ECLI:NL:RBGEL:2026:1943

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
26_683 en 26_684
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:1 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:4 AwbArt. 72 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen overplaatsing Oekraïens gezin naar andere opvanglocatie

Eiseres, afkomstig uit Oekraïne, verbleef met haar gezin in een opvanglocatie en werd door het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard overgeplaatst naar een andere locatie. Zij maakte bezwaar tegen deze verhuizing vanwege medische omstandigheden van haar en haar partner en twijfels over de geschiktheid van de nieuwe opvang.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college bevoegd was tot overplaatsing en dat de nieuwe opvanglocatie voldeed aan de vereisten van een toereikend huisvestingsniveau, zoals bescherming tegen weersinvloeden, sanitaire voorzieningen en mogelijkheden tot maaltijdbereiding. Het college had ook rekening gehouden met de medische situatie van eiseres en haar partner, en de voorzieningenrechter vond geen aanleiding om nader medisch advies te eisen.

Daarnaast werd vastgesteld dat de nieuwe locatie ook geschikt was voor de kinderen, met positieve effecten op hun welzijn en integratie. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de overplaatsing naar een andere opvanglocatie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/683 (voorlopige voorziening) en 26/684 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. O.E. Usma),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard

(gemachtigden: R.T.F. Willems-Peters, D.W.M. Wilting en R.J.A. Broeren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college tot overplaatsing van verzoekster en haar gezin naar een andere opvanglocatie. Eiseres is het niet eens met de overplaatsing. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college heeft kunnen besluiten verzoekster over te plaatsen naar een andere opvanglocatie.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een toereikend huisvestingsniveau wordt gewaarborgd op de opvanglocatie aan de [locatie 1] . Het college heeft bij de beoordeling voldoende rekening gehouden met de medische situatie van eiseres en haar partner, maar heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om van de verhuizing af te zien. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.
1.2. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Procesverloop

2. Verzoekster is afkomstig uit Oekraïne
.Zij verblijft met haar gezin in de opvanglocatie aan de [locatie 2] in [plaats 1] , in kamers [nummer 1] en [nummer 2] .
2.1.
Op 21 oktober 2025 heeft het college verzoekster met een brief gevraagd uiterlijk 5 november 2025 te verhuizen naar de [locatie 1] in [plaats 1] . Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de verhuizing. In afwachting van het besluit op het bezwaarschrift heeft het college besloten dat zij voorlopig mag blijven op de opvanglocatie aan de [locatie 2] in [plaats 1] .
2.2.
Met het bestreden besluit van 29 januari 2026 op het bezwaar van eiseres heeft het college dit besluit gehandhaafd. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar partner, de gemachtigde van eiseres, [persoon A] als tolk en de gemachtigden van het college.
2.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wettelijk kader3. De relevante bepalingen in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (de Richtlijn [2] ) en de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) luiden als volgt.
Artikel 13, eerste lid, van de Richtlijn bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de begunstigden van tijdelijke bescherming een fatsoenlijk onderkomen krijgen of, in voorkomend geval, middelen te hunner beschikking krijgen om huisvesting te vinden.
In artikel 2, eerste lid, van de RooO is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders zorg draagt voor de opvang van ontheemden.
In artikel 5, van de RooO is bepaald dat
1. De opvangvoorziening voldoet aan een toereikend huisvestingsniveau, waaronder ten minste wordt begrepen de aanwezigheid van een adequate bescherming tegen weersinvloeden, van verwarming, sanitaire voorzieningen en zit- en slaapgelegenheid.
2. Indien mogelijk wordt voorzien in de gelegenheid tot het bereiden van maaltijden.
3. Van de in het eerste lid genoemde criteria kan worden afgeweken gedurende de eerste acute opvang.
Artikel 9 van Pro de RooO luidt als volgt
1. Het college van burgemeester en wethouders bepaalt in welke opvangvoorziening binnen de gemeente een ontheemde wordt geplaatst en is bevoegd een ontheemde naar een andere voorziening binnen de gemeente over te plaatsen.
2. Bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, zorgt het college van burgemeester en wethouders ervoor dat de eenheid van het gezin in de mate van het mogelijke en met instemming van de betrokken gezinsleden bewaard wordt.
Op grond van artikel 15, eerste lid, van de RooO houdt het college van burgemeester en wethouders bij uitvoering van deze regeling rekening met de specifieke situatie van kwetsbare ontheemden zoals minderjarigen, personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen, personen met ernstige ziekten en personen met mentale stoornissen.
Bevoegdheid van de voorzieningenrechter
4. Op grond van de Awb staat voor een belanghebbende de mogelijkheid open om tegen een besluit bezwaar te maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en om daarna beroep in te stellen bij de bestuursrechter. [3] Vreemdelingen kunnen daarnaast bezwaar maken tegen feitelijke handelingen. Een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig wordt op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 gelijkgesteld met een beschikking op grond van die wet. Tegen een op grond van de Vreemdelingenwet 2000 genomen beslissing op bezwaar staat vervolgens beroep open bij de vreemdelingenrechter.
4.1.
Als eerste moet de vraag worden beantwoord of in dit geval sprake is van een besluit als bedoeld in de Awb. Als dat het geval is, is de gewone voorzieningenrechter van rechtbank Gelderland bevoegd. Als er geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb, maar van een feitelijke handeling, is de vreemdelingenrechter bevoegd. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. [4] Niet in geschil is dat het college op grond van de RooO belast is met de opvang van ontheemden en dat het college ook bevoegd is om hen naar een andere opvanglocatie over te plaatsen. Een beslissing om een ontheemde over te plaatsen is dan ook een publiekrechtelijke rechtshandeling. Bij brief van 21 oktober 2025 heeft het college eiseres geïnformeerd dat zij en haar gezin moeten verhuizen. Hoewel de brief vrijblijvend is geformuleerd is sprake van een schriftelijk beslissing, zodat deze brief aan de vereisten van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb voldoet. Daarom is de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland bevoegd om op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening te beslissen.
Bevoegdheid van het college5. Niet in geschil is dat het college op grond van artikel 9, eerste lid, van de RooO bevoegd is tot het overplaatsen van eiseres en haar gezin naar een nieuwe opvanglocatie. De vraag is of het college in dit geval gebruik mocht maken van die bevoegdheid. Het college heeft een groot belang om de aanwezige opvangcapaciteit optimaal te benutten vanwege het aantal op te vangen ontheemden. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of het bij de toegewezen woonvoorziening gaat om een 'fatsoenlijk onderkomen' als bedoeld in artikel 13 van Pro de Richtlijn, en of daarin sprake is van een 'toereikend huisvestingsniveau' als bedoeld in artikel 5 van Pro de RooO. Verder is de vraag of het college voldoende rekening heeft gehouden met de medische kwetsbaarheid van eiseres en haar partner.
5.1.
Eiseres betoogt dat haar partner diabetes type II heeft en zijzelf heeft een hartaandoening. Tijdens de bezwaarfase heeft de adviescommissie het college opgedragen actief nadere informatie te vergaren over de medische situatie van haar en haar partner, teneinde een belangenafweging mogelijk te maken. Hierbij heeft de commissie uitdrukkelijk verzocht nader onderzoek te verrichten naar de medische omstandigheden. Dit onderzoek heeft volgens eiseres niet plaatsgevonden. Weliswaar is de beslissing nader gemotiveerd, maar dit is niet afdoende zolang het college niet beschikt over de relevante en actuele medische informatie. Het besluit is om die reden onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen, zo stelt eiseres.
Verder stelt zij dat onvoldoende is onderbouwd dat de opvanglocatie aan de [locatie 1] voldoet aan de vereisten die nodig zijn voor een geschikte opvang. Het is niet alleen nodig dat de insuline van haar partner koel kan worden opgeslagen, hij heeft bovendien een stabiele en gezonde leefomgeving nodig waarin hij zich zoveel mogelijk kan houden aan zijn dieet en de algemene adviezen. Eiseres zelf heeft een hartafwijking (mitralisklepprolaps). Daarmee bestaat een verhoogd risico op infecties en virussen. Dat alle opvanglocaties voldoen aan de daaraan gestelde eisen is niet onderbouwd.
5.2.
Het college heeft betoogd dat eiseres op de [locatie 1] een eigen koelkast op haar kamer heeft waarin de insuline bewaard kan worden. De keukens en het sanitair zijn gedeelde voorzieningen. Het sanitair en de gemeenschappelijke ruimten worden 3 keer per week schoongemaakt door een schoonmaakbedrijf. Op de huidige locatie aan de [locatie 2] is er eveneens sprake van gedeelde toiletten. Deze worden door de bewoners zelf schoongemaakt.
De hygiënische omstandigheden op alle opvanglocaties voldoen aan de daarvoor gestelde eisen. Bovendien worden er meer mensen opgevangen voor wie goede hygiëne belangrijk is. Daar wordt aan voldaan.
Op de zitting heeft het college verder toegelicht dat de opvang aan de [locatie 2] ook niet is aangepast aan de medische situatie van eiseres en haar partner. Op de locatie aan de [locatie 1] zijn voldoende keukens, zodat er ruimte is voor iedereen en er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de partner van eiseres zich door de gedeelde keukens niet aan zijn dieet zou kunnen houden. Bovendien is er 24 uurs toezicht aanwezig. Het college ziet in de gestelde medische problemen geen reden dat de geboden opvangvoorziening aan extra eisen zou moeten voldoen en stelt voorts dat de geboden opvang adequaat is voor eiseres en haar gezin.
5.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college afdoende heeft gemotiveerd dat de opvang aan de [locatie 1] kan worden aangemerkt als een 'fatsoenlijk onderkomen' als bedoeld in artikel 13 van Pro de Richtlijn, en dat daarin sprake is van een 'toereikend huisvestingsniveau' als bedoeld in artikel 5 van Pro de RooO. Dat de opvanglocatie aan de [locatie 1] als gevolg van de medische problematiek van eiseres en haar partner niet geschikt zou zijn is niet aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter volgt eiseres niet in haar stelling dat het college nader medisch advies dient in te winnen. Het is weliswaar aan het college om aannemelijk te maken dat de geboden opvangvoorziening aan de gestelde eisen voldoet, maar het is vervolgens aan eiseres om aannemelijk te maken dat het standpunt van het college door de specifieke medische situatie van eiseres en haar partner niet juist is. Het college heeft toegelicht waarom de opvanglocatie aan de gestelde eisen voldoet, terwijl eiseres alleen in zijn algemeenheid heeft gewezen op het vereiste van goede hygiëne en leefregels. Dit is niet voldoende om aannemelijk te maken dat de geboden opvangvoorziening niet deugdelijk is. Het betoog slaagt daarom niet.
5.4.
De voorzieningenrechter stelt verder vast dat het college heeft toegelicht dat de locatie aan de [locatie 1] ook voor de kinderen van eiseres geschikt is. Hierbij heeft het college het advies van de bij de kinderen betrokken jeugdconsulent betrokken. De jeugdconsulent concludeert dat de verhuizing mogelijk een positief effect op het welzijn van de kinderen kan hebben. Aan de [locatie 1] wonen veel meer leeftijdsgenoten van de kinderen. Er is inpandig een gymzaal waar ook bij kou en regen binnen gespeeld kan worden. De opvanglocatie grenst aan een groot plein en een buurtspeeltuin waardoor zij ook met andere (niet Oekraïense) buurtgenoten kunnen spelen. Dit bevordert de taal en integratie van het hele gezin en daarmee ook het algehele welzijn. De school van de kinderen, [naam school 1] ligt op 850 meter vanaf de locatie aan de [locatie 1] ; een voor Nederlandse begrippen gebruikelijke afstand. Er wonen meerdere kinderen op de locatie aan de [locatie 1] die eiseres al kent. De oudste zoon gaat naar de [naam school 2] in [plaats 2] . Er zijn meerdere kinderen die vanuit de [locatie 1] naar de [naam school 2] gaan, waardoor ze samen kunnen reizen.
Niet aannemelijk is gemaakt dat het advies van de jeugdconsulent niet juist is.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een toereikend huisvestingsniveau wordt gewaarborgd op de opvanglocatie aan de [locatie 1] . Het college heeft bij de beoordeling voldoende rekening gehouden met de belangen van de het gezin en met de medische situatie van eiseres en haar partner, maar heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om van de verhuizing af te zien. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraakte ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.2001/55 EG
3.Artikelen 8:1, 7:1, eerste lid, en 6:4, eerste lid, van de Awb.
4.Dit staat in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.