ECLI:NL:RBGEL:2026:1655

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
ARN 25_283
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 62 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 107 Wegenverkeerswet 1994Art. 30 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigenArt. 7 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag voor chauffeurskaart taxibranche

Eiser heeft op 30 april 2024 een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) met het doel een chauffeurskaart te verkrijgen voor de taxibranche. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen vanwege meerdere justitiële antecedenten, waaronder veroordelingen voor verkeersovertredingen, fraude in het buitenland en verdenkingen van medeplegen van mensenhandel. De terugkijktermijn is verlengd vanwege periodes van detentie en toezicht.

De rechtbank toetst of de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat het belang van de samenleving bij beperking van risico’s zwaarder weegt dan het belang van eiser bij afgifte van de VOG. Het objectieve criterium is van toepassing omdat eiser binnen de terugkijktermijn relevante justitiële gegevens heeft. Eiser betwist enkele feiten en verzoekt om een belangenafweging in zijn voordeel, waarbij hij zijn persoonlijke omstandigheden en intenties aanvoert.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris de belangen van eiser voldoende heeft meegewogen en gemotiveerd waarom het belang van de samenleving prevaleert. De justitiële documentatie toont aan dat eiser ook na de aanvraag nog in aanraking is gekomen met justitie. De rechtbank wijst erop dat eiser in de toekomst opnieuw een aanvraag kan doen indien hij langere tijd geen justitiële contacten heeft. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een VOG wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/283

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. M.J.W. van den Kieboom).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van de gevraagde VOG. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 30 april 2024 een aanvraag ingediend voor een VOG voor het verkrijgen van de chauffeurskaart in de taxibranche. De staatssecretaris heeft deze aanvraag beoordeeld en eiser met de brief van 24 juni 2024 op de hoogte gesteld van het voornemen om hem geen VOG te geven. Eiser heeft op het voornemen gereageerd. De staatssecretaris heeft met het besluit van 19 augustus 2024 de aanvraag afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 20 december 2024 is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. De gemachtigde van eiser is waargenomen door mr. L.F.M. Meles.

