De zaak betreft een vordering van eiser 1 en eiser 2 om eiser 2 als medehuurder te erkennen van een standplaats met woonwagen, verhuurd door Veluwonen. De kern van het geschil is of eiser 2 ten minste twee jaar zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad en of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Eiser 2 was sinds 2017 hoofdhuurder van een andere standplaats en heeft zich pas in januari 2020 ingeschreven op het adres van het gehuurde. Veluwonen stelde dat eiser 2 ondanks inschrijving elders zijn hoofdverblijf had, wat niet voldoende is weerlegd door eisers. De rechtbank concludeerde dat eiser 2 niet eerder dan 31 mei 2024 zijn hoofdverblijf in het gehuurde had, waardoor de vereiste termijn van twee jaar niet is voltooid.
De rechtbank hoefde daardoor niet te oordelen over de duurzame gemeenschappelijke huishouding. De vordering werd afgewezen en eisers werden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank gaf aan dat een nieuw verzoek na 30 mei 2026 mogelijk is, mits voldoende bewijs wordt geleverd over de gemeenschappelijke huishouding en kostenverdeling.