Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1794

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
12015345
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:61 lid 2 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst en schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid bij inschakeling payrollbedrijf

Payroll HRM Office B.V. vordert betaling van openstaande facturen, handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten van AFFG B.V. vanwege niet-tijdige betaling van salaris- en personeelsadministratiediensten.

AFFG betwist het bestaan van een overeenkomst met Payroll en stelt dat de boekhoudster als tussenpersoon handelde zonder volmacht. Payroll stelt dat er een rechtsgeldige overeenkomst is, gebaseerd op de erkenning van werkzaamheden en betalingen door AFFG, en dat er sprake is van toereikende volmacht of schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid.

De kantonrechter oordeelt dat Payroll gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de boekhoudster, gelet op de erkenning van werkzaamheden, directe facturering en betaling door AFFG. AFFG is daarom gebonden aan de overeenkomst en moet de hoofdsom, handelsrente en incassokosten betalen. Tevens wordt AFFG veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: AFFG is gebonden aan de overeenkomst met Payroll en veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, handelsrente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 12015345 \ CV EXPL 25-3514
Vonnis van 27 februari 2026
in de zaak van
PAYROLL HRM OFFICE B.V.,
te Sint-Oedenrode,
eisende partij,
hierna te noemen: Payroll,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
AFFG B.V.,
te Ewijk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: AFFG,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
Payroll vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van AFFG tot betaling van € 250,31 (€ 172,64 aan hoofdsom, € 37,67 aan reeds verschenen handelsrente berekend tot 4 december 2025 en € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de nog lopende handelsrente over de hoofdsom en de veroordeling van AFFG in de proceskosten.
2.2.
Payroll legt aan haar vordering ten grondslag dat AFFG opdracht aan haar heeft verstrekt om de salaris- en personeelsadministratie uit te voeren. AFFG heeft echter nagelaten om de in rekening gebrachte bedragen van in totaal € 172,64 over de periode
1 januari 2023 tot en met 31 december 2024 (tijdig) te voldoen. Omdat AFFG niet op tijd heeft betaald, vordert Payroll op grond van artikel 6:119a BW ook de wettelijke handelsrente. Daarnaast was zij genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke kosten te maken. Deze kosten komen op grond van artikel 6:96 BW Pro voor rekening van AFFG.
2.3.
AFFG voert verweer.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
AFFG betwist de vordering van Payroll. Zij voert daarover aan dat zij nooit een overeenkomst met Payroll is aangegaan, heeft ondertekend of mondelinge instemming heeft verleend. Haar boekhoudster, [boekhoudster] , zou een payrollbedrijf voor AFFG regelen. Payroll is dus ingeschakeld door [boekhoudster] , die als tussenpersoon fungeerde. AFFG heeft nooit direct contact gehad met Payroll. Al het contact liep namelijk via [boekhoudster] . AFFG erkent dat Payroll werkzaamheden voor haar heeft verricht tot en met 2024. AFFG was echter niet tevreden over de werkzaamheden van Payroll. Om die reden heeft AFFG aan [boekhoudster] meegedeeld dat [boekhoudster] het contract met Payroll op moest zeggen. Ondanks het verzoek aan [boekhoudster] om de overeenkomst met Payroll op te zeggen, bleef AFFG facturen ontvangen. AFFG weet ook niet of [boekhoudster] bevoegd was om namens AFFG het beweerde contract te sluiten. Concluderend stelt AFFG zich op het standpunt dat er geen overeenkomst tussen haar en Payroll bestaat en dat Payroll zich moet wenden tot [boekhoudster] . [boekhoudster] heeft AFFG namelijk bij Payroll aangemeld en om die reden is zij ook verantwoordelijk voor een correcte afmelding.
3.2.
Payroll heeft daarop gesteld dat zij AFFG niet kan volgen in haar standpunt dat AFFG geen contract met haar heeft gesloten. AFFG erkent namelijk wel dat [boekhoudster] Payroll heeft benaderd om werkzaamheden voor AFFG te verrichten. Deze werkzaamheden zijn ook door Payroll verricht en AFFG erkent dat ook door te zeggen dat zij ontevreden was over de uitvoering van de werkzaamheden. Hieruit volgt dan ook nadrukkelijk dat er rechtsgeldig een overeenkomst is gesloten, aldus Payroll. Payroll stelt zich concluderend primair op het standpunt dat sprake is van een toereikende volmacht, wat onder meer afgeleid kan worden uit de door AFFG rechtstreeks aan Payroll verrichte betalingen. Subsidiair mocht Payroll er gerechtvaardigd op vertrouwen dat sprake is van een toereikende volmacht, omdat Payroll in het verleden veelvuldig werkzaamheden voor AFFG heeft verricht en AFFG telkens heeft betaald voor deze werkzaamheden. Daarbij merkt Payroll nog op dat AFFG aan [boekhoudster] heeft verzocht om het contract met Payroll op te zeggen. Hieruit blijkt wederom dat AFFG erkent dat er een rechtsgeldige overeenkomst is gesloten tussen Payroll en AFFG en dat [boekhoudster] bevoegd was om deze handelingen te verrichten. Dat [boekhoudster] heeft nagelaten om de overeenkomst namens AFFG op te zeggen, komt voor rekening en risico van AFFG, aldus Payroll.
3.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. AFFG betwist uitdrukkelijk dat zij een overeenkomst met Payroll is aangegaan. De vervolgvraag is of AFFG een toereikende volmacht aan [boekhoudster] heeft verleend voor het aangaan van de overeenkomst of dat Payroll succesvol een beroep kan doen op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid in de zin van artikel 3:61 lid 2 BW Pro. Het gaat er daarbij om of Payroll op grond van een verklaring of gedraging van AFFG heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht aan [boekhoudster] was verleend.
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat Payroll er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [boekhoudster] bevoegd was om namens AFFG de overeenkomst aan te gaan. Uit de stellingen van AFFG volgt onder andere dat zij geen bezwaar had tegen de omstandigheid dat [boekhoudster] een payrollbedrijf voor haar zou inschakelen en uiteindelijk Payroll heeft benaderd. Verder staat vast dat Payroll daadwerkelijk werkzaamheden voor AFFG heeft verricht, dat Payroll voor de verrichte werkzaamheden direct aan AFFG heeft gefactureerd (productie 2 bij dagvaarding) en dat AFFG de facturen tot en met januari 2024 heeft betaald (productie 4 bij repliek). Het voorgaande leidt tot de conclusie dat AFFG is gebonden aan de overeenkomst en de in rekening gebrachte bedragen moet betalen. Omdat de hoogte van deze bedragen op zichzelf niet door AFFG is betwist, wordt gelet op het voorgaande de vordering tot betaling van de hoofdsom van € 172,64 wordt toegewezen.
3.5.
Omdat AFFG de in rekening gebrachte bedragen niet op tijd heeft betaald, is zij op grond van artikel 6:119a BW wettelijke handelsrente verschuldigd. De reeds verschenen rente van € 37,67 wordt daarom toegewezen. De nog lopende handelsrente wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
3.6.
Payroll vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 40,00 worden toegewezen.
3.7.
AFFG is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Payroll worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
474,85
3.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt AFFG om aan Payroll te betalen een bedrag van € 250,31, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 172,64, met ingang van 4 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt AFFG in de proceskosten van € 474,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als AFFG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.
62956/560