In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Gelderland op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een verzetprocedure. De zaak betreft een huurovereenkomst tussen [opposant] en STICHTING TALIS, waarbij [opposant] zijn betalingsverplichtingen niet is nagekomen, wat leidde tot een huurachterstand van meer dan drie maanden. Op 13 september 2024 is er een verstekvonnis uitgesproken, waarbij de huurovereenkomst is ontbonden en [opposant] is veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Het verstekvonnis is op 8 oktober 2024 betekend, maar [opposant] heeft pas op 4 juli 2025 verzet ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het verzet niet tijdig is ingesteld, omdat de verzettermijn van vier weken is verstreken. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [opposant] op 31 oktober 2024 bekend was met de inhoud van het verstekvonnis, en dat de verzetdagvaarding pas op 4 juli 2025 is uitgebracht. Hierdoor is [opposant] niet-ontvankelijk verklaard in het verzet, en blijft het verstekvonnis in stand. Tevens is [opposant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten.