ECLI:NL:RBGEL:2026:1698

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
ARN 24_7947
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 23 AVGArt. 41 UAVGArt. 7 IVRKArt. 8 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit inzage adoptiedossier wegens onvoldoende belangenafweging en zorgvuldigheid

De zaak betreft een inzageverzoek van derde-partij in haar adoptiedossier bij de Raad voor de Kinderbescherming. De staatssecretaris heeft dit verzoek deels toegewezen en deels afgewezen, waarna eiseres bezwaar maakte tegen dit besluit. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, mede doordat het dossier onvolledig was en de belangenafweging tussen de privacy van eiseres en het recht van derde-partij op afstammingsinformatie niet duidelijk is gemotiveerd.

De rechtbank stelt vast dat ondanks de herroeping van de adoptie in 1992, het adoptiedossier blijft bestaan en dat derde-partij recht heeft op inzage in haar afstammingsinformatie, zoals beschermd door het EVRM en het IVRK. De belangenafweging door de staatssecretaris is echter onvoldoende kenbaar gemaakt, en het lakken van persoonsgegevens is niet adequaat toegepast.

De rechtbank draagt de staatssecretaris op om een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, waarbij een zorgvuldige belangenafweging en volledige dossierinventarisatie moeten plaatsvinden. Tevens worden de proceskosten en griffierechten aan eiseres toegekend.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen met een zorgvuldige belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7947

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats 1], eiseres

(gemachtigde: mr. P.A. de Lange),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. B. Rijkse).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2] (de derde-partij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit dat is genomen op het inzageverzoek van de derde-partij. Het verzoek wordt deels toegewezen en deels afgewezen. Eiseres is het niet eens met het besluit op het verzoek en de genomen beslissing op bezwaar. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke toe- en afwijzing van het inzageverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Ook blijkt uit de motivering in het bestreden besluit onvoldoende kenbaar hoe de belangenafweging heeft plaatsgevonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De derde-partij heeft een verzoek ingediend om inzage/afgifte van haar dossier bij de Raad voor de Kinderbescherming.
2.1.
De staatssecretaris heeft het verzoek deels toegewezen en deels afgewezen met het besluit van 10 juli 2024. Met het bestreden besluit van 24 september 2024 op het bezwaar van eiseres is de staatssecretaris bij zijn besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De staatssecretaris heeft – op verzoek van de rechtbank – de gelakte stukken ingediend en de rechtbank daarbij verzocht dat alleen de rechtbank kennisneemt van deze stukken. [1] Eiseres en derde-partij hebben de rechtbank toestemming verleend om deze stukken bij de beoordeling van de zaak te betrekken. [2]
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar zoon [naam zoon], de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van de staatssecretaris en de derde-partij. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en eiseres een termijn van twee weken na de datum van de zitting gegeven om de vraag te beantwoorden of er bereidwilligheid is om tot een minnelijke oplossing te komen, derde-partij een termijn van twee weken na de datum van de zitting gegeven om de vraag te beantwoorden of zij toestemming verleent aan eiseres om haar dossier in te zien, en de staatssecretaris verzocht om bij bereidwilligheid van eiseres en bij toestemming door derde-partij zorg te dragen voor inzage in het dossier. Daarnaast is de staatssecretaris opgedragen om binnen een termijn van twee weken na de datum van de zitting zorg te dragen voor leesbare stukken.
2.5.
Derde-partij heeft op 15 oktober 2025 toestemming verleend voor inzage door eiseres. Eiseres heeft op 20 oktober 2025 gereageerd en aangegeven dat het bij verwevenheid van (persoons-)gegevens aan de rechtbank is om een belangenafweging te maken. De staatssecretaris heeft op 21 oktober 2025 nadere stukken overgelegd.
2.6.
De rechtbank heeft partijen bij brief van 27 oktober 2025 bericht dat zij uit de reactie van eiseres opmaakt dat er geen bereidwilligheid is om tot een (finale) minnelijke oplossing te komen en dat de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak gaat doen. Als partijen wel op een zitting willen worden gehoord, moeten zij dit binnen twee weken laten weten.
2.7.
Eiseres heeft geen toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft het beroep daarom op 23 februari 2026 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar zoon [naam zoon], de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van de staatssecretaris en de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De derde-partij is in 1974 geboren in Colombia en in 1977 door de heer en mevrouw [familienaam 1] geadopteerd. In 1987 zijn de heer en mevrouw [familienaam 1] ontheven van de ouderlijke macht. In 1991 zijn de heer en mevrouw [familienaam 2] benoemd tot (toeziend) voogd. In 1992 is derde-partij geadopteerd door de heer en mevrouw [familienaam 2].
3.1.
De derde-partij heeft op 25 september 2023 verzocht om inzage/afgifte van haar dossier bij de Raad voor de Kinderbescherming. De staatssecretaris heeft dit verzoek aangemerkt als een verzoek op grond van artikel 15 van Pro de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Omdat er in het dossier ook informatie staat over andere personen en de Raad voor de Kinderbescherming deze personen moet informeren over het verzoek is eiseres aangeschreven. Eiseres heeft op 6 mei 2024 en 1 juni 2024 haar zienswijze naar voren gebracht en aangegeven geen toestemming te geven tot inzage in het dossier. Eiseres geeft aan dat de adoptie in 1992 is herroepen en dat daarmee de familierechtelijke betrekkingen zijn opgehouden te bestaan. Eiseres is van mening dat haar privacy (recht op ongestoord familieleven) en de privacy van haar familie zwaarder wegen dan het belang van de derde-partij bij dossierinzage.
3.2.
Het verzoek van de derde-partij wordt in het besluit van 10 juli 2024 deels toegewezen en deels afgewezen. Er wordt inzage verleend in dossierstukken waarin geen persoonsgegevens van eiseres en haar familie voorkomen. Ook wordt inzage verleend in dossierstukken waarin er sprake is van verwevenheid van persoonsgegevens: in die stukken worden de persoonsgegeven van eiseres en haar familie afgeschermd. Derde-partij krijgt geen inzage in dossierstukken die enkel en alleen persoonsgegevens bevatten van eiseres en haar familie. Door derde-partij kan een inzageafspraak gemaakt worden om de stukken in te zien.
3.3.
Eiseres is het niet eens met het besluit en gaat in bezwaar. Het bezwaar van eiseres is ongegrond verklaard. Dit betekent dat het besluit van 10 juli 2024 in stand is gebleven.
Wettelijk kader
4. In artikel 15 van Pro de AVG is het recht van inzage van de betrokkene in de persoonsgegevens die hem betreffen geregeld. In artikel 23 van Pro de AVG en artikel 41 van Pro de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) staan de beperkingen op het inzagerecht vermeld.
5. In artikel 15, eerste lid, van de AVG is het recht van inzage geregeld. Een betrokkene heeft het recht te weten of zijn persoonsgegevens worden verwerkt door de verwerkingsverantwoordelijke. Als dat zo is, heeft de betrokkene recht op inzage van die persoonsgegevens en onder meer het recht om te weten waarom de persoonsgegevens worden verwerkt, om welke categorieën persoonsgegevens het gaat, wie de persoonsgegevens zal ontvangen en hoe lang de persoonsgegevens worden bewaard. Het inzagerecht heeft tot doel de betrokkene in staat te stellen kennis te nemen van de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld en te controleren of die gegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt. [3]
5.1.
Gelet op artikel 15, derde lid, van de AVG heeft de betrokkene ook het recht op een kopie van de verwerkte persoonsgegevens. Maar dat artikel heeft niet tot doel de toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren. Een bestuursorgaan is niet verplicht een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een bestuursorgaan mag dat doen, maar het mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, mits met de gekozen wijze van verstrekking wordt voldaan aan het doel van artikel 15 van Pro de AVG. [4]
5.2.
Op grond van artikel 15, vierde lid, van de AVG doet het inzagerecht geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen. Volgens artikel 23, eerste lid, aanhef en onder i, van de AVG kan het inzagerecht worden beperkt (kort gezegd) omwille van de rechten en vrijheden van anderen.
5.3.
In artikel 7 en Pro 8 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) is het recht van het kind om te weten wie zijn of haar ouders zijn geregeld. In artikel 8 van Pro het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) wordt het recht om zekerheid te krijgen over afstamming geregeld. Daarnaast beschermt dit artikel ook het recht van privacy van betrokkenen.
Constateringen rechtbank
6. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb kennisgenomen van het dossier van derde-partij. De rechtbank heeft bij het doornemen van de door de staatssecretaris overgelegde dossiers geconstateerd dat er een verschil zit tussen de stukken die in eerste instantie, dus vóór de eerste zitting, zijn overgelegd (oude stukken) en de later, dus na de eerste zitting, overgelegde stukken (nieuwe stukken). De constateringen van de rechtbank zijn als volgt [5] :
WM
Constateringen
WM4
Ontbreekt volledig in de nieuwe stukken.
WM5
Ontbreekt volledig in de nieuwe stukken.
WM8
De vierde pagina ontbreekt in de nieuwe stukken.
WM11
Op de derde pagina valt zowel bij de oude stukken als bij de nieuwe stukken een stuk weg.
WM23
De laatste pagina van dit stuk is bij de nieuwe stukken overgelegd, maar ontbrak in de oude stukken.
WM24
De tweede en vierde pagina ontbreken bij de nieuwe stukken.
WM31
De laatste pagina van dit stuk is bij de nieuwe stukken overgelegd, maar ontbrak in de oude stukken.
WM33
Op de eerste pagina valt zowel bij de oude stukken als bij de nieuwe stukken een blok weg.
6.1.
Om tot een juiste beoordeling te komen heeft de rechtbank een volledig en compleet dossier nodig. Nu er in het nieuw overgelegde dossier stukken volledig ontbreken, pagina’s uit stukken ontbreken dan wel meer pagina’s ten opzichte van het oude dossier zijn overgelegd is de rechtbank van oordeel dat, om deze reden al, het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank draagt de staatssecretaris op opnieuw te inventariseren wat de inhoud van het dossier precies is.
Tussenconclusie
6.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. In het kader van een zo finaal mogelijke geschilbeslechting zal de rechtbank het niet bij dit oordeel laten, maar ook inhoudelijk ingaan op de voor het nieuw te nemen besluit relevante beroepsgronden.
Door het herroepen van de adoptie zou er geen dossier meer moeten zijn
7. Eiseres voert aan dat er door het herroepen van de adoptie in 1992 geen adoptiedossier meer zou moeten zijn. Nu er geen sprake is van een adoptie is de Archiefwet volgens eiseres ook niet van toepassing. Door de herroeping van de adoptie is de derde-partij buiten enige familiebetrekking met de familie [familienaam 1] komen te staan.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat hoewel de adoptie is herroepen en de derde-partij buiten enige familiebetrekking met de familie [familienaam 1] is komen te staan, dit niet wegneemt dat er een dossier is dat gaat over derde-partij en de gang van zaken omtrent de adoptie en wat er daarna is gebeurd. Bij de beoordeling van het verzoek van derde-partij, gaat het om de stukken die op het moment van het inzageverzoek bestaan. De vraag of deze stukken er nog wel of niet hadden moeten zijn door de herroeping van de adoptie speelt in dit kader geen rol.
Afstammingsinformatie
8. Volgens eiseres baseert de staatssecretaris zich in het besluit op een onjuiste interpretatie van het begrip ‘afstammingsinformatie’. Die informatie ziet volgens de artikelen 7 en 8 van het IVRK op naam, nationaliteit en het recht om zijn of haar ouders te kennen. Dat ziet volgens eiseres dus op familiebetrekkingen. Nu er in dit geval geen sprake meer is van adoptie of het bestaan van familierechtelijke betrekkingen vormt inzage in een ‘adoptiedossier’ door een buitenstaander als derde-partij een inbreuk op het privé en familieleven van de familie van eiseres. Voor een dergelijke inbreuk is geen wettelijke grondslag volgens eiseres. Daar komt bij dat een adoptiedossier volgens eiseres van geheel andere orde is dan afstammingsinformatie.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In artikel 8 van Pro het EVRM is het recht op respect voor het privéleven geregeld. Het recht om te weten van wie je afstamt vloeit hieruit voort. Het recht van het kind om te weten wie zijn of haar ouders zijn, is geregeld in artikel 7 en Pro 8 van het IVRK. Derde-partij heeft een door artikel 8 van Pro het EVRM beschermd recht om zekerheid te krijgen over haar afstamming. Afstammingsgegevens zijn gegevens die iets vertellen over iemands afkomst en (ontstaans)geschiedenis. Informatie over de herroeping van de adoptie maakt ook onderdeel uit van deze (ontstaans)geschiedenis. De rechtbank is van oordeel dat het bij het adoptiedossier dus gaat om afstammingsinformatie. De stelling van eiseres dat een adoptiedossier van geheel andere orde is dan afstammingsinformatie volgt de rechtbank dan ook niet. Daarnaast is er bij inzage door derde-partij in haar adoptiedossier geen sprake van inzage door een buitenstaander. Dit betekent dat derde-partij recht heeft op inzage in haar adoptiedossier. Het gaat immers om haar adoptiedossier.
De belangenafweging
9. Eiseres voert aan dat er een belangenafweging gemaakt had moeten worden tussen de belangen van derde-partij en die van eiseres. Eiseres stelt dat die belangenafweging niet is gemaakt en dat daarmee sprake is van een onjuiste toepassing van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarbij had de staatssecretaris op basis van de juiste uitleg van artikel 8 van Pro het EVRM een finale beslissing over inzage in het adoptiedossier voor moeten leggen aan een onafhankelijke autoriteit.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet kenbaar blijkt hoe de belangenafweging heeft plaatsgevonden.
9.1.1.
In artikel 15, vierde lid, van de AVG is bepaald dat het recht op inzage in de eigen persoonsgegevens geen afbreuk doet aan de rechten en vrijheden van anderen. In geval van strijdigheid tussen enerzijds de volledige uitoefening van het recht van inzage van persoonsgegevens en anderzijds de rechten of vrijheden van anderen, moeten de betrokken rechten tegen elkaar worden afgewogen. Voor zover mogelijk moet ervoor worden gekozen de persoonsgegevens te verstrekken op een wijze die geen afbreuk doet aan de rechten of vrijheden van anderen. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat deze overwegingen er niet toe mogen leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden. [6]
9.1.2.
Het is aan de staatssecretaris om aan de ene kant het recht van de bescherming van het privéleven van eiseres en aan de andere kant het recht van derde-partij op haar afstammingsinformatie tegen elkaar af te wegen. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat derde-partij geen inzage krijgt in de documenten waarin alleen gegevens over eiseres en haar familie zijn opgenomen, dat ze wel inzage krijgt in de documenten waarin geen gegevens van eiseres en haar familie zijn opgenomen en dat bij verwevenheid de gegevens van eiseres en haar familie zullen worden weggelakt. Dit is volgens de rechtbank geen motivering waaruit een kenbare belangenafweging tussen de belangen van derde-partij en de belangen van eiseres en familie blijkt. De staatssecretaris dient per document te bekijken wat voor soort document het is, welke persoonsgegevens erin staan en bij verwevenheid van die gegevens per document een belangenafweging te maken. Op de eerste zitting heeft de gemachtigde van de staatssecretaris bevestigd dat een dergelijke beoordeling niet is gemaakt. Daarbij merkt de rechtbank op dat het lakken van namen, en die namen vervolgens letterlijk noemen op de inventarislijst zoals in dit geval is gebeurd, geen redelijk doel dient. Ook hier kon de gemachtigde van de staatssecretaris op de eerste zitting desgevraagd geen antwoord op geven. Ook die omstandigheid is dus niet door de staatssecretaris betrokken en dat dient hij wel te doen. Nu derde-partij onmiskenbaar op de hoogte is van de namen in het dossier dient de minister na te gaan of het lakken van deze namen nog van betekenis is.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Uit het voorgaande volgt dat de besluitvorming gebreken vertoont voor wat betreft de zorgvuldigheid en de motivering. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
10.1.
De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 2.335 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Omdat het beroep gegrond is, moet de minister ook het griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187 aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot het betalen van € 2.335 aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een verzoek als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
3.Zie de uitspraak van ABRvS van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2559, r.o. 3.4.
4.Zie de uitspraak van ABRvS van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:452, r.o. 6.3
5.Omdat de nummering op de stukken uit het dossier en de inventarislijst ontbreekt, verwijst de rechtbank naar de concrete documenten onder vermelding van het ‘WM’ nummer van de opmerkingen.
6.Zie: overweging 63 van de considerans van de AVG en punt 44 van het arrest van het Hof van 4 mei 2023, ECLI:EU:C:2023:369, C-487/21, F.F. tegen Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF GmbH.