeente het exploot van de gerechtsdeurwaarder en het verstekvonnis dat zij van [opposant] heeft ontvangen gescand en op 5 november 2024 heeft de gemeente Nijmegen rond 13.00 uur daarover telefonisch contact opgenomen met de heer [naam 2] van Talis, aldus Talis. [naam 2] heeft daarover op zitting verklaard dat de gemeente Nijmegen, meer specifiek [naam 3] , een week voor de geplande ontruiming in november 2024 contact met Talis heeft opgenomen. De gemeente vertelde toen aan [naam 2] dat [opposant] met het verstekvonnis bij haar langs was geweest en dat hij had gevraagd of de gemeente iets voor hem kon betekenen omdat hij zijn woning zou moeten ontruimen.
4.4.
Namens [opposant] is op de zitting betwist dat het verzet door [bewindvoerder] q.q. te laat is ingesteld. Het verstekvonnis van 8 oktober 2024 en de aanzegging van de ontruiming op 30 oktober 2024 zijn namelijk niet in persoon betekend. De betekening en aanzegging van de ontruiming op 13 juni 2025 was de eerste bekendheid met de inhoud van het verstekvonnis. Dat het om een ontruiming ging was wel bekend, maar tot 13 juni 2025 was het (de bewindvoerder) onduidelijk welk vonnis het precies betrof, aldus [opposant] .
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Vaststaat dat het verstekvonnis niet in persoon aan [opposant] is betekend. Evenmin is de tenuitvoerlegging van het vonnis voltooid. De vraag is daarom op welk moment [opposant] ondubbelzinnig een daad van bekendheid met de inhoud van het verstekvonnis heeft gepleegd.
4.6.
Door [opposant] is niet weersproken dat hij op 31 oktober 2024 met het verstekvonnis naar de gemeente Nijmegen is gegaan, haar om hulp heeft gevraagd vanwege de geplande ontruiming en dat de gemeente het verstekvonnis heeft gescand. Onweersproken is verder de stelling van Talis dat [opposant] tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 7 juli 2025 ook heeft erkend dat hij met het verstekvonnis naar de gemeente is gegaan. De kantonrechter is van oordeel dat uit het overhandigen van het verstekvonnis aan de gemeente – de gemeente heeft het vonnis immers gescand – en het vragen om hulp vanwege de ontruiming, voortvloeit dat [opposant] op dat moment bekend was met de hoofdinhoud van het verstekvonnis.
4.7.
Daarnaast is het onder omstandigheden mogelijk dat op grond van een daad van een vertegenwoordiger het vermoeden gerechtvaardigd is dat daaraan een voorafgaande daad van bekendheid van de veroordeelde zelf ten grondslag ligt, behoudens door de veroordeelde aan te voeren bijzondere omstandigheden. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Vaststaat dat de bewindvoerder voor het eerst op 5 november 2025 heeft gecorrespondeerd met de gerechtsdeurwaarder over de voorgenomen ontruiming, waarbij hij het dossiernummer van de gerechtsdeurwaarder in de onderwerpregel heeft vermeld (althans heeft willen vermelden en met een typefout heeft vermeld). Naar het oordeel van de kantonrechter rechtvaardigt deze mail, gelet op de inhoud en het onderwerp daarvan, het vermoeden dat daaraan een voorafgaande daad van bekendheid van [opposant] zelf ten grondslag ligt. Het verstekvonnis van 13 september 2024, de betekening daarvan op 8 oktober 2024 en de aanzegging van de ontruiming op 30 oktober 2024 zijn namelijk nog gericht aan [opposant] zelf en niet aan de bewindvoerder, die pas op 22 november 2024 is aangesteld. Derhalve gaat de kantonrechter ervan uit dat, zoals door Talis is gesteld en niet door [opposant] is weersproken, [opposant] de bewindvoerder in kennis heeft gesteld van het verstekvonnis. Dit rechtvaardigt het vermoeden dat daaraan een voorafgaande daad van bekendheid met de inhoud van het verstekvonnis van [opposant] zelf ten grondslag ligt.
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat [opposant] op 31 oktober 2024, en uiterlijk op 5 november 2024 bekend was met de inhoud van het verstekvonnis. Dit betekent dat de verzetdagvaarding in ieder geval binnen vier weken na 5 november 2024 moest worden uitgebracht, op uiterlijk 3 december 2024. De verzetdagvaarding is pas op 4 juli 2025 uitgebracht. Het verzet is daarom niet tijdig ingesteld. De kantonrechter verklaart [opposant] om die reden niet-ontvankelijk in het verzet. Dit leidt ertoe dat het verstekvonnis in stand blijft.
4.9.
[opposant] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Talis worden begroot op:
- salaris gemachtigde
238,00
(1 punt × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
357,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart [opposant] niet-ontvankelijk in het verzet tegen het vonnis van 13 september 2024 met zaaknummer 11303228 CV EXPL 24-2793,
5.2.
bekrachtigt het op 13 september 2024 onder zaaknummer 11303228 CV EXPL 24-2793 tussen partijen gewezen verstekvonnis,
5.3.
veroordeelt [opposant] in de proceskosten van € 357,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.
62956/560