Beoordeling door de rechtbank

Hoe is de staatssecretaris tot zijn besluit gekomen?
3. Eiser heeft een VOG aangevraagd met als doel het verkrijgen van de chauffeurskaart bij KIWA Register B.V. Daarbij is het screeningsprofiel ‘65 Taxibranche; chauffeurskaart’ aangegeven.
3.1.
De staatssecretaris heeft beoordeeld of er een risico is voor de samenleving, als eiser in aanraking is geweest met justitie en het strafbare feit herhaalt. Hij kijkt daarbij naar het tijdsverloop, hoe vaak eiser te maken had met justitie en waarvoor, hoe hoog de straf was en waarom eiser een VOG wil. De staatssecretaris hanteert daarbij een terugkijktermijn van 5 jaar. Omdat eiser in de gevangenis zat of onder toezicht van justitie stond in de periode van 4 mei 2018 tot en met 19 juli 2018 en van 29 november 2022 tot en met 31 mei 2023, is de terugkijktermijn verlengd met 182 dagen. De staatssecretaris is bij zijn besluit uitgegaan van de volgende strafbare feiten.
  • Op 25 november 2024 heeft eiser volgens registratie in het JDS niet voldaan aan de rijbewijsplicht (artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994). Deze zaak staat nog open.
  • Bij strafbeschikking van 12 juli 2024 is aan eiser een geldboete opgelegd van € 420 wegens als bestuurder onverzekerd rijden (artikel 30, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen).
  • Op 11 juni 2024 is een zaak jegens eiser geseponeerd vanwege gering aandeel in het feit wegens het verlaten van de plaats na een aanrijding (artikel 7, eerste lid ahf/ond a en b Wegenverkeerswet 1994).
  • Bij strafbeschikking van 26 februari 2024 is aan eiser een geldboete opgelegd van
€ 420 wegens het overtreden van artikel 43, derde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Hiertegen heeft eiser verzet ingesteld.
- Bij strafbeschikking van 6 december 2023 is aan eiser een geldboete opgelegd van
€ 260 omdat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden (artikel 62 Reglement Pro verkeersregels en verkeerstekens 1990).
  • Bij strafbeschikking van 28 september 2022 is aan eiser een geldboete opgelegd van € 370 wegens niet voldoen aan de rijbewijsplicht (artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994).
  • Op 22 juni 2022 is eiser in België veroordeeld wegens:
o feit 1 "sécurité sociale des travailleurs salaries : declaration immédiate de
Templol";
o feit 2 "Infraction en matière d'occupation de travailleurs de nationalité étrangère";
o feit 3 "sécurité sociale des travailleurs salaries : cotisations patronales : infraction en matière de declaration";
o feit 4 "infraction en matière de rémunération des travailleurs : cession de
rémunération”en
feit 5 "traite des êtres humains , afin de permettre la commission contre cette personne des infractions prévues aux articles 379, 380, paragraphe Ier et paragraphe 4, et 383 bis,paragraphe Ier par une personne qui a autorité sur la victime, ou par une personne qui a abusé de l'autorité ou des facilités que lui confèrent ses fonctions par l'usage de manoeuvres frauduleuses, de violence, de menaces ou d'..."
tot confiscatie, verbod om een bepaald recht of een bepaalde functie uit te oefenen voor de duur van vijf jaren, een boete van € 12.000 subsidiair drie maanden gevangenisstraf en een gevangenisstraf van twee jaren. Deze uitspraak is op 26 december 2022 onherroepelijk geworden.
- Van 16 maart 2021 tot en met 28 april 2022 is eiser volgens registratie in het JDS met politie/justitie in aanraking gekomen wegens:
o feit 1: het medeplegen van mensenhandel (niet seksueel) (artikel 273f, eerste lid, ahf/sub 1⁰, 4⁰, 6⁰ en derde lid, ahf/sub 1⁰ juncto artikel 47, eerste lid ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht);
o feit 2: het toegang verschaffen aan ongewenste vreemdelingen (artikel 197 a, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht);
o feit 3: het toegang verschaffen aan ongewenste vreemdelingen (artikel 197 a, tweede en vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht);
o feit 4: een ongewenste vreemdeling arbeid laten verrichten (artikel 197b en c, van het Wetboek van Strafrecht). Deze zaak staat nog open.
- Eiser is op 9 juni 2021 in België veroordeeld wegens:
o feit 1: non titulaire permis de conduire;
o feit 2: police de la circulation routière et usage de la voie publique : passagers/nombre d'occupants en
o feit 3: immatriculation des véhicules : véhicule non immatriculé/ personne
reside en Belgique
tot een boete van € 1.600 subsidiair 100 dagen schorsing van het rijbewijs en een boete van € 240 subsidiair 30 dagen schorsing van het rijbewijs. Deze uitspraak is inmiddels onherroepelijk geworden.
3.2.
De staatssecretaris is van mening dat er een risico voor de samenleving is als aan eiser een VOG wordt afgegeven. Als taxichauffeur moet eiser zorgen voor de veiligheid van zijn klant(en) en hun geld en spullen. Eiser is vaker in aanraking geweest met justitie: omdat hij zich niet aan de verkeersregels heeft gehouden, omdat zijn rijbewijs niet in orde was, omdat hij fraude heeft gepleegd in het buitenland en omdat hij verdacht wordt van het medeplegen van mensenhandel, het toegang verschaffen aan ongewenste vreemdelingen en het laten verrichten van arbeid door een ongewenste vreemdeling. Volgens de staatssecretaris bestaan de volgende risico’s: het risico dat eiser zijn werk op een verkeerde manier gebruikt om zichzelf of anderen financieel beter te maken, het risico dat eiser de administratie niet goed doet en dit nadelig is voor klanten of werkgever, het risico dat eisers klanten in aanraking komen met mensenhandel en hiervan het slachtoffer worden, en het risico dat eiser zijn functie misbruikt om zichzelf financieel te bevoordelen.
