ECLI:NL:RBGEL:2026:1577

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
462170
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot verwijdering transformatorstation wegens voortduren gebruiksrecht

Eiser vordert in kort geding de verwijdering van een transformatorstation dat sinds 1966 op haar perceel staat, stellende dat Liander geen recht meer heeft het station daar te plaatsen. Liander overlegt een vergunning uit 1966 die een gebruiksrecht voor onbepaalde tijd verleent.

De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst een duurovereenkomst betreft die niet zonder meer opzegbaar is en dat eiser geen voldoende zwaarwegende grond heeft gesteld voor opzegging. De brief van eiser uit 2025 en eerdere contacten vormen geen ondubbelzinnige opzegging.

Verder is aannemelijk dat verplaatsing buiten het perceel technisch niet haalbaar is en dat het station ook stroom levert aan tientallen huishoudens. De vordering tot verwijdering wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot verwijdering van het transformatorstation wordt afgewezen omdat het gebruiksrecht van Liander nog steeds geldig is.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/462170 / KG ZA 26-40
Vonnis in kort geding van 24 februari 2026
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[naam eisend bedrijf] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaten: mrs. J.K.S. Verhoek en F. Stolp,
tegen
de naamloze vennootschap
LIANDER N.V.,
gevestigd te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Liander,
advocaat: mr. R.L. Fabritius.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 34
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4 van de zijde van Liander
- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiser] .
1.2.
Hierna is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Op het perceel van [eiser] aan de [adres] te [vestigingsplaats] (hierna: het perceel) bevindt zich een transformatorstation van Liander.
2.2.
In 2017 heeft [eiser] het plan opgevat om het deel van het perceel waar het transformatorstation staat op te hogen en op het perceel een nieuwe loods te plaatsen. Om dit mogelijk te maken, moest het transformatorstation worden verplaatst. [eiser] is daarover in 2017 (telefonisch) in contact getreden met Liander, maar dat contact heeft op dat moment niet tot enig resultaat geleid.
2.3.
[eiser] heeft ervoor gekozen om in 2023 toch met de uitvoering van de bouwwerkzaamheden van de loods te beginnen. De werkzaamheden zijn inmiddels vergevorderd, maar liggen al geruime tijd stil omdat voor afronding daarvan nog altijd noodzakelijk is dat eerst het transformatorstation wordt verplaatst.
2.4.
In 2023 heeft [eiser] daarover opnieuw contact gezocht met Liander. In dat jaar en ook in 2024 is regelmatig gecorrespondeerd over de mogelijkheden tot verplaatsing van het station. Op 14 maart 2024 is namens Liander schriftelijk akkoord gegeven voor het verplaatsen van het transformatorstation. Hoe die verplaatsing er feitelijk zou gaan uitzien, was op dat moment nog niet bekend.
2.5.
Onderzoek door Liander naar de mogelijkheid van een verplaatsing van het transformatorstation buiten het perceel van [eiser] had tot dat moment niets opgeleverd. Om de verplaatsing te bespoedigen, is tussen partijen medio 2024 daarom de mogelijkheid besproken van verplaatsing van het station binnen het perceel van [eiser] . Liander vond dit op zichzelf een reële mogelijkheid, indien [eiser] Liander voor de aanwezigheid van het nieuwe transformatorstation een recht van opstal voor onbepaalde tijd zou verlenen. [eiser] was echter alleen bereid akkoord te gaan met verplaatsing op haar eigen perceel in ruil voor een tijdelijk recht van opstal voor de duur van vijf jaar. In die vijf jaar zou Liander dan naar een alternatieve locatie buiten het perceel van [eiser] kunnen zoeken, waarna definitieve verplaatsing zou plaatsvinden.
2.6.
Partijen komen dat jaar niet verder en ook in de eerste negen maanden van 2025 bestond nog geen concreet zicht op verplaatsing van het transformatorstation. Bij brief van
9 oktober 2025 aan Liander heeft (de advocaat van) [eiser] het standpunt ingenomen dat het transformatorstation zonder recht of titel op het perceel van [eiser] staat en heeft zij Liander verzocht om schriftelijk te bevestigen:
‘1. Dat zij instemt met een tijdelijke regeling en dat zij op korte termijn een concreet en uitvoerbaar plan zal presenteren voor (tijdelijke dan wel definitieve) verplaatsing van het transformatorstation, inclusief een redelijke termijn voor uitvoering;
2. Binnen dezelfde termijn schriftelijk te bevestigen dat Liander alle kosten van verplaatsing en herstel voor haar rekening zal nemen;
3. Over te gaan tot overleg met cliënte over een redelijke schadevergoeding wegens de vertraging en de schade die zij dientengevolge heeft geleden.’
2.7.
Namens Liander is daarop bij e-mailbericht van 23 oktober 2025 aan de advocaat van [eiser] gereageerd dat het voor Liander van groot belang is dat het transformatorstation duurzaam (langdurig) geplaatst kan worden op het perceel van [eiser] , omdat verplaatsing naar een plek buiten dat perceel technisch niet haalbaar is gezien de openbare ruimte ter plaatse. Verder heeft Liander opgemerkt dat een transformatorstation niet ‘stiekem’ wordt geplaatst en er dus in het verleden ooit toestemming zal zijn verleend voor de plaatsing ervan.
2.8.
Partijen hebben in de periode daarna getracht het eens te worden over verplaatsing van het transformatorstation, maar dat is tot op heden niet gelukt.
2.9.
Op 6 februari 2026 heeft Liander in deze kort gedingprocedure een productie overgelegd, waaruit blijkt dat het transformatorstation in 1966 is geplaatst en dat de heer [eiser] in 1966 een vergunning aan (de rechtsvoorganger van) Liander heeft afgegeven, die luidt:
‘De ondergetekende, [eiser] , [adres] te [vestigingsplaats] , verleent bij deze van nu af en voor ten minste vijfentwintig jaren, zo voor zich als voor zijn rechtverkrijgenden, zowel onder algemene als bijzondere titel, vergunning aan de Stedelijke Fabrieken van Gas en Electriciteit te Leiden, tot het plaatsen, hebben, onderhouden en wegnemen van een transformatorstation op, alsmede het leggen, hebben, onderhouden en wegnemen van de benodigde hoog- en laagspanningskabels in zijn terrein, gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend onder [kadasternummer] , in de gemeente [gemeentenaam] .
(…)’

