ECLI:NL:RBGEL:2026:1676

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/05/452144 / FA RK 25-1807
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377e BWArt. 1:253a BWArt. 7 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wijziging zorgregeling en vaststelling kinderalimentatie na echtscheiding

De rechtbank Gelderland behandelde een verzoek tot wijziging van de zorgregeling en kinderalimentatie tussen gescheiden ouders met twee minderjarige kinderen. De vader verzocht om een intensievere zorgregeling en een lagere alimentatie, terwijl de moeder het verzoek afwees en een hogere alimentatie eiste met terugwerkende kracht.

Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de huidige zorgregeling niet volledig wordt nageleefd, met name doordat de kinderen minder contact hebben met de vader. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de huidige regeling te handhaven en benadrukte het belang van stabiliteit en het zoeken van hulp door de vader.

De rechtbank oordeelde dat de verzochte wijziging van de zorgregeling niet in het belang van de kinderen is en vooral aansluit bij de wensen van de vader. De huidige regeling blijft gehandhaafd, met het advies aan de ouders om hulpverlening te zoeken om de relatie met de kinderen te verbeteren.

Wat betreft de kinderalimentatie stelde de rechtbank vast dat de vader onvoldoende inzicht gaf in zijn inkomen, waardoor de berekening gebaseerd werd op de gegevens van de moeder. De vader moet vanaf 26 mei 2025 € 97,50 per kind per maand betalen, met een indexering tot € 102 per kind per maand vanaf 1 januari 2026. De alimentatie is uitvoerbaar bij voorraad en beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging zorgregeling afgewezen; kinderalimentatie vastgesteld vanaf 26 mei 2025 met indexering per 1 januari 2026.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/452144 / FA RK 25-1807
Datum uitspraak: 5 maart 2026
beschikking wijziging zorgregeling en alimentatie
in de zaak van
[naam moeder](nader te noemen: de moeder),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. van den Heuvel te Arnhem,
tegen
[naam vader](nader te noemen: de vader),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. P.G.W. van Wees te Arnhem.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
a. het verzoekschrift van de moeder, met producties 1 tot en met 10, ingekomen op
26 mei 2025;
het verweerschrift van de vader met daarin een zelfstandige verzoek, met producties 1 tot en met 5, ingekomen op 19 augustus 2025;
het verweerschrift van de moeder op het zelfstandige verzoek, ingekomen op
15 september 2025;
het bericht van mr. Van den Heuvel van 15 januari 2026 met producties 9 tot en met 11;
het bericht van mr. Van den Heuvel van 22 januari 2026 met producties 11 en 12;
het bericht van mr. Van Wees van 26 januari 2026 met producties 6 tot en met 8.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 29 januari 2026. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn gehoord:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk,
een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
De rechtbank heeft aan [kind 1] , de dochter van partijen, gevraagd wat zij van het verzoek vindt. Zij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar mening te geven.

2.Waar gaat het over?

