ECLI:NL:RBGEL:2026:1668

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
11936418
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WCK oudArt. 33 WCK oudArt. 3:307 lid 1 BWArt. 3:317 lid 1 BWArt. 3:37 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot betaling kredietbedrag wegens tekortkoming in nakoming kredietovereenkomst

ABN Amro vordert betaling van een openstaand bedrag van €4.835,38 plus wettelijke rente van de gedaagde, wegens tekortkoming in de nakoming van een kredietovereenkomst uit 2005. De bank heeft het krediet na betalingsachterstand rechtsgeldig opgeëist en de overeenkomst beëindigd.

De kantonrechter beoordeelt ambtshalve de kredietovereenkomst aan de hand van de Wet op het consumentenkrediet (oud) en oordeelt dat de opeising voldoet aan de dwingendrechtelijke bepalingen. Het verweer van de gedaagde dat de vordering verjaard zou zijn, wordt verworpen omdat de bank tijdig aanmaningen heeft gestuurd en er telefonisch contact is geweest.

Ook het verweer dat de bankrekening zou zijn opgeheven wordt verworpen; deze was geblokkeerd vanwege betalingsachterstand. De primaire vordering tot betaling wordt toegewezen, inclusief wettelijke rente vanaf 16 juli 2021. De subsidiaire vordering tot ontbinding wordt niet behandeld. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De gedaagde is veroordeeld tot betaling van €4.835,38 met wettelijke rente en proceskosten wegens niet-nakoming van de kredietovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11936418 \ CV EXPL 25-8401
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: ABN Amro,
gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de bijbehorende producties,
- het mondelinge antwoord,
- de aanvullende conclusie van antwoord met bijbehorende producties,
- de conclusie van repliek met bijbehorende producties,
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil en de beoordeling

2.1.
ABN Amro vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • primair [gedaagde] te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 4.835,38, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2021 totdat alles is betaald,
  • subsidiair de kredietovereenkomst te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 4.835,38, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2021 totdat alles is betaald.
2.2.
ABN Amro legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichting uit hoofde van de tussen partijen op 15 maart 2005 gesloten kredietovereenkomst. ABN Amro heeft daarom de totale kredietsom ineens opgeëist. Subsidiair vordert ABN Amro ontbinding van de kredietovereenkomst wegens diezelfde tekortkoming.
Ambtshalve toetsing
2.3.
De kredietovereenkomst met de naam ABN Amro Privélimiet Plus, tussen [gedaagde] (een consument) en ABN Amro (een kredietgever die handelt in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf) is gesloten op 15 maart 2005. Deze overeenkomst vormt een krediettransactie als bedoeld in de zin van artikel 1 van Pro de Wet op het consumentenkrediet zoals die gold tot 25 mei 2011 (hierna: WCK oud) en valt niet buiten het toepassingsbereik van de WCK oud. De kantonrechter moet daarom (zo nodig ambtshalve, dat wil zeggen ook zonder dat [gedaagde] daar een beroep op heeft gedaan) beoordelen of voldaan is aan dwingendrechtelijke bepalingen die gelden ten aanzien van een krediettransactie als bedoeld in artikel 1 WCK Pro oud. In dat kader overweegt de kantonrechter het volgende.
2.4.
Partijen zijn een kredietlimiet van maximaal € 4.000,00 op de bankrekening van [gedaagde] overeengekomen. Het effectief vergoedingspercentage bedraagt 11,6% per jaar. De maandelijkse aflossing is gelijk aan 2,5% van de kredietlimiet.
2.5.
Op de kredietovereenkomst zijn de “Productvoorwaarden ABN AMRO Privélimiet Plus” van toepassing (hierna: de productvoorwaarden). Hierin staat het volgende:
“7. Alle op grond van de Kredietovereenkomst nog aan de Bank verschuldigde bedragen zullen ineens opeisbaar zijn indien:
a)
Kredietnemer gedurende ten minste twee (2) maanden achterstallig is in de betaling van een (1) maandtermijn en, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de volledige nakoming van zijn verplichtingen;”
2.6.
ABN Amro heeft [gedaagde] bij brief van 5 april 2021 wegens een betalingsachterstand in gebreke gesteld en daarbij het volgende aangezegd:
Wat doen wij als u niet op tijd betaalt?
Als u uw verplichtingen niet nakomt, heeft dat mogelijk financiële of juridische gevolgen voor u. Hebben wij op 26 april 2021 geen bedrag van EUR 299,02 van u ontvangen?