Wat is het toetsingskader?
4. Wanneer de aanvrager van een VOG in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van een objectief en een subjectief criterium. Met het objectieve criterium wordt beoordeeld of de aangetroffen justitiële gegevens binnen de geldende terugkijktermijn, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak, dan wel bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. In beginsel wordt de afgifte van de VOG geweigerd als voldaan wordt aan het objectieve criterium. [1] Bij het subjectieve criterium wordt beoordeeld of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het eerder genoemde risico voor de samenleving. Als dat zo is, wordt de VOG afgegeven, ook al wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij de toepassing van het subjectieve criterium worden als relevante omstandigheden betrokken de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. Bij de beoordeling van een aanvraag om afgifte van een VOG worden door de staatssecretaris de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (de beleidsregels), zoals deze golden ten tijde van het bestreden besluit.
Het objectieve criterium
5. Tussen partijen is niet in geschil dat aan het objectieve criterium wordt voldaan. Wel heeft eiser op zitting de kanttekening geplaatst dat er in het voornemen onjuiste informatie staat, omdat daarin is opgenomen dat uit de registratie JDS blijkt dat eiser op
24 augustus 2023 in aanraking is gekomen met politie/justitie. Op 16 april 2024 heeft hieromtrent een beleidssepot plaatsgevonden. Tegen dit beleidssepot is eiser opgekomen en dit heeft geleid tot het wijzigen van de sepotcode naar code 2 (geen bewijs). Volgens eiser mag dit feit dan ook niet langer meegenomen worden in het kader van het objectieve criterium. Ook is eiser het niet eens met de veroordeling in hoger beroep in België.
5.1.
Dat eiser het niet eens is met een tegen hem uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, betekent niet dat de staatssecretaris niet van deze veroordeling mocht uitgaan. Aan het objectieve criterium is voldaan, ook indien het geseponeerde feit wordt weggedacht. Dit betekent dat de staatssecretaris in beginsel de VOG mocht weigeren. Dit is alleen anders als het belang van eiser zwaarder weegt dan het belang van de samenleving. Op de vraag of dit zo is gaat de rechtbank hieronder in.
Het subjectieve criterium
6. Eiser betoogt dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Volgens eiser wordt niet gemotiveerd waarom rekening wordt gehouden met alle strafrechtelijke gegevens op zijn documentatie. Daarnaast voert eiser persoonlijke omstandigheden aan: eiser heeft eerder een horecabedrijf gehad en hij heeft een moeilijke periode achter de rug, waarbij zijn vertrouwen in zijn werknemers door hen is beschaamd en waarbij hij in de problemen is gekomen. Eiser wil nu een ander pad bewandelen en kiest daarom voor een andere baan om inkomen te generen, die van taxichauffeur. De werkzaamheden als taxichauffeur zijn de enige bron van inkomsten voor eiser en zijn drie (stief)kinderen. Het afwijzen van de VOG lijkt nu op een sanctie, terwijl juist het afgeven van de VOG ertoe zal leiden dat eiser in staat wordt gesteld zijn leven anders in te richten en eiser stappen vooruit kan maken in plaats van gedwongen in het verleden te blijven hangen.
6.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris eisers belangen in voldoende mate heeft meegewogen in zijn beoordeling. De staatssecretaris heeft voldoende gemotiveerd waarom hij deze belangen minder zwaar laat wegen dan het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving. De staatssecretaris heeft daarbij uitgelegd waarom er kennis is genomen van alle justitiële gegevens, ook als die buiten de terugkijktermijn zijn gelegen. Dit gebeurt op basis van paragraaf 3.1.1. van de beleidsregels. Daarin is opgenomen dat, áls er binnen de terugkijktermijn voor de aanvraag relevante justitiële gegevens worden gevonden, bij het beoordelen van de aanvraag ook naar andere relevante justitiële gegevens wordt gekeken, ook als die buiten de terugkijktermijn zijn gelegen. Daarmee ontstaat een beter beeld over het verleden van een aanvrager. De staatssecretaris heeft betrokken dat eiser stelt zijn leven te hebben gebeterd. De staatssecretaris stelt echter terecht dat eiser nog een weg heeft te gaan en ook na zijn aanvraag nog in aanraking is gekomen met justitie. Uit de justitiële documentatie van eiser volgt namelijk dat hij ook na zijn aanvraag nog is veroordeeld dan wel wordt verdacht van het plegen van meerdere strafbare feiten. Ondanks zijn intenties, zal eiser voor een langere periode moeten laten zien dat hij daadwerkelijk een bestaan kan opbouwen zonder hernieuwde contacten met justitie. De rechtbank begrijpt dat hij het beste wil voor zijn gezin. De staatssecretaris stelt zich echter in redelijkheid op het standpunt dat dit belang, in het licht van de eerdere veroordelingen en het belang van de samenleving, niet zwaarwegend genoeg is. Eiser kan bovendien ook werken aan een stabiel en schuldenvrij bestaan door ander werk te doen, waarvoor geen VOG is benodigd. Daarbij doet hij er verstandig aan elk justitieel contact in de toekomst te vermijden.
6.2.
De rechtbank wijst erop dat het voorgaande niet betekent dat eiser nooit een VOG zal kunnen krijgen. Als eiser gedurende een langere periode laat zien dat hij niet meer met justitie in aanraking komt, kan hij een nieuwe aanvraag doen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie paragraaf 3.1.3. Het objectieve criterium van de beleidsregels.