Wat staat vast?
2.1.
Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren de minderjarige kinderen:
  • [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [kind 1] ;
  • [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [kind 2] .
2.2.
Deze rechtbank heeft bij beschikking van [datum] de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Het huwelijk is op [echtscheidingsdatum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Nijmegen.
2.3.
De kinderen staan ingeschreven op het adres van de moeder. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen.
2.4.
De rechtbank heeft bij de echtscheidingsbeschikking als regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld dat de kinderen om de week bij de vader verblijven van zondagochtend tot maandagochtend naar school en wekelijks op woensdagmiddag vanuit school tot 19.00 uur, eventuele uitbreiding in onderling overleg en voorts dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg worden verdeeld waarbij wordt toegewerkt naar een verdeling bij helfte.
Wat ligt voor?
2.5.
De moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vader zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met € 252 per kind per maand of een ander in goede justitie te bepalen bedrag bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen met ingang van 21 maart 2024, dan wel 5 september 2024 dan wel de datum waarop het verzoek is ingediend, dan wel een datum in goede justitie te bepalen.
2.6.
De vader is het niet eens met het verzoek. Hij verzoekt het verzoek af te wijzen en verzoekt te bepalen dat de vader als bijdrage in de verzorging en opvoeding voor de kinderen moet betalen een bedrag van € 100 per kind per maand met ingang van
26 mei 2025 en deze vanaf de wijziging van de zorgregeling op nihil te stellen.
Daarnaast verzoekt de vader de zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat hij contact heeft met de kinderen:
  • iedere week op dinsdag, woensdag en donderdag waarbij hij de kinderen om 16.45 uur ophaalt uit school en de dag erna om 7.45 uur bij de moeder brengt.
  • iedere zondag van 11.00 uur tot 18.00 uur;
  • de helft van de zomervakantie en waarbij de overige vakanties en feestdagen in onderling overleg worden verdeeld.
2.7.
De vader legt aan zijn verzoek met betrekking tot de zorgregeling het volgende ten grondslag. De zorgregeling wordt nu niet volledig uitgevoerd, omdat [kind 2] niet bij de vader blijft overnachten. [kind 1] komt, op verjaardagen en feestdagen na, helemaal niet meer. De vader wil zijn kinderen meer zien. Hij heeft nu het gevoel dat hij zijn kinderen kwijtraakt. De vader vindt het niet in hun belang dat er nu een afstand komt tussen hem en de kinderen.
2.8.
De moeder verzoekt het zelfstandige verzoek voor wat betreft de zorgregeling af te wijzen. De moeder wil de zorgregeling niet wijzigen. De vader verzoekt nu een zorgregeling die met name aansluit op de wensen en agenda van de vader. De huidige zorgregeling wordt maar beperkt nagekomen door de vader. Zo geeft de vader vaak aan ziek te zijn of geen tijd te hebben om de kinderen op te halen. In geen enkele zomervakantie is het nog gelukt om de kinderen langere tijd bij de vader te laten verblijven. De verzochte zorgregeling is praktisch ook niet haalbaar omdat de kinderen niet tot 16.45 uur op school zijn.

3.Het advies van de Raad

3.1.
De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat het belangrijk is dat de kinderen erop kunnen rekenen dat afspraken worden nagekomen. Dat betekent dat de vader beschikbaar moet zijn. Hij moet moeite doen om echt met de kinderen in contact te zijn en tijd voor hen vrij te maken. De zorgregeling moet voor beide kinderen hetzelfde zijn. De Raad ziet niet dat de door de vader verzochte zorgregeling helpend kan zijn in deze situatie. Die regeling zou veel onrust opleveren. De huidige zorgregeling moet worden gehandhaafd. De kinderen zijn daar ook vertrouwd mee. Het is daarnaast belangrijk dat de vader hulp voor zichzelf gaat zoeken, zoals eerder ook is geadviseerd, zodat hij leert zijn eigen emoties en problemen bij de kinderen weg te houden. De ouders kunnen vervolgens een ouderschapstraject volgen. Het is ook belangrijk dat [kind 1] meer in beeld komt bij de vader en dat de vader kan laten zien dat hij er voor de kinderen is.

