ECLI:NL:RBGEL:2026:1865

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
25/5916
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 AwbArt. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbJeugdwetAlgemene verordening gegevensbescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroeg ingesteld beroep op niet-tijdig beslissen

Eiser heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem verzocht om contactherstel met zijn meerderjarige dochter te bevorderen en te waarborgen dat documenten hierover niet zonder zijn toestemming worden vernietigd of gearchiveerd. Dit betrof een aanvraag op grond van de Jeugdwet en een verzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).

De rechtbank overweegt dat noch de Jeugdwet, noch de AVG een wettelijke beslistermijn voor dergelijke aanvragen en verzoeken bevat. Daarom is artikel 4:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing, dat een redelijke beslistermijn voorschrijft, in ieder geval acht weken. Het college had uiterlijk op 9 december 2025 moeten beslissen.

Eiser stelde het college echter al op 20 november 2025 in gebreke, terwijl de beslistermijn nog niet was verstreken. Vervolgens stelde hij op 4 december 2025 beroep in, nog vóór het verstrijken van de termijn en zonder de vereiste twee weken na ingebrekestelling af te wachten. Hierdoor is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank gaat niet in op de vraag of sprake is van een aanvraag in de zin van de Awb of of het college bevoegd was te beslissen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroeg ingediend beroep en ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/5916

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats], eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoeken, zoals neergelegd in de e-mail van 14 oktober 2025.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
Is het beroep ontvankelijk?
3. Allereerst moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of het beroep ontvankelijk is.
3.1.
Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen.
3.2.
Eiser heeft in zijn e-mail van 14 oktober 2025, kort gezegd, twee verzoeken aan het college gericht. Eiser wil dat het college het contactherstel tussen eiser en zijn meerderjarige dochter bevordert.
Ook wil hij dat het college waarborgt dat geen enkel document [3] dat ziet op dit contactherstel en betrekking heeft op eiser en zijn meerderjarige dochter door het college [4] wordt vernietigd of gearchiveerd zonder zijn toestemming of gerechtelijk bevel.
3.3.
De rechtbank begrijpt hieruit dat eiser een aanvraag tot jeugdhulpverlening op grond van de Jeugdwet (Jw) (de aanvraag) én een verzoek op grond van de Algemene verordening gegevensverwerking (AVG) (het verzoek) aan het college heeft gericht.
3.3.1.
Nu de dochter in kwestie meerderjarig is, is het de vraag of eiser nog een aanvraag op grond van de Jw kan doen. Deze vraag kan de rechtbank in deze uitspraak niet beantwoorden. Voor deze procedure is wel van belang dat in de Jw geen wettelijk voorschrift is opgenomen waaruit volgt binnen welke termijn op een aanvraag moet zijn beslist.
3.3.2.
Voor wat betreft het verzoek in het kader van de AVG overweegt de rechtbank dat de AVG evenmin een wettelijk voorschrift bevat waarin een beslistermijn voor dergelijke verzoeken is neergelegd. [5]
3.3.3.
Dat betekent dat, voor zover het college al had moeten besluiten op de aanvraag en het verzoek van eiser, het college op de voet van artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat binnen een redelijke termijn had moeten doen. Uit artikel 4:13, tweede lid, van de Awb volgt dat de redelijke termijn als bedoeld in het eerste lid in ieder geval is verstreken wanneer het college niet binnen acht weken op een aanvraag heeft beslist.
3.4.
Omdat eiser de e-mail met daarin de aanvraag en het verzoek op 14 oktober 2025 aan het college heeft gestuurd en het college de e-mail ook die dag heeft ontvangen, had het college uiterlijk op 9 december 2025 moeten beslissen.
3.4.1.
Er van uitgaande dat sprake is van een aanvraag en een verzoek waarop het college met een besluit had moeten beslissen, kon eiser het college voor het eerst op
10 december 2025 in gebreke stellen.
3.4.2.
Eiser heeft het college echter al op 20 november 2025 per e-mail in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn voor het college nog niet verstreken. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
3.4.3.
Vervolgens had eiser na het verstrijken van de beslistermijn op 10 december 2025 eerst nog een termijn van twee weken aan het college moeten gunnen waarbinnen het college alsnog op de aanvraag en het verzoek had kunnen beslissen voordat beroep wegens het niet tijdig beslissen (op 24 december 2025) kon worden ingesteld. [6]
3.4.4.
Door al op 4 december 2025 beroep in te stellen heeft eiser ook te vroeg beroep ingesteld. Ook om die reden is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet (inhoudelijk) kan beoordelen.
4.1.1. De rechtbank neemt dan ook geen beslissing over de vraag of sprake was van een aanvraag in de zin van de Awb, of het Buurtplein Doetinchem hierop namens het college mocht beslissen en of dat wellicht ook al is gebeurd met de brief die op 13 november 2025 aan eiser is gestuurd. Dat valt allemaal buiten de beoordeling van dit geschil.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. K.V. van Weert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Dan wel dossier of digitaal bestand.
4.Dan wel instanties die onder de verantwoordelijkheid van het college vallen, zoals Buurtzorg Jong en Buurtplein Doetinchem.
5.De AVG kent geen wettelijke bewaartermijnen. De Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 kennen dergelijke termijnen wel.
6.Zie artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.