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Liander te veroordelen om, binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis, het op het perceel staande transformatorstation volledig te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een door Liander te verbeuren dwangsom van € 5.000,00 per (gedeelte van een) dag dat zij in gebreke blijft om aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 200.000,00;
II. Liander te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Liander voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
3.3.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
[eiser] heeft voldoende spoedeisend belang bij de door haar ingestelde vordering. Vaststaat dat de kwestie rondom de verplaatsing van het transformatorstation al een aantal jaren loopt en dat [eiser] al geruime tijd niet verder kan met de bouw van haar nieuwe loods. Daarmee is het spoedeisend belang van Van [eiser] voldoende gegeven, zodat hierna tot de inhoudelijke behandeling en beoordeling van haar vordering zal worden overgegaan.
4.3.
[eiser] vordert in dit kort geding verwijdering van het transformatorstation dat zich op haar perceel bevindt, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis. [eiser] ging er bij aanvang van dit geding vanuit dat het transformatorstation van Liander zonder recht of titel op haar perceel staat en dat zij deze inbreuk op haar eigendomsrecht niet hoeft te tolereren. Vanaf het moment dat Liander bij conclusie van antwoord in dit kort geding de vergunning heeft overgelegd waaruit blijkt dat aan Liander een gebruiksrecht is verleend voor de aanwezigheid van het station op haar perceel, stelt [eiser] zich op het standpunt dat dit gebruiksrecht door haar rechtsgeldig is opgezegd zodat haar vordering alsnog voor toewijzing gereed ligt. Liander betwist dat sprake is van een rechtsgeldige opzegging, zodat het gebruiksrecht nog altijd voortduurt en geen grond bestaat voor verwijdering van het transformatorstation.
4.4.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vaststaat dat aan Liander in 1966 een gebruiksrecht is verleend voor de aanwezigheid van het transformatorstation op het perceel van [eiser] . Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overeenkomst die na ommekomst van de eerste vijfentwintig jaar voor onbepaalde tijd is verlengd en die kwalificeert als een duurovereenkomst. Of en, zo ja, onder welke voorwaarden een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, zoals in deze zaak het geval is, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van artikel 6:248 lid 1 BW Pro kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. [1]
4.5.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de duurovereenkomst tussen partijen zodanig van aard en inhoud is, dat deze niet zonder meer opzegbaar is. Daarvoor is van belang dat sprake is van een overeenkomst op basis waarvan het Liander op dit moment reeds 60 jaar is toegestaan op het perceel van [eiser] een transformatorstation aanwezig te hebben, op de exacte locatie waar dit station zich ook nu nog bevindt. Liander heeft in het kader van dit kort geding daarnaast voldoende aannemelijk gemaakt dat een reële mogelijkheid tot verplaatsing van het transformatorstation buiten het perceel van [eiser] op dit moment niet wordt gezien, vanwege (i) de afwezigheid van openbare ruimte in de omgeving, (ii) de beperkingen die het landschap in de omgeving met zich brengt voor het verrichten van de voor verplaatsing noodzakelijke bouwactiviteiten en (iii) de elektrotechnische redenen die maken dat het station in diens huidige vorm niet meer dan enkele meters van de huidige locatie kan worden verplaatst om naar behoren te kunnen worden blijven gebruikt. Nu het transformatorstation verder naast de jachtwerf zelf ook circa 44 huishoudens in de nabije omgeving van stroom voorziet, moet het ervoor worden gehouden dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in samenhang bezien met de specifieke omstandigheden van dit geval meebrengen dat opzegging van de duurovereenkomst slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat.