4.De beoordeling

Wijziging zorgregeling
bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht en kan met toepassing van het Nederlandse recht een beslissing nemen over de zorgregeling omdat de kinderen in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben. Dit volgt uit artikel 7 Brussel Pro II-ter [1] en artikel 15 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996. [2]
inhoudelijk
4.2.
Op grond van artikel 1:377e gelezen in samenhang met artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een door de ouders onderling getroffen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.3.
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Uit de stukken en de zitting is gebleken dat de huidige zorgregeling niet volledig wordt uitgevoerd. [kind 2] overnacht niet meer bij de vader en [kind 1] gaat - op feestdagen en verjaardagen na - helemaal niet meer naar de vader. De moeder geeft aan dat [kind 1] bij de vader veel emotionele belasting voelt en ook is er voor haar gevoel feitelijk geen plek voor haar bij de vader sinds hij een nieuwe relatie heeft. Ook lukt het de vader vanwege ziekte niet altijd om de zorgregeling na te komen. De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking overwogen dat het van belang is dat de man de overeengekomen zorgregeling daadwerkelijk nakomt. Destijds is geen contactmoment op de zaterdag vastgelegd omdat dit vanwege werkzaamheden van de vader te zwaar valt. Desondanks lukt het de vader dus nog onvoldoende om de zorgregeling na te komen en op dit moment heeft hij slechts beperkt contact met de kinderen. De omstandigheden zijn dus gewijzigd ten opzichte van de beslissing van
[datum] . De vader is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek.
4.4.
De rechtbank zal vervolgens beoordelen of deze wijziging van omstandigheden een relevante wijziging is die tot de verzochte zorgregeling moet leiden. De vader wil nu een uitgebreidere regeling, ondanks dat de huidige regeling al niet volledig wordt uitgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat die verzochte regeling niet voorziet in een verbetering van de omstandigheden en de onderliggende problematiek, aangezien die regeling juist intensiever is met nog meer wisselmomenten. Ook acht de rechtbank de verzochte regeling niet in het belang van de kinderen. De door de vader verzochte regeling sluit met name aan bij zijn wensen en agenda. Hoewel de vader tijdens de zitting nog een nieuw voorstel heeft gedaan, heeft hij in beginsel verzocht om contactmomenten op de dinsdag, woensdag en donderdag waarbij hij de kinderen niet naar school brengt maar naar de moeder in de ochtend erna. Dit zou leiden tot veel wisselingen en onrust bij de kinderen. Ook verzoekt hij iedere zondag contact zonder overnachting. De overnachting lukt niet omdat hij druk is in het weekend en vaak in Den Haag verblijft bij zijn nieuwe partner. Dit verzoek volgt dus de wensen en behoeften van de vader maar niet die van de kinderen. Zij zouden dan ook geen volledig weekend meer hebben bij de moeder.
4.5.
Zoals in de echtscheidingsbeschikking reeds is overwogen, acht de rechtbank het van belang dat de huidige zorgregeling goed wordt nagekomen. De kinderen moeten erop kunnen rekenen dat de vader op die momenten beschikbaar is en dat hij zijn leven aanpast aan hen en niet andersom. Dat kan ervoor zorgen dat er bij de kinderen meer ruimte ontstaat om naar de vader te willen gaan en daar te overnachten. De moeder heeft namelijk aangegeven dat [kind 1] zich nu geen prioriteit voelt bij de vader. Het is van belang dat gekeken wordt wat er verder nodig is om [kind 1] weer naar de vader te laten gaan en wat [kind 2] nodig heeft om weer bij de vader te kunnen overnachten. Tot op heden is het de ouders onvoldoende gelukt om de kinderen hierin te stimuleren. De rechtbank geeft de ouders dan ook mee om hulpverlening hiervoor in te schakelen. Hierbij kan de moeder kijken wat zij kan doen om de kinderen te stimuleren om naar de vader te gaan en daar te overnachten. De vader kan, zoals de Raad heeft geadviseerd, individuele hulpverlening aangaan om te leren zijn eigen emoties en problemen weg te houden bij de kinderen. Als de ouders individueel stappen hebben gezet, kunnen zij kijken of er voldoende basis is voor een ouderschapstraject waarin zij leren om beter met elkaar te communiceren en samen te werken. De Raad heeft hierbij ook aangegeven dat de kinderen dan kunnen ervaren dat de ouders in staat zijn met elkaar te overleggen en afspraken te maken. Ook dat kan ervoor zorgen dat de zorgregeling uiteindelijk beter zal verlopen.
