ECLI:NL:RBGEL:2026:1650

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
12063000 VV EXPL 26-3
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 7:231 lid 2 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming en betaling huurachterstand na ontbinding huurovereenkomst wegens sluiting woning

Stichting De Goede Woning verhuurt sinds 2016 een woning aan de huurder. Op 29 september 2025 wordt door de burgemeester van Apeldoorn een sluiting van de woning gelast voor drie maanden op grond van artikel 13b Opiumwet. Naar aanleiding hiervan ontbindt De Goede Woning de huurovereenkomst buitengerechtelijk op 21 oktober 2025.

De huurder en zijn bewindvoerder verschijnen niet in de procedure, waarna verstek wordt verleend. De vordering van De Goede Woning betreft ontruiming van de woning en betaling van een huurachterstand van €6.283,86 tot en met januari 2026.

De kantonrechter oordeelt dat de huurder zonder recht of titel in de woning verblijft en dat de huurachterstand een tekortkoming is die de ontbinding en ontruiming rechtvaardigt. De vordering wordt toegewezen, inclusief betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurder en bewindvoerder worden veroordeeld tot ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 12063000 \ VV EXPL 26-3
Vonnis in kort geding van 26 februari 2026
in de zaak van
STICHTING DE GOEDE WONING,
te Apeldoorn,
eisende partij,
hierna te noemen: DGW,
gemachtigde: mr. M.J. Seijbel,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaatsnaam] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2] ,in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan
[gedaagde 1],
hierna te noemen: de bewindvoerder,
te [plaatsnaam] ,
gedaagde partijen,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 februari 2026,
- de mondelinge behandeling van 17 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagde(n).

2.De feiten

2.1.
DGW verhuurt sinds 7 april 2016 aan [gedaagde 1] de woning met kelderbox aan [adres] te [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde).
2.2.
Op 29 september 2025 ontvangt DGW een brief van de burgemeester van de gemeente Apeldoorn (hierna: de burgemeester) waarin de sluiting van het gehuurde wordt gelast voor de duur van drie maanden met ingang van 17 oktober 2025 op grond van artikel 13b Opiumwet.
2.3.
Bij brief van 21 oktober 2025 heeft DGW de huurovereenkomst met [gedaagde 1] buitengerechtelijk ontbonden op grond van het bepaalde in artikel 7:231 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW).

3.Het geschil

3.1.
DGW vordert – samengevat – dat de bewindvoerder en [gedaagde 1] worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde aan [adres] te [plaatsnaam] en betaling van de huurachterstand met veroordeling van de bewindvoerder en [gedaagde 1] in de proceskosten .
3.2.
DGW legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] nu zonder recht of titel in de woning verblijft omdat de huurovereenkomst is ontbonden na de burgemeesterssluiting. Verder geldt dat [gedaagde 1] een huurachterstand tot en met januari 2026 heeft laten ontstaan van € 6.283,86. [gedaagde 1] schiet hiermee tekort in de nakoming van zijn verbintenissen uit de huurovereenkomst. Deze tekortkomingen zijn dermate ernstig dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst en vooruitlopend daarop, de gevorderde ontruiming, rechtvaardigen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde 1] en de bewindvoerder zijn niet in de procedure verschenen. De kantonrechter constateert dat de exploten van dagvaarding correct zijn betekend en dat verder ook aan alle formaliteiten is voldaan. Tegen [gedaagde 1] en de bewindvoerder wordt daarom verstek verleend.
4.2.
Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de aard van de vordering en de stellingen van DGW.
4.3.
DGW heeft haar vordering bij gelegenheid van de mondeling behandeling verder toegelicht. De vordering zal, nu deze niet is weersproken en deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, worden toegewezen.
4.4.
[gedaagde 1] en de bewindvoerder worden in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DGW worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
307,53
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.167,53
4.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 2] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van de onder bewind gestelde goederen die (zullen) toebehoren aan [gedaagde 1] , om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, de woning met onroerende aanhorigheden gelegen aan het [adres] , gemeente Apeldoorn, met al het zijne en de zijnen (van [gedaagde 1] ) en met alle goederen die geen eigendom zijn van De Goede Woning te ontruimen, te verlaten en ontruimd te laten en schoon, zonder schade en onder afgifte van alle sleutels ter vrije beschikking van De Goede woning te stellen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] , althans [gedaagde 2] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van de onder bewind gestelde goederen die (zullen) toebehoren aan [gedaagde 1] , om aan DGW te betalen de tot en met januari 2026 bestaande huurachterstand, respectievelijk gebruiksvergoeding van € 6.283,86,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van de onder bewind gestelde goederen die (zullen) toebehoren aan [gedaagde 1] , om over de periode vanaf 1 februari 2026 en tot de dag der ontruiming aan DGW te betalen de voorheen als huurpenningen bedoelde maandelijkse termijn van thans € 891,01 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata (te weten vanaf de eerste van de maand per respectievelijke maandelijkse termijn) tot en met de dag der algehele voldoening,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] , althans [gedaagde 2] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van de onder bewind gestelde goederen die (zullen) toebehoren aan [gedaagde 1] , in de proceskosten van € 1.167,53, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] , althans [gedaagde 2] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder, niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op
26 februari 2026.
(LL)