4.6.
[eiser] betoogt in de eerste plaats dat zij de overeenkomst impliciet heeft opgezegd in 2017 door haar verzoek aan Liander om het transformatorstation te verplaatsen. Hoewel partijen het erover eens zijn dat in 2017 weliswaar het eerste contact tussen partijen heeft plaatsgevonden over de wens van [eiser] tot verplaatsing van het transformatorstation, kan daaruit geen ondubbelzinnige opzegging van het gebruiksrecht worden afgeleid. Vast staat dat [eiser] op dat moment niet bekend was met het gevestigde gebruiksrecht. Dat [eiser] aan Liander duidelijk heeft gemaakt dat zij het gebruik van haar perceel niet langer wenste te dulden, is door Liander gemotiveerd betwist en bij gebreke van een onderbouwing dan ook niet aannemelijk geworden. Ook de latere toezegging van Liander in maart 2024 om akkoord te gaan met verplaatsing van het transformatorstation, impliceert niet dat het gebruik ervan werd opgezegd en het station niet langer op het perceel kon worden geplaatst. Er is ook gesproken over verplaatsing naar een andere locatie op het perceel van [eiser] .
4.7.
De stelling van [eiser] dat opzegging dan in ieder geval expliciet heeft plaatsgevonden bij brief van (de advocaat van) [eiser] aan Liander van
9 oktober 2025, wordt evenmin gevolgd. In deze brief, hiervoor gedeeltelijk geciteerd in rov. 2.6., wordt van Liander feitelijk verlangd dat zij op korte termijn meewerkt aan verplaatsing van het transformatorstation. Ook in die brief ging [eiser] niet uit van een gebruiksrecht, maar van de situatie dat ten behoeve van het transformatorstation geen zakelijk recht was gevestigd, noch dat daartoe enige overeenkomst was aangegaan. Uit de inhoud van de brief kan dan ook, impliciet noch expliciet, een (ondubbelzinnige) opzegging van het gebruiksrecht worden afgeleid.
4.8.
Ten slotte wordt overwogen dat [eiser] niet heeft gesteld dat in dat geval de dagvaarding met de vordering tot verwijdering van het transformatorstation als rechtsgeldige opzegging moet worden aangemerkt. Noch daargelaten de vraag of de dagvaarding, waarin door [eiser] nog altijd wordt uitgegaan van een gebruik door Liander van het perceel van [eiser] zonder recht of titel, kwalificeert als een opzegging van het gebruiksrecht, moet worden geconstateerd dat die opzegging in ieder geval niet voldoet aan de vereisten die in dit geval voor een rechtsgeldige opzegging gelden. Van een zwaarwegende grond voor opzegging is niet gebleken. [eiser] heeft ter zitting immers erkend dat het voor het afbouwen van de loods niet noodzakelijk is dat het transformatorstation van haar perceel wordt verwijderd, maar dat op zichzelf kan worden volstaan met verplaatsing ervan naar een andere locatie op het perceel. Daarbij komt dat de termijn die uit de dagvaarding zou volgen zodanig kort is dat deze niet kwalificeert als de in rov. 4.4. bedoelde opzegtermijn.
4.9.
Bij deze stand van zaken moet het er voorshands geoordeeld dan ook voor worden gehouden dat de duurovereenkomst die tussen partijen sinds 1966 van kracht is op dit moment niet rechtsgeldig is opgezegd en dus nog altijd voortduurt. Dat betekent dat Liander (nog altijd) een geldig gebruiksrecht heeft voor de aanwezigheid van het transformatorstation op het perceel van [eiser] . Daarvan uitgaande, bestaat op dit moment geen grond voor verwijdering van het station, reden waarom de daartoe strekkende vordering zal worden afgewezen.
4.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Liander worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.H.J. Krijnen in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2018:141, rov. 3.6.2.