4.6.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de vader af.
Kinderalimentatie
bevoegdheid en toepasselijk recht
4.7.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht en kan met toepassing van het Nederlandse recht een beslissing nemen over kinderalimentatie omdat de onderhoudsgerechtigde en verweerder in Nederland wonen. [3]
conclusie
4.8.
De rechtbank zal beslissen dat de vader:
  • met ingang van 26 mei 2025 tot 1 januari 2026 € 195 per maand, te weten € 97,50 per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de moeder;
  • met ingang van 1 januari 2026 van € 204 per maand, te weten € 102 per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de moeder.
4.9.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
ontvankelijkheid
4.10.
Omdat de vader onderhoudsplichtig is tegenover de kinderen en het een eerste vaststelling van kinderalimentatie betreft, kan de moeder ontvangen worden in haar verzoek.
ingangsdatum
4.11.
De moeder verzoekt de alimentatie vast te stellen met terugwerkende kracht tot de zittingsdatum van de echtscheidingsprocedure van 21 maart 2024, dan wel met ingang van 5 september 2024 (de datum van het opnieuw verzoeken van de gegevens), dan wel met ingang van de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, dan wel met ingang van een in goede justitie te bepalen datum. Ten tijde van de echtscheiding heeft de moeder geen kinderalimentatie verzocht zodat de vader de echtelijke woning kon overnemen. De vader heeft tot op heden nagelaten de woning over te nemen. De moeder heeft sinds haar vertrek uit de woning alleen de kosten van de kinderen gedragen. De moeder is van mening dat de vader doelbewust tracht nog langer onder zijn onderhoudsverplichtingen uit te komen. Hij weigert zijn inkomensgegeven aan te leveren. Daarom verzoekt de moeder alimentatie met terugwerkende kracht.
4.12.
De vader is van mening dat de datum van het verzoekschrift leidend is voor de ingangsdatum van de kinderalimentatie. Vanaf deze datum kon de man rekening houden met kinderalimentatie. De vader heeft ook geen geld voorhanden om een eerdere ingangsdatum te kunnen betalen. Hij is druk geweest om de woning over te nemen, maar dat is door een geschil tussen partijen nog niet gelukt. Daar komt bij dat de moeder niet haar eigen financiële stukken heeft overgelegd. Pas met het verzoekschrift is er inzage gekomen in het inkomen van de moeder.
4.13.
De rechtbank overweegt als volgt. De wet [4] laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
4.14.
Hier hanteert de rechtbank de datum waarop het verzoek is ingediend als ingangsdatum, omdat de vader vanaf dat moment rekening kon houden met een bijdrage aan kinderalimentatie. Ten tijde van de echtscheiding was dat nog niet het geval omdat de moeder de vader de gelegenheid heeft gegeven eerst de echtelijke woning over te nemen. Bovendien moet de rechtbank terughoudend omgaan met een vaststelling met terugwerkende kracht. Indien de moeder de kinderalimentatie eerder had willen laten ingaan, dan had het op haar weg gelegen om eerder een procedure hierover te starten. De rechtbank hanteert daarom 26 mei 2025 als ingangsdatum.
behoefte
4.15.
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. Verder wordt rekening gehouden met het aantal kinderen dat tot het gezin behoort. Uit onderzoek blijkt namelijk dat naarmate er meer kinderen tot het huishouden behoren, de totale kosten van de kinderen weliswaar stijgen, maar dat de gemiddelde kosten per kind daartegenover dalen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren.
4.16.
Beide partijen berekenen de behoefte aan de hand van het inkomen van 2022. Partijen zijn het erover eens dat aan de zijde van de moeder gerekend moet worden met een bruto jaarinkomen aan de hand van een jaaropgave van € 20.986 in 2022.
4.17.
Het geschil is gelegen in het inkomen van de vader. De moeder rekent met een netto inkomen van de vader van € 2.283 per maand, gebaseerd op een betaling van het loon op de betaalrekening in december 2022. Dit komt volgens de moeder neer op € 2.500 bruto per maand. De moeder beschikt niet over meer inkomensgegevens van de vader. De vader betwist dit inkomen en stelt dat hij die maand een hoger loon ontving vanwege de eindejaarsuitkering. De vader stelt dat hij in 2022 een bruto loon had van € 1.900 met daarbij 8% vakantietoeslag en € 60 per maand aan eindejaarsuitkering. Ter onderbouwing hiervan heeft de vader een bankafschrift overgelegd van de uitkering van het salaris van november 2022.