Dan zal de bank u verzoeken om de volledige lening van EUR 4.756,11 én uw andere schulden aan de bank in één keer helemaal terug te betalen. Dit heet het opeisen van de lening. U kunt opeising van de lening/krediet voorkomen door bovenstaande bedrag tijdig te betalen.”
2.7.
Vervolgens heeft ABN Amro bij brief van 25 juni 2021 aan [gedaagde] de kredietovereenkomst beëindigd en het gehele openstaande bedrag ineens opgeëist. In deze brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Ook op onze laatste schriftelijke aanmaning hebben wij geen reactie of betaling ontvangen. Wij eisen daarom op grond van onze voorwaarden hierbij het krediet op. Dit betekent dat u het volledige uitstaande bedrag van EUR 4.835,38 in één keer aan ons moet terugbetalen. In deze brief leest u wat u moet doen.
Wat moet u doen?
Wij vragen u dringend om voor 16 juli 2021 een bedrag van EUR 4.835,38 te betalen.”
2.8.
De opeising van het krediet voldoet hiermee aan de eisen van de WCK (oud). Op grond van artikel 33 aanhef Pro en onder sub c WCK (oud) is het immers toegestaan de vervroegde opeisbaarheid van de gehele uitstaande kredietsom op te nemen in de kredietovereenkomst, indien de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen. Evenmin is gebleken dat sprake is van een oneerlijk beding ter zake de vertragingsvergoeding. Er is daarmee voldaan aan de dwingendrechtelijke bepalingen die gelden ten aanzien van een krediettransactie als bedoeld in artikel 1 WCK Pro oud. ABN Amro heeft het krediet rechtsgeldig opgeëist en [gedaagde] is in beginsel gehouden het op 25 juni 2021 openstaande krediet van € 4.835,38 aan ABN Amro te voldoen.
Inhoudelijke beoordeling
2.9.
Vervolgens wordt toegekomen aan de beoordeling van het verweer van [gedaagde] tegen de vorderingen van ABN Amro. De vordering zou zijn verjaard, hij zou de bij de dagvaarding gevoegde brieven en bankafschriften nooit hebben ontvangen en zijn bankrekening zou ten onrechte zijn opgeheven.
2.10.
Ingevolge artikel 3:307 lid 1 BW Pro verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst na verloop van vijf jaar na de dag die volgt op de dag van opeisbaarheid. Artikel 3:317 lid 1 BW Pro bepaalt dat deze verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als deze door hem is ontvangen (artikel 3:37 lid 3 BW Pro). Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door haar is verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Als adres in vorenbedoelde zin kan in beginsel - behoudens andersluidend beding - worden aangemerkt de woonplaats van de geadresseerde in de zin van artikel 1:10 BW Pro.
2.11.
[gedaagde] heeft op 29 oktober 2025 mondeling geantwoord dat bij de dagvaarding “allemaal brieven en bankafschriften” zaten die hij nooit heeft ontvangen. Voor zover [gedaagde] hiermee heeft bedoeld dat hij geen enkele brief of bankafschrift van ABN Amro heeft ontvangen, geldt het volgende. ABN Amro heeft de brieven verstuurd naar het huidige woonadres van [gedaagde] , alwaar de dagvaarding in de onderhavige procedure ook is betekend. De kantonrechter is van oordeel dat ABN Amro mocht aannemen dat [gedaagde] op zijn woonadres kon worden bereikt en dat de brieven daar zijn aangekomen. Het is immers onwaarschijnlijk dat [gedaagde] geen van de bij dagvaarding overgelegde brieven en bankafschriften heeft ontvangen. Bovendien heeft ABN Amro onbetwist gesteld dat er in de periode 4 februari 2021 tot en met 9 augustus 2021 diverse keren telefonisch contact is geweest met [gedaagde] over het openstaande krediet. Tijdens deze telefoongesprekken is gesproken over de betalings(on)mogelijkheden van [gedaagde] . Dit betekent dat de vordering van ABN Amro niet is verjaard.
2.12.
Het verweer dat de bankrekening van [gedaagde] zou zijn opgeheven is door ABN Amro voldoende weerlegd bij haar conclusie van repliek. De bankrekening is niet opgeheven, maar, vanwege de betalingsachterstand, geblokkeerd. Bij conclusie van dupliek wordt dit door [gedaagde] niet (meer) betwist. [gedaagde] geeft slechts aan dat hij geen gebruik kon maken van zijn bankrekening (hetgeen ook het geval is bij een geblokkeerde rekening).
2.13.
Gelet op het voorgaande is [gedaagde] gehouden het opgeëiste krediet van
€ 4.835,38 aan ABN Amro te betalen. De primaire vordering zal dan ook worden toegewezen.
2.14.
De niet afzonderlijk betwiste wettelijke rente wordt eveneens toegewezen vanaf
16 juli 2021. Vanaf die datum is [gedaagde] in verzuim met de betaling van het opgeëiste krediet.
2.15.
Gelet op de toewijzing van de primaire vordering wordt aan de beoordeling van de subsidiaire vordering niet toegekomen.
2.16.
[gedaagde] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ABN Amro worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.380,14

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan ABN Amro te betalen een bedrag van € 4.835,38, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van 16 juli 2025 totdat alles is betaald,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.380,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
44356 \ 51588