Veroordeelde is in Oostenrijk onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar wegens een reeks ernstige diefstallen. Deze straf is overgedragen aan Nederland voor tenuitvoerlegging. De erkenning van het vonnis door de Nederlandse minister heeft echter ruim 320 dagen geduurd, terwijl de wet een termijn van negentig dagen voorschrijft. Hierdoor werd veroordeelde pas drie weken voor de reguliere voorwaardelijke invrijheidstellingsdatum overgebracht, waardoor er onvoldoende tijd was voor noodzakelijke adviezen van DJI en reclassering.
Het openbaar ministerie stelde de beslissing over de voorwaardelijke invrijheidstelling uit met zestig dagen, wat door veroordeelde werd bestreden. De rechtbank oordeelt dat het OM geen redelijke belangenafweging heeft gemaakt, aangezien de aanzienlijke vertraging niet is betrokken in de besluitvorming en het uitstel onnodig is. Ook het argument dat de nog uit te zitten vervangende hechtenis een reden zou zijn om de VI uit te stellen, wordt verworpen.
De rechtbank wijst erop dat de vervangende hechtenis onvermijdelijk is en dat het uitstellen van de VI om die reden niet gerechtvaardigd is. De rechtbank gelast daarom de voorwaardelijke invrijheidstelling per 1 april 2026, zodat het OM alsnog de benodigde adviezen kan inwinnen en voorwaarden kan stellen. Tevens wordt opgemerkt dat de situatie een knelpunt in de praktijk blootlegt omtrent het nut van adviezen als veroordeelde nog een lange vervangende hechtenis moet uitzitten.