ECLI:NL:RBGEL:2026:1862

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
C/05/456088 / HZ ZA 25-243
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:2 BWArt. 5:4 BWArt. 5:5 BWArt. 5:7 ErfgoedwetArt. 5:10 Erfgoedwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eigendomsvraag archeologische vuurstenen bij opgraving volgens Erfgoedwet

Tussen 2018 en 2021 vond op de Uddelerhei een munitieruiming plaats onder archeologische begeleiding waarbij vuurstenen artefacten werden aangetroffen. Eiser vond in 2020 circa 700 vuurstenen en nam deze mee, waarna hij ze meldde bij de gemeente Apeldoorn. De gemeente stelde dat de vuurstenen al in 2018 bij een archeologische opgraving waren gevonden en dat de provincie Gelderland eigenaar was volgens de Erfgoedwet.

Eiser vorderde teruggave van de vuurstenen en schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de gemeente. De rechtbank beoordeelde of sprake was van een archeologische toevalsvondst of een vondst bij opgraving. De rechtbank concludeerde dat de vuurstenen in 2018 bij een archeologische opgraving waren blootgelegd, waardoor artikel 5.7 Erfgoedwet van toepassing is en de provincie Gelderland eigenaar is.

De rechtbank verwierp het standpunt van eiser dat hij eigenaar was op grond van het Burgerlijk Wetboek. Ook oordeelde de rechtbank dat de gemeente niet onrechtmatig had gehandeld door de vuurstenen niet terug te geven en deze over te dragen aan de provincie. De vorderingen van eiser werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de provincie Gelderland eigenaar is van de vuurstenen en wijst de vorderingen van eiser af.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/456088 / HZ ZA 25-243
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.A. Amende,
tegen
GEMEENTE APELDOORN,
te Apeldoorn,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Gemeente Apeldoorn,
advocaat: mr. J.J. Jacobse.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 oktober 2025,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen 2018 en 2021 heeft op de Udellerhei in de Gemeente Apeldoorn een munitieruiming onder archeologische begeleiding plaatsgevonden. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in de variant Opgraven Landbodems – variant Archeologische begeleiding. Voorafgaand aan de werkzaamheden is het onderzoek aangemeld bij het landelijk registratiesysteem Archis van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De werkzaamheden bestonden, onder meer, uit het afplaggen van de grond.
2.2.
In het dagrapport van de werkzaamheden van 10 oktober 2018 (productie 2 bij conclusie van antwoord) is, voor zover relevant, het volgende opgenomen

3. Technische /wetenschappelijke ontwikkelingen
Tijdens de inspectie zijn twee vondstnummers uitgedeeld in vak L52-2. Hierbij gaat het om vuurstenen afslagen. De vondsten zijn met de GPS ingemeten. De vakken zijn ingemeten met de GPS, gefotografeerd met een spiegelreflexcamera en gedetecteerd door middel van de metaaldetector.”
2.3.
Op 27 augustus 2020 heeft [eiser] circa 700 stuks vuurstenen (afslagen) gevonden op de Uddelerhei. [eiser] heeft de vuurstenen gefotografeerd, er een notitie van gemaakt en de vuurstenen vervolgens geraapt en meegenomen. [eiser] heeft direct daarna zijn vondst gemeld bij Gemeente Apeldoorn.
2.4.
Op 16 maart 2021 heeft [eiser] de vuurstenen afgegeven aan Gemeente Apeldoorn voor wetenschappelijk onderzoek.
2.5.
Op 12 oktober 2021 heeft Gemeente Apeldoorn per e-mailbericht (productie 1 bij dagvaarding) over de eigendomskwestie van de vuurstenen, voor zover relevant, het volgende geschreven aan [eiser] :

Telefonisch gaf je afgelopen donderdag aan dat je vooral benieuwd bent naar de onderbouwing van de juridische eigendomssituatie. Deze zal ik hieronder nader toelichten.
Ten eerste is geen sprake van een ‘vondst’. De verzamelde objecten zijn geraapt op een geregistreerde archeologische vindplaats tijdens een lopend archeologisch onderzoek. Daarmee heb je de vindplaats niet ‘gevonden’, maar geschonden. Dit is een overtreding van artikel 5.1 van de Erfgoedwet. Het verzamelen van de vondsten heeft geleid tot beschadiging van de vindplaats en tot informatieverlies over de vindplaats.
De eigendomssituatie wordt verder beschreven in artikel 3 van Pro Burgerlijk wetboek 5. Voor zover de wet niet anders bepaalt, is de eigenaar van een zaak eigenaar van al haar bestanddelen. Op basis daarvan is de terreineigenaar ook eigendom van de verzamelde objecten. Dit verandert pas als de eigenaar zich van zijn eigendom ontdoet. Of als de vindplaats archeologisch wordt onderzocht. Dat laatste is echter alleen voorbehouden aan daartoe gecertificeerde organisaties. Ook daarin ben je in overtreding met artikel 5.1 van de Erfgoedwet.
(…)
In het kort komt het erop neer dat je iets meegenomen hebt wat niet van jou is, op een locatie die verboden toegang was, waarmee je een archeologische vindplaats hebt beschadigd. Aangezien de terreineigenaar rechtmatig eigenaar van de verzamelde objecten is, en jij de objecten vrijwillig hebt afgestaan, kan ik niet tegemoet komen aan jouw eis om het materiaal aan jou retour te zenden.”
2.6.
Op 27 oktober 2021 heeft [eiser] hierop per e-mailbericht (productie 2 bij dagvaarding) geantwoord. Hierin weerspreekt [eiser] de uitlatingen van Gemeente Apeldoorn, stelt hij zich op het standpunt dat hij als vinder eigenaar is geworden van de vuurstenen en eist hij teruggave van de vuurstenen.
2.7.
Op 7 december 2021 heeft Gemeente Apeldoorn bij brief (productie 3 bij dagvaarding) geantwoord en aangeven de vuurstenen niet terug te zullen geven. Zij schrijft hierover, voor zover relevant, het volgende:

Op basis van het advies van de Inspectie[de rechtbank: de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed]
concluderen wij dat de artefacten eigendom zijn van de provincie Gelderland, aangezien deze zijn aangetroffen tijdens een archeologisch onderzoek. Deze conclusie wordt onderschreven door onze juridische afdeling. De artefacten zullen worden gedeponeerd bij het PDB[de rechtbank: het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten van de provincie Gelderland],
zoals eerder met u is afgestemd. De provincie is hiervan op de hoogte gebracht en heeft daarbij aangegeven graag mee te willen werken aan het exposeren van het materiaal.”
2.8.
Op 14 maart 2022 heeft de provincie Gelderland zich bij e-mailbericht (productie 5 bij conclusie van antwoord) aan Gemeente Apeldoorn op het standpunt gesteld eigenaar te zijn van de vuurstenen en verzocht om overdracht van de vuurstenen. Gemeente Apeldoorn heeft de vuurstenen op 15 maart 2022 overhandigd aan de provincie Gelderland, die deze in het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten heeft gedeponeerd.
2.9.
[eiser] heeft vervolgens aangifte gedaan van verduistering van de vuurstenen en een klacht ingediend bij de gemeentelijke ombudsman. [eiser] heeft verder bezwaar gemaakt tegen de brief van Gemeente Apeldoorn van 7 december 2021, welk bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. [eiser] is hiertegen in beroep gegaan bij de Rechtbank Gelderland, die het beroep bij uitspraak van 15 december 2022 ongegrond heeft verklaard. [eiser] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het hoger beroep bij uitspraak van 2 oktober 2024 ongegrond heeft verklaard.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Gemeente Apeldoorn te veroordelen om alles in het werk te stellen om de voor wetenschappelijk onderzoek tijdelijk aan Gemeente Apeldoorn afgestane archeologische vondst, zijnde de vuurstenen artefacten door [eiser] gevonden op 27 augustus 2020 te Uddelerhei, aan [eiser] terug te geven. Dit omvat de verplichting voor Gemeente Apeldoorn om de betreffende vondst onverwijld aan [eiser] af te (doen) geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van €500,- per dag voor elke dag of gedeelte daarvan dat Gemeente Apeldoorn in gebreke blijft na betekening van het te dezen te wijzen vonnis,
II. te verklaren voor recht dat Gemeente Apeldoorn jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door: (a) [eiser] met inzet van aantoonbaar onjuiste verklaringen ertoe te bewegen zijn eigendomsrecht op te geven, dan wel deze te betwijfelen, (b) onbevoegd een bindende uitspraak te pretenderen over de eigendom van de vondst, (c) de vondst na afloop van de onderzoeksperiode niet terug te geven aan [eiser] als vinder, en (d) de vondst zonder rechtsgrond over te dragen aan de provincie Gelderland; en dat Gemeente Apeldoorn aansprakelijk is voor alle schade die [eiser] als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden en nog zal lijden,
III. Gemeente Apeldoorn te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 13.194,09 ter vergoeding van de door [eiser] geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over elk van de deelbedragen waaruit dit schadebedrag is opgebouwd, te rekenen vanaf de datum waarop elk deelbedrag door [eiser] is voldaan of verschuldigd is geworden, althans vanaf de datum van dagvaarding over het gehele bedrag, alles tot aan de dag der algehele voldoening,
IV. Gemeente Apeldoorn te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de kosten van de dagvaarding en eventueel nakomende kosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en – indien betaling uitblijft – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
3.2.
Gemeente Apeldoorn voert verweer. Gemeente Apeldoorn concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig voor de beoordeling, ingegaan.

4.De beoordeling

De kern van de zaak
4.1.
De kern van het geschil betreft de vraag wie eigenaar is van de circa 700 stuks vuurstenen (afslagen) die [eiser] heeft aangetroffen en geraapt op de Uddelerhei. [eiser] stelt dat hij de eigenaar van de vuurstenen is, omdat sprake is van een archeologische toevalsvondst. Volgens [eiser] lagen de vuurstenen bloot aan de oppervlakte en wees niets erop dat zij aan een ander toebehoorden, zodat hij de eigendom van de vuurstenen heeft verkregen op de voet van artikel 5:4 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor zover hij geen eigenaar is geworden op grond van artikel 5:4 BW Pro, stelt [eiser] (subsidiair) dat hij de eigendom van de vuurstenen op grond van artikel 5:5 BW Pro heeft verkregen. [eiser] vordert in de onderhavige procedure daarom, kort gezegd, teruggave van de vuurstenen, alsmede een schadevergoeding voor verschillende kosten die hij heeft moeten maken voor (gerechtelijke) procedures die hij voorafgaand aan deze procedure heeft doorlopen in een poging de vuurstenen terug te krijgen van Gemeente Apeldoorn.
4.2.
Gemeente Apeldoorn betwist dat [eiser] eigenaar is geworden van de vuurstenen. Volgens Gemeente Apeldoorn zijn de vuurstenen reeds in 2018 gevonden bij een munitieruiming onder archeologische begeleiding, waarna de stenen op de vondslocatie (‘in situ’) zijn bewaard in afwachting van nadere besluitvorming over de bestemming van de vuurstenen. Gemeente Apeldoorn stelt zich daarom op het standpunt dat sprake is van een archeologische vondst bij opgraving, waardoor de provincie Gelderland eigenaar is geworden van de vuurstenen op grond van artikel 5.7 Erfgoedwet.
Vooraf
4.3.
De vordering onder I. van [eiser] strekt tot teruggave van de vuurstenen door Gemeente Apeldoorn. De grondslag voor een dergelijke revindicatievordering is artikel 5:2 BW Pro. Voor toewijzing van deze vordering dienst vast te staan dat [eiser] eigenaar is van de vuurstenen en dat Gemeente Apeldoorn de vuurstenen zonder recht houdt. Vast staat echter dat op dit moment niet Gemeente Apeldoorn, maar de provincie Gelderland de vuurstenen houdt. Reeds om deze reden zal deze vordering afgewezen worden, zodat in het kader van deze vordering de rechtbank zich niet hoeft te buigen over de vraag of [eiser] eigenaar van de vuurstenen is. [eiser] vordert echter voorts een verklaring voor recht dat Gemeente Apeldoorn jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en dat Gemeente Apeldoorn wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. Aan deze vorderingen legt [eiser] onder meer ten grondslag dat Gemeente Apeldoorn onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij eigenaar van de vuurstenen is, maar Gemeente Apeldoorn heeft geweigerd de vuurstenen aan hem terug te geven. De rechtbank zal zich daarom hierna alsnog buigen over de vraag of [eiser] eigenaar van de vuurstenen is geworden.
De wetssystematiek
4.4.
Alvorens over te gaan op de beoordeling van de vraag of [eiser] eigenaar is (geworden) van de vuurstenen, zal eerst ingegaan worden op de systematiek van de verschillende vormen van eigendomsverkrijging van roerende zaken in het Burgerlijk Wetboek en de verhouding daarvan tot de eigendomsverkrijging zoals die geregeld is in de Erfgoedwet.
4.5.
Het Burgerlijk Wetboek kent in boek 5, titel 2 verschillende regelingen voor eigendomsverkrijging van roerende zaken. Voor zover relevant in de onderhavige procedure zijn dat:
het in bezit nemen van een aan niemand toebehorende roerende zaak (artikel 5:4 BW Pro). De inbezitnemer wordt dan de eigenaar;
het vinden en onder zich nemen van een onbeheerde zaak (artikel 5:5-5:12 BW). De vinder wordt dan eigenaar van de zaak één jaar nadat aan de (aangifte- of meldings)vereisten van artikel 5:5 lid 1 BW Pro is voldaan;
schatvinding (artikel 5:13 BW Pro). De vinder wordt dan, samen met de eigenaar van de roerende of onroerende zaak waar de schat is gevonden, mede-eigenaar van de schat.
4.6.
Het kenmerkende verschil tussen de regelingen uit artikel 5:4 BW Pro en artikel 5:5-5:12 BW, is dat bij artikel 5:4 BW Pro sprake is van een zogenaamde res nullius: een aan niemand toebehorende zaak. Hiervan kan sprake zijn omdat de zaak nooit eerder een eigenaar heeft gehad of omdat de vorige eigenaar het bezit van de zaak heeft prijsgegeven met het oogmerk zich van de eigendom te ontdoen (artikel 5:18 BW Pro). Bij de regeling van artikel 5:5-5:12 BW behoort de zaak wel aan iemand toe, maar is die onbeheerd wanneer deze gevonden wordt. Deze regelingen dienen onderscheiden te worden van schatvinding (artikel 5:13 BW Pro). Van schatvinding is sprake wanneer de gevonden zaak een schat is: een zaak van waarde die zolang verborgen is geweest dat daardoor de oorspronkelijke eigenaar niet meer op te sporen is (artikel 5:13 lid 2 BW Pro).
4.7.
Daarnaast kent de Erfgoedwet een specifieke regeling van eigendomsverkrijging voor archeologische vondsten. Deze regeling gaat, als lex specialis, voor op de regelingen uit het Burgerlijk Wetboek. In artikel 5.7 aanhef en sub a Erfgoedwet is bepaald dat een archeologische vondst die is aangetroffen bij een opgraving en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, eigendom wordt van de provincie waar de vondst is aangetroffen. [1] De Erfgoedwet kent daarnaast in artikel 5.10 de figuur van de archeologische toevalsvondst. Dat is een archeologische vondst anders dan bij het verrichten van opgravingen, welke vondst volgens datzelfde artikel zo spoedig mogelijk moet worden gemeld bij de minister. Voor de archeologische toevalsvondst kent de Erfgoedwet geen eigen regeling van eigendomsverkrijging, zodat in een dergelijk geval teruggevallen moet worden op de regelingen uit het Burgerlijk Wetboek. De wetgever heeft hierover in de memorie van toelichting bij de Erfgoedwet aangegeven dat voor de gevolgen voor de eigendom bij een archeologische toevalsvondst de regels van schatvinding uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn. [2] De archeologische vondst bij opgraving en de archeologische toevalsvondst sluiten elkaar (per definitie) uit. Immers, in het eerste geval wordt de archeologische vondst aangetroffen bij opgraving, terwijl in het tweede geval de archeologische vondst wordt aangetroffen anders dan bij opgraving.
Het toepasselijke beoordelingskader in de onderhavige situatie
4.8.
Partijen zijn het erover eens dat de vuurstenen een archeologische vondst zijn. De vraag die partijen naar de kern verdeeld houdt, is of sprake is van een toevalsvondst – zoals [eiser] betoogt – of van een vondst die is aangetroffen bij een opgraving – zoals Gemeente Apeldoorn betoogt. In het eerste geval dient de eigendomsvraag, gelet op het voorgaande, beantwoord te worden aan de hand van de regeling van schatvinding (artikel 5:13 BW Pro) en in het tweede geval aan de hand van artikel 5.7 Erfgoedwet. [eiser] wordt dus niet gevolgd in zijn betoog dat de eigendomsvraag in het geval van een toevalsvondst beantwoord moet worden aan de hand van de regelingen uit artikel 5:4 BW Pro of artikel 5:5 BW Pro. Uit de memorie van toelichting bij de Erfgoedwet volgt namelijk dat bij een toevalsvondst de regeling van schatvinding uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Overigens is de rechtbank bovendien van oordeel dat de vuurstenen zijn aan te merken als schat, nu het prehistorische artefacten betreffen waarvan de oorspronkelijk eigenaar niet meer op te sporen is omdat de vuurstenen zeer lang verborgen zijn geweest (artikel 5:13 lid 2 BW Pro).
4.9.
Aangezien de archeologische toevalsvondst en de archeologische vondst bij opgraving elkaar uitsluiten, dient beoordeeld te worden of de vuurstenen eerst in 2020 door [eiser] bij een archeologische toevalsvondst zijn ontdekt – in welk geval [eiser] samen met de grondeigenaar mede-eigenaar is van de vuurstenen (artikel 5:13 BW Pro) – of dat de vuurstenen reeds in 2018 bij een opgraving zijn ontdekt – in welk geval als uitgangspunt de provincie Gelderland eigenaar is van de vuurstenen (artikel 5.7 aanhef en sub a Erfgoedwet).
De vuurstenen zijn aangetroffen bij een opgraving
4.10.
Een opgraving, als bedoeld in artikel 5.7 Erfgoedwet, is een handeling met betrekking tot het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem of verstoring, of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt (artikel 5.1 Erfgoedwet). Onder deze handelingen vallen onder meer het bloot leggen en uit de grond halen van archeologische vondsten. [3]
4.11.
Vast staat dat in het gebied waar [eiser] de vuurstenen heeft aangetroffen tussen 2018 en 2021 een munitieruiming onder archeologische begeleiding heeft plaatsgevonden, waarbij de grond werd afgeplagd en dus werd verstoord. Volgens Gemeente Apeldoorn zijn hierbij door de begeleidende archeoloog de betreffende vuurstenen aangetroffen, waarna is besloten deze op de vindlocatie te bewaren. Dat bij het afplaggen vuurstenen zijn aangetroffen, wordt bevestigd in het door Gemeente Apeldoorn overgelegde dagrapport van 10 oktober 2018, waarin melding wordt gemaakt van aangetroffen vuurstenen (zie r.o. 2.2.). Door Gemeente Apeldoorn is bovendien onweersproken aangevoerd dat de vindplaats van de vuurstenen is ingemeten met GPS en dat de door [eiser] aangetroffen vuurstenen zijn aangetroffen op de geregistreerde vindplaats. Ook volgens de eigen stellingen van [eiser] lagen de door hem aangetroffen vuurstenen bloot aan de oppervlakte op afgeplagde grond. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de betreffende vuurstenen reeds bloot zijn gelegd en zijn aangetroffen bij het afplaggen van de grond.
4.12.
[eiser] wordt niet gevolgd in zijn betoog dat het afplaggen van de grond in het kader de munitieruiming onder archeologische begeleiding niet gezien kan worden als opgraving in de zin van de Erfgoedwet. Volgens [eiser] had het afplaggen van de grond primair munitieruiming als doel. Gemeente Apeldoorn heeft echter tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het afplaggen zowel explosievenonderzoek als archeologisch onderzoek als doel had, welke doelen gecombineerd waren omdat het te risicovol was het archeologisch onderzoek voorafgaand aan de munitieruiming plaats te laten vinden. Daarom is volgens Gemeente Apeldoorn in een multidisciplinair team, met onder meer archeologen en ecologen, besloten tot afplagwerkzaamheden onder zowel explosieven- als archeologische condities. Dit is niet gemotiveerd weersproken door [eiser] . Bovendien staat vast dat voorafgaand aan de start van de afplagwerkzaamheden een melding is gemaakt van archeologisch onderzoek voor, onder meer, de Uddelerhei in de betreffende periode bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Een en ander leidt tot het oordeel dat de afplagwerkzaamheden mede zagen op het opsporen en/of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 5.7 Erfgoedwet. Dat, zoals [eiser] stelt, de archeologische vondsten vervolgens niet op de juiste wijze zijn gedocumenteerd – hetgeen Gemeente Apeldoorn overigens betwist – doet hieraan niet af.
4.13.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de vuurstenen reeds in 2018 zijn aangetroffen bij een archeologische opgraving, waarop de eigendomsregeling uit artikel 5.7 Erfgoedwet van toepassing is. Zodoende was geen sprake van een toevalsvondst door [eiser] op 27 augustus 2020. [eiser] is daarmee niet de eigenaar geworden van de vuurstenen. Tegen deze achtergrond, oordeelt de rechtbank over de overige vorderingen van [eiser] als volgt.
Gemeente Apeldoorn heeft niet onrechtmatig gehandeld
4.14.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat Gemeente Apeldoorn onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat Gemeente Apeldoorn wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 13.194,09 voor de schade die hij als direct en indirect gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden. [eiser] maakt Gemeente Apeldoorn in dat kader de volgende verwijten:
I. Gemeente Apeldoorn heeft [eiser] met inzet van aantoonbaar onjuiste verklaringen ertoe bewogen zijn eigendomsrechten op te geven, dan wel deze te betwijfelen;
II. Gemeente Apeldoorn heeft onbevoegd gepretendeerd een bindende uitspraak te doen over de eigendom van de vondst;
III. Gemeente Apeldoorn heeft na afloop van de onderzoeksperiode de vondst niet teruggegeven aan [eiser] als vinder; en
IV. Gemeente Apeldoorn heeft de vondst zonder rechtsgrond overgedragen aan de provincie Gelderland.
4.15.
Van onrechtmatig handelen door Gemeente Apeldoorn jegens [eiser] is sprake wanneer het handelen (of nalaten) van Gemeente Apeldoorn in strijd is met de wet, het recht of hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 lid 2 BW Pro). Met het oordeel in r.o. 4.13. staat vast dat Gemeente Apeldoorn met het oog op artikel 5.7 Erfgoedwet op goede gronden de afgifte van de vuurstenen aan [eiser] mocht weigeren en deze mocht overdragen aan de provincie Gelderland. Hiermee heeft zij niet gehandeld in strijd met de wet, het recht of hetgeen in het maatschappelijke verkeer betaamt. Van onrechtmatig handelen door Gemeente Apeldoorn op grond van de door [eiser] onder III en IV gemaakte verwijten is derhalve geen sprake.
4.16.
Voor wat betreft de verwijten onder I en II geldt dat Gemeente Apeldoorn in de door [eiser] overgelegde correspondentie (zie r.o. 2.5. en 2.7.) een standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de eigendom van de vuurstenen, hetgeen niet in strijd is met de wet, het recht of hetgeen in het maatschappelijk betaamt. Uit de correspondentie volgt bovendien niet dat Gemeente Apeldoorn heeft gepretendeerd een bindende uitspraak te kunnen doen over de eigendom van de vuurstenen. Van onrechtmatig handelen door Gemeente Apeldoorn op grond van de door [eiser] onder I en II gemaakte verwijten is daarom evenmin sprake. Dit leidt ertoe dat ook de overige vorderingen van [eiser] afgewezen zullen worden.
Proceskosten
4.17.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente Apeldoorn worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.209,00
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.C.G. Metz en in het openbaar uitgesproken door
mr. F.M.C. Boesberg op 11 maart 2026.

Voetnoten

1.Of van de gemeente waar de vondst is aangetroffen, indien die gemeente beschikt over een aangewezen depot; of van de Staat, indien de vondst is aangetroffen buiten het grondgebied van enige gemeente (artikel 5.7 aanhef en onder b, respectievelijk c). Gesteld noch gebleken is dat een van deze situaties zich voordoet in deze zaak.