4.18.
De rechtbank is van oordeel dat de vader, ondanks het verzoek van de moeder, heeft nagelaten om inzicht te geven in zijn volledige inkomen van 2022. De vader heeft slechts een bankafschrift van een netto uitkering overgelegd van één maand in 2022. Dit terwijl de vader sinds 2016 werkzaam is bij dezelfde werkgever en dus had kunnen beschikken over loonstroken dan wel over een aangifte van de inkomstenbelasting. Het had op zijn weg gelegen meer inzicht te geven in zijn inkomen. Zoals uit de loonstroken van 2025 blijken, heeft de vader wisselende uren en dus een wisselend inkomen. Het enkele bankafschrift is dan ook onvoldoende om inzicht te krijgen in het daadwerkelijke loon van de vader. Dat de vader heeft nagelaten om specifiekere loongegevens in te dienen, komt voor zijn rekening en risico. Om die reden zal de rechtbank de berekening van de moeder volgen voor wat betreft de behoefte. Uit de berekening van de moeder volgt een behoefte van de kinderen van € 899 per maand in 2022 (aan de hand van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 4.116 per maand). Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2025 € 1.051 voor beide kinderen, te weten € 525,50 per kind per maand.
draagkracht ouders
4.19.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien [5] .
4.20.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit in 2025: 70% van [NBI -(0,3 x NBI + 1.310)].
draagkracht vader
4.21.
De vader is werkzaam bij [naam werkgever 1] . Uit de meest recente loonstrook van de maand december 2025 (waarin de vader een periode salaris ontvangt en geen wisselend inkomen meer heeft) blijken de volgende looncomponenten:
  • een salaris van € 2.271 bruto per maand;
  • vakantietoeslag van 8% over het bruto inkomen en een eindejaarsuitkering van € 85 per maand;
  • premie ouderdomspensioen van € 75 per maand en risicopremie van € 19 per maand;
  • premie Whk van netto € 13 per maand.
4.22.
Tussen partijen is in geschil welke inkomsten de vader heeft als winst uit onderneming van zijn werkzaamheden in het weekend bij de loempiakraam.
4.23.
De moeder stelt dat de vader in het weekend inkomen verkrijgt uit de loempiakraam waarbij klanten veelal contant betalen of via een tikkie. De moeder beschikt niet over de inkomensgegevens en schat in dat de vader een winst uit onderneming heeft van
€ 6.000 per jaar.
4.24.
De vader stelt dat hij op dit moment geen inkomen ontvangt uit de loempiakraam. Vanwege ziekte lukt het hem nu niet om deze werkzaamheden uit te voeren. De kraam staat nu in de stalling. Hij heeft de standplaats wel gehouden omdat hij hoopt in de toekomst weer te kunnen werken op de zaterdag. Als hij de onderneming nu opheft, dan zal hij zijn standplaats kwijtraken. De vader stelt voor om te rekenen met een bedrag van € 3.000 per jaar als winst uit onderneming.
4.25.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de vader eerder op de zaterdagen werkzaamheden verrichtte met de verkoop van loempia’s. De vader stelt dat hij nu geen werkzaamheden verricht. Ter onderbouwing van die stelling heeft hij het aangifteformulier van de omzetbelasting van het tweede kwartaal van 2025 overgelegd waaruit blijkt dat de omzet € 0 is. Tegelijkertijd houdt de vader nog wel de standplaats van zijn kraam en behoudt hij dus de reële mogelijkheid dat hij in de toekomst weer gaat werken met de kraam. De rechtbank zal daarom rekening houden met een bedrag aan winst uit onderneming en zoekt hierbij aansluiting bij de stelling van de vader waarbij hij aangeeft een bedrag van € 3.000 per jaar te verdienen. De rechtbank acht dat een reële winst uit onderneming en zal daarmee rekenen.
4.26.
De rechtbank houdt in de berekening rekening met de MKB winstvrijstelling. De rechtbank houdt - anders dan de moeder - geen rekening met de zelfstandigenaftrek gelet op het urencriterium. Verder houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De rechtbank houdt - anders dan de vader - geen rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting gelet op de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Het netto besteedbare inkomen komt hiermee uit op € 2.399 per maand in 2025. Aan de hand van de formule heeft de vader een draagkracht van € 258 per maand in 2025.
draagkracht moeder
4.27.
De ouders zijn het eens over het inkomen van de moeder. De moeder is werkzaam bij [naam werkgever 2] B.V. Uit de loonstroken van de maanden 9 tot en met 11 blijken de volgende looncomponenten:
  • een bruto inkomen van € 2.177 per maand;
  • vakantietoeslag van 8% over het bruto inkomen;
  • premie WGA van € 8 per maand.
4.28.
De rechtbank houdt rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop van € 9.114 per jaar. Uit de berekening blijkt dat de moeder een netto besteedbaar inkomen heeft van € 3.103 per maand in 2025. Aan de hand van de formule heeft de moeder een draagkracht van
€ 603 per maand.
verdeling kosten
4.29.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
4.30.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de vader en de moeder samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen. Hun gezamenlijke draagkracht is € 861 per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 1.051 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 190 per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken.
zorgkorting
4.31.
De vader maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet hij – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de kinderen staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de vader met een percentage van de behoefte van de kinderen: de ‘zorgkorting’.
4.32.
De kinderen verblijven volgens de zorgregeling ongeveer gemiddeld één dag per week bij de vader. Daarbij past een zorgkorting van 15% van de behoefte, dus € 158 per maand. Maar omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zal de rechtbank deze korting niet volledig toepassen. Als de vader namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de moeder te rusten. De moeder moet tenslotte ook kosten voor de kinderen maken, die zij eigenlijk niet kan dragen. In dat geval moet ieder de helft van het tekort dragen, dus een bedrag van € 95 per maand (€ 190 delen door twee). Dit betekent dat de rechtbank slechts een zorgkorting van (€ 158-/- € 95 =) € 63 per maand in mindering brengt. Er blijft dan een bedrag van (€ 258 -/- € 63 =) € 195 per maand, te weten € 97,50 per kind per maand dat de vader aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen met ingang van 26 mei 2025.
nihilstelling
4.33.
De vader heeft verzocht om de alimentatie vanaf de wijziging van de zorgregeling op nihil te stellen. Nog los van het feit dat de zorgregeling niet is gewijzigd, heeft de vader tijdens de zitting aangegeven dat hij hiermee geen apart beroep op een nihilstelling bedoelt en dat de vader wil betalen wat uit de berekening volgt.
indexering
4.34.
Omdat voormelde bijdrage ingaat op een datum gelegen voor 1 januari 2026 verhoogt de rechtbank de bijdrage per 1 januari 2026 met de wettelijke indexering van 4,6%. Dat komt neer op een bijdrage per 1 januari 2026 van € 204 per maand, te weten € 102 per kind per maand.
alimentatie vooruitbetalen
4.35.
De vader moet vanaf heden de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.36.
De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.
Proceskosten
4.37.
De vader en de moeder moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat de vader met ingang van 26 mei 2025 een bedrag van € 97,50 per kind per maand en vanaf 1 januari 2026 € 102 per kind per maand moet betalen aan de moeder, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen [kind 1] en [kind 2] ;
5.2.
bepaalt dat de vader deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
bepaalt dat de vader en de moeder allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
5.5.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Hilberink, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Beumer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
[ Afbeeldingen verwijderd ter anonimisatie. ]

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking), te noemen Brussel II-ter.
2.Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, 's-Gravenhage, 19 oktober 1996, te noemen het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
3.Dit volgt uit artikel 3 sub a en Pro b en artikel 15 van Pro de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) in combinatie met artikel 3 van Pro het Haagse Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen.
4.Artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
5.Artikel 1:397 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek.