ECLI:NL:RBGEL:2026:1551

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
442215
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:63 lid 1 BWArt. 4:63 lid 2 BWArt. 4:65 BWArt. 4:67 BWArt. 4:69 lid 1 onder b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omvang legitieme portie in nalatenschap na onterving en testamentaire bepalingen

De zaak betreft de vaststelling van de omvang van de legitieme portie van eiser, die door erflater onterfd is maar aanspraak maakt op zijn legitieme portie uit de nalatenschap. Erflater had in zijn testament diverse bepalingen opgenomen, waaronder uitsluiting van eiser als erfgenaam, een legaat, en een afvullegaat ten behoeve van de echtgenote.

De rechtbank beoordeelde de waarde van de nalatenschap, inclusief onroerend goed, roerende zaken, contanten en schulden, en concludeerde dat de legitimaire massa €624.482 bedraagt, exclusief mogelijke belastingverminderingen. De legitieme portie van eiser is vastgesteld op 1/6 deel hiervan, oftewel €104.080,33, te vermeerderen met een deel van eventuele belastingverminderingen.

Vorderingen van eiser tot vergoeding van vermeende giften aan de andere erfgenaam en tot vestiging van een hypotheek werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs en onbepaaldheid. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De legitieme portie wordt vastgesteld op €104.080,33 plus een deel van belastingverminderingen; overige vorderingen worden afgewezen en proceskosten gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/442215 / HZ ZA 24-344
vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiser in conventie ],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conventie ] ,
advocaat: mr. H.C.J. Coumou,
tegen
1.
[naam executeur] , zowel in haar hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [gedaagde in conventie 1] als in privé,
wonende in [woonplaats] ,
2.
[gedaagde in conventie 2],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden in conventie] ,
advocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 13 augustus 2025
- het vonnis van 17 september 2025
- de akte reactie eiswijziging, tevens houdende overlegging producties van de zijde van [gedaagden in conventie]
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 december 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 8 mei 2023 is overleden de heer [gedaagde in conventie 1] (hierna: erflater). Moeder
was ten tijde van het overlijden zijn echtgenote. [gedaagde in conventie 2] en [eiser in conventie ] zijn de zoons van erflater.
2.2.
Erflater heeft bij testament van 7 december 2022 over zijn nalatenschap beschikt.
Daarbij heeft hij [eiser in conventie ] en diens afstammelingen uitgesloten als erfgenaam, en [gedaagden in conventie] benoemd als enige erfgenamen. Vervolgens heeft erflater in zijn testament aan [eiser in conventie ] een bedrag gelegateerd. Het legaat luidt - voor zover relevant - als volgt:
“Voor het geval ik mocht komen te overlijden voor mijn echtgenote, legateer ik mijn zoon de heer [eiser in conventie ] , voornoemd, met inachtneming van de wettelijke regels van plaatsvervulling een bedrag aan contanten groot gelijk aan de vordering die mijn andere zoon de heer [gedaagde in conventie 2] , voornoemd, naar aanleiding van mijn overlijden op mijn echtgenote heeft verkregen. Deze vordering zal dezelfde rente dragen die de vordering van mijn ander zoon zal dragen en deze vordering is in dezelfde gevallen opeisbaar als de vorderingen van mijn andere zoon opeisbaar zal zijn.
Op het legaat aan mijn zoon de heer [eiser in conventie ] , voornoemd zijn voor zover mogelijk alle bepalingen van toepassing die ook op de vorderingen van mijn andere zoon van toepassing zijn.”
2.3.
In het testament is moeder benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder
van de nalatenschap. Moeder heeft haar benoeming tot executeur en afwikkelings-bewindvoerder aanvaard.
2.4.
Verder heeft erflater in het testament een zogenoemd afvullegaat opgenomen, waarvan de tekst als volgt luidt:
“Opschortend, nadat de rente vaststaat op basis van hetgeen door mij als uitgangspunt is bepaald dan wel op basis van de renteovereenkomst in de zin van artikel 1 lid 3 Successiewet Pro 1956 dan wel nadat de (gedeeltelijke) aanvaarding/verwerping van het voorwaardelijke vruchtgebruik heeft plaatsgevonden legateer ik alsnog aanvullend (boven op erfdelen of een (civielrechtelijk) vruchtgebruik)legaat) aan mijn echtgenote een zodanig bedrag dat van een (ideale) successierechtelijke spreiding sprake is, waarbij gelijke marginale tarieven gelden voor mijn echtgenote en mijn kinderen en waarbij de waarde van de verkrijging van mijn echtgenote geminimaliseerd wordt onder handhaving van de gelijkheid van de marginale tarieven”.
2.5.
In het testament komen daarnaast nog onder meer de volgende bepalingen voor:

Niet-opeisbaarheid
Ik bepaal ten behoeve van mijn echtgenote dat eventuele ten laste van haar komende vorderingen terzake van de legitieme portie eerst opeisbaar zijn nadat zij overleden dan wel in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling geniet of ten aanzien van haar de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard.
Inkortingsvolgorde en aanwas
Voor het geval één of meer legitimarissen aanspraak op hun legitieme portie maken zal de inkorting in afwijking van het bepaalde in artikel 4:87 van Pro het Burgerlijk Wetboek in eerste instantie plaatsvinden bij mijn echtgenote. Een gedeelte van het door de verwerping vrijkomend erfdeel wast aan bij mijn echtgenote dan wel benoem ik mijn echtgenote voor dat gedeelte tot erfgename. Dit gedeelte heeft een zodanige omvang dat de inkorting volledig bij mijn echtgenote kan plaatsvinden. Een alsdan eventueel resterend gedeelte zal aanwassen bij mijn overige erfgenamen naar evenredigheid van hun verkrijgingen.”
2.6.
Bij vonnis in incident van deze rechtbank van 13 augustus 2025 zijn moeder - in haar hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder en als erfgenaam - en [gedaagde in conventie 2] veroordeeld om (zo mogelijk met stukken onderbouwde) inlichtingen te verstrekken over de aard, omvang en tijdstippen van schenkingen, giften of tot begiftiging strekkende bevoordelingen door de erflater aan/van [gedaagde in conventie 2] , verband houdende met de:
a. a) koopprijs van perceel [kadasternummer] ,
b) pompinstallatie en wateropslag,
c) kosten en waardestijging in verband met bestemmingswijziging,
d) goodwill voor overname marktrechten,
e) inkoopwaarde gratis handelsvoorraad,
f) huisvesting personeel in huis oma,
g) roerende zaken/ bedrijfsinventaris.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser in conventie ] vordert na wijziging van eis - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
de legitimaire massa in de nalatenschap van erflater bepaalt en aan de hand daarvan de legitieme portie van [eiser in conventie ] vaststelt op een bedrag in contanten met de bepaling tot welk bedrag deze schuld dient te worden voldaan uit het deel van de nalatenschap waarover erflater niet heeft beschikt dan wel op de door erflater bepaalde volgorde van inkorting van de daarvoor vatbare giften;
[gedaagde in conventie 2] veroordeelt tot vergoeding aan [eiser in conventie ] in de hoofdzaak van de geldswaarden van bij hem ingekorte gedeelten van giften;
moeder in haar hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van erflater veroordeelt tot nakoming van de overeenkomst met [eiser in conventie ] door mee te werken aan de vestiging van een persoonlijke hypotheek van € 100.000 op de registergoederen aan [adres 1] , met de bepaling dat deze hypothecaire inschrijving in rang zal wisselen op verlangen van een in Nederland erkende bancaire instelling ten behoeve van een door deze kredietverstrekker te vestigen opeet-hypotheek van € 200.000;
moeder in haar hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van erflater veroordeelt in de proceskosten aan de zijde van [eiser in conventie ] , inclusief nasalaris, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
[gedaagden in conventie] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conventie ] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in conventie ] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagden in conventie] hebben aanvankelijk gevorderd dat de rechtbank het in opdracht van [eiser in conventie ] gelegde conservatoir beslag op de woning aan de [adres 1] in [plaatsnaam] in de gemeente [gemeentenaam] zal opheffen, [eiser in conventie ] zal veroordelen in de proceskosten en het vonnis ten aanzien van de opheffing van het beslag uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren. Zij hebben bij akte de vordering ter zake van het opheffen van het beslag ingetrokken.

4.De beoordeling

in conventie
het beroep van [eiser in conventie ] op de legitieme
4.1.
[eiser in conventie ] is afstammeling van erflater en is op grond van de wet als erfgenaam tot de nalatenschap van erflater geroepen, waardoor hij de status van legitimaris heeft [1] .
4.2.
[eiser in conventie ] is door erflater onterfd. Door een beroep op de legitieme te doen, wordt hij geen erfgenaam en ook niet betrokken bij de verdeling van de nalatenschap.
4.3.
De legitieme portie is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater, waarop de legitimaris in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak kan maken. [2] [eiser in conventie ] heeft daarmee een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen dan wel, wanneer de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 4:13 BW Pro, op de moeder. Dit volgt uit artikel 4:80 lid 1 BW Pro.
4.4.
Erflater heeft in zijn testament weliswaar de wettelijke verdeling als geregeld in afdeling 4.3.1. van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek geheel buiten toepassing gesteld (waaronder begrepen artikel 4:13 BW Pro), maar hij heeft moeder de last opgelegd om de nalatenschap te verdelen als ware er een wettelijke verdeling en inhoudelijk overeenkomend met de wettelijke verdeling. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat [eiser in conventie ] ter zake van de legitieme slechts een vordering in geld heeft op moeder. Erflater heeft in zijn testament ook uitdrukkelijk bepaald dat eventuele ten laste van moeder komende vorderingen ter zake van de legitieme portie pas opeisbaar zijn nadat zij overleden is, dan wel in staat van faillissement is verklaard of surseance van betaling geniet of wanneer ten aanzien van haar de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard. Geen van deze omstandigheden doet zich hier voor.
4.5.
Het voorgaande betekent dat [eiser in conventie ] geen vordering heeft op [gedaagde in conventie 2] en dat de vordering die [eiser in conventie ] heeft op moeder op dit moment niet opeisbaar is. Wel heeft hij voldoende belang om te weten welke waarde zijn legitieme portie heeft.
4.6.
Op grond van het bepaalde in artikel 4:65 BW Pro wordt de legitieme portie berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder Pro a tot en met c en f. Buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder Pro i. zijn ontstaan, de zogeheten legitimaire massa.
4.7.
De legitimaire massa wordt gedeeld door het aantal achtergelaten personen. De legitieme portie van [eiser in conventie ] bedraagt - kort gezegd - de helft van dat bedrag. Aangezien erflater [eiser in conventie ] , [gedaagden in conventie] heeft achtergelaten, bedraagt de legitieme portie van [eiser in conventie ] de helft van 1/3, oftewel 1/6 van de legitimaire massa.
De legitimaire massa
4.8.
Om de hoogte van de legitieme portie van [eiser in conventie ] te kunnen bepalen, dient dus eerst de waarde van de legitimaire massa te worden vastgesteld. [gedaagden in conventie] hebben als productie 2 een opstelling in het geding gebracht van het vermogen van erflater en moeder samen op de sterfdatum van erflater. Ook [eiser in conventie ] neemt deze opstelling als uitgangspunt, zodat de rechtbank daarbij zal aansluiten. Hierna zal de rechtbank ingaan op de verschillende posten in die vermogensopstelling.
Bezittingen
Onroerend goed
4.9.
Het gaat hier om vier nader omschreven percelen, waaraan een totale waarde van
€ 1.648.194 wordt toegekend.
4.10.
[eiser in conventie ] kan zich vinden in de aan drie van de vier percelen toegekende waarde.
Hij is het niet eens met de waarde die is toegekend aan het perceel met kadastraal nummer [kadasternummer] . Dit perceel is tijdens leven van erflater aan [gedaagde in conventie 2] verkocht en na het overlijden geleverd. [eiser in conventie ] heeft onweersproken aangevoerd dat het perceel een oppervlakte heeft van 1.645 m². Het perceel is verkocht voor € 8.950. Dat komt neer op € 5,44 per m². Voor dit bedrag is het perceel opgenomen in de vermogensopstelling.
4.11.
[eiser in conventie ] stelt dat de waarde in het economisch verkeer van deze grond € 22,70 per m² is, waarmee de waarde het perceel uitkomt op € 37.341,10. Hij verwijst daarvoor naar het bedrag dat de buren van erflater voor het perceel met kadastraal nummer [kadasternummer] - ter grootte van 1.516 m² - hebben betaald, te weten € 35.000. Ook dit is tijdens leven van erflater verkocht en na die tijd geleverd.
4.12.
[gedaagden in conventie] hebben aangevoerd dat op de grond van perceel [kadasternummer] kassen hebben gestaan. De grond was vervuild met glasresten en sloopresten van het voormalige kassencomplex. Ook zat er olie in de grond. De prijs lag daarom lager dan de prijs voor de landbouwgrond die de buurman heeft gekocht.
4.13.
[eiser in conventie ] heeft bestreden dat er glas in de grond van perceel [kadasternummer] zat. Hij heeft niet betwist dat er olie in de grond zat. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om de waarde van perceel [kadasternummer] naar boven bij te stellen, ook omdat [eiser in conventie ] ter zitting heeft verklaard dat de grond officieel niet verkocht mocht worden omdat er asbest in de grond zat, wat [gedaagden in conventie] overigens hebben betwist. Dat er sprake was van (enige) vervuiling is daarmee voldoende komen vast te staan en in zijn algemeenheid heeft vervuiling een waardedrukkend effect. Daarbij komt dat notaris [notaris] in zijn e-mail aan [gedaagde in conventie 2] van 16 september 2025 het volgende heeft verklaard:
“De koopsom van de grond die u van uw moeder hebt gekocht is gebaseerd op overleg met de accountant. Daarin werd aangegeven dat de waard varieert tussen 5,50 en 7,50 euro per m². De koopsom is afhankelijk van de locatie en kwaliteit van de grond en overigens van de persoon van de koper.”
Mede gelet op deze verklaring van de notaris is er naar het oordeel van de rechtbank een zakelijke prijs afgesproken voor de grond en dus geen sprake van een door erflater aan [gedaagde in conventie 2] verstrekte gift. De koopsom van € 8.950 is niet door [gedaagde in conventie 2] betaald, maar is door erflater omgezet in een lening.
4.14.
Aan de onroerende zaken wordt overeenkomstig het vermogensoverzicht een waarde van in totaal € 1.648.194 toegekend.
Roerende zaken inclusief vervoermiddelen
4.15.
Partijen zijn het eens over een waarde van € 3.000 voor de inboedelgoederen en een waarde van in totaal € 67.450 voor in totaal zes vervoermiddelen [3] . De rechtbank zal van die waarden uitgaan.
Diverse roerende zaken meegenomen door [eiser in conventie ]
4.16.
heeft niet bestreden dat hij een aantal roerende zaken heeft meegenomen. Voor zover dit spullen van erflater waren en hij het daarmee niet eens zou zijn, is sprake van een onrechtmatige daad en dient [eiser in conventie ] de waarde van die zaken aan de nalatenschap te vergoeden of de zaken terug te geven. Partijen zijn het niet eens over de waarde van de roerende zaken. [gedaagden in conventie] gaan uit van een hogere waarde dan [eiser in conventie ] .
4.17.
[gedaagden in conventie] stellen dat [eiser in conventie ] zich de volgende roerende zaken van erflater en moeder met de volgende waarden heeft toegeëigend:
a. 520 m² klinkers € 4.420
b. hek € 1.000
c. dak € 500
d. lantaarns € 500
e. afdak € 4.500
f. DCM + schors € 3.900
g. tafels aluminium € 600
h. winkelkarren € 350
i. plantzuilen € 750
j. potten € 1.000
k. houtkachels € 500
l. kabels uit sloop weg € 350
m. stellingen achter kas € 3.000
n. hoog zand € 1.500
o. aanhanger € 1.000
p. BT heftruck € 2.000
4.18.
[gedaagden in conventie] stellen zich op het standpunt - zo begrijpt de rechtbank - dat het totaal van voormelde bedragen, € 25.870, door [eiser in conventie ] aan de nalatenschap van erflater dient te worden vergoed. Dit zou een vordering opleveren die meetelt bij de bepaling van de legitimaire massa.
4.19.
[eiser in conventie ] voert daartegenover het volgende aan:
- de waarde van de klinkers is € 4 per m² dus € 2.080.
- het hek en dak zijn hem onbekend
- de lantaarns kunnen op verzoek worden teruggegeven
- het afdak heeft [gedaagde in conventie 2] verkocht
- DCM en schors waren zijn eigendom en zijn ontvreemd
- de tafels kunnen op verzoek worden teruggegeven
- de winkelkarren liggen bij het oud ijzer, zijn niets waard
- de plantzuilen zijn gratis teruggekregen van de Julianatoren
- de potten bevinden zich bij [gedaagde in conventie 2]
- de houtkachels en de kabels zijn hem onbekend
- de stellingen staan bij [gedaagde in conventie 2] of zijn al door hem verkocht
- hoog zand is hem onbekend
- de aanhanger is ingeruild bij de aanschaf van een andere aanhangwagen waarbij de inruilkorting is vastgesteld op € 200
- de heftruck kan op verzoek worden teruggegeven.
4.20.
Ter zitting hebben [gedaagden in conventie] verklaard dat erflater de klinkers heeft laten wegvoeren. Daarom is er geen grondslag om de waarde van de klinkers ten laste van [eiser in conventie ] te brengen.
4.21.
[gedaagden in conventie] hebben erkend dat DCM en schors aan [eiser in conventie ] in eigendom toebehoorden. Daarom is er geen reden om de waarde daarvan ten laste van [eiser in conventie ] te brengen. Dat geldt ook voor de zaken waarvan [eiser in conventie ] heeft aangevoerd dat [gedaagden in conventie] deze desgewenst kunnen terugkrijgen.
4.22.
Ten aanzien van de zaken waarvan [eiser in conventie ] heeft gesteld dat deze hem onbekend zijn of dat hij ze niet heeft, hebben [gedaagden in conventie] niet nader onderbouwd dat dit niet juist is. De kale stelling dat [eiser in conventie ] deze zou hebben meegenomen is voldoende betwist. Daarom is er geen deugdelijke grondslag om de waarde daarvan ten laste van [eiser in conventie ] te brengen.
4.23.
Voor de winkelkarren en de plantzuilen hebben [gedaagden in conventie] de waarde tegenover de betwisting daarvan niet onderbouwd. De rechtbank zal daarom aan de winkelkarren en de plantzuilen geen waarde toekennen.
4.24.
Dit betekent dat enkel de waarde van de aanhanger in aanmerking komt. [gedaagden in conventie] hebben niet bestreden dat de waarde van de aanhanger moet worden gesteld op de inruilwaarde daarvan. Dit betekent dat [eiser in conventie ] in beginsel de waarde daarvan, € 200, naast een door hem als schuldig erkend bedrag van € 1.990 aan de nalatenschap moet vergoeden. Het totaalbedrag van € 2.190 wordt dus toegevoegd aan de legitimaire massa.
Contant geld en banktegoeden4.25. Tot het vermogen van erflater en moeder behoorden banksaldi van in totaal € 3.235 en € 500 aan contant geld. Aangezien partijen het hierover eens zijn, zal de rechtbank van deze bedragen uitgaan.
Schulden
Hypothecaire lening
4.26.
Partijen zijn het eens over een bedrag van € 73.022.
Belastingen
4.27.
Het gaat hierbij in elk geval om de volgende posten:
a. IB/PVV 2020 aanslag van € 178.848 ten name van moeder.
b. IB/PVV 2020 aanslag van € 176.969 ten name van erflater.
c. ZVW 2020 aanslag van € 1.258 ten name van moeder.
d. ZVW 2020 aanslag van € 2.672 ten name van vader.
e. Suppletieaangifte btw 2021 van € 4.422.
4.28.
[gedaagden in conventie] hebben toegelicht dat de belastingschulden betrekking hebben op het staken van het bedrijf van erflater en moeder. Zij wijzen er terecht op dat belastingschulden niet teniet gaan door de dood van erflater als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder Pro a BW. Belastingschulden worden dus meegenomen bij het bepalen van de omvang van de legitieme portie.
4.29.
Naar de rechtbank begrijpt, loopt er een bezwaarprocedure ter zake van de belastingaanslagen. Voor 2 december 2025 was een hoorzitting gepland, maar die is niet doorgegaan. [gedaagden in conventie] hebben ter zitting geen toelichting kunnen geven op grond waarvan zij verwachten dat de aanslagen verminderd zullen worden, maar klaarblijkelijk ziet de accountant, de heer [accountant] , kansen.
4.30.
Omdat het bezwaarschrift niet in het geding is gebracht, kan de rechtbank geen prognose geven over de afloop van de procedure. Hoewel daarmee niet geheel valt uit te sluiten dat de Belastingdienst de aanslagen zal verminderen, is er op dit moment geen concrete aanleiding de belastingschulden naar beneden bij te stellen. De rechtbank zal wel enige ruimte bieden en bepalen dat een vermindering van de belastingaanslagen doorwerkt in de omvang van de legitimaire massa doordat de helft van die vermindering (inclusief de helft van de vermindering van de belastingrente voor zover die betrekking heeft op de periode tot 8 mei 2023) moet worden bijgeteld.
4.31.
Ter zake van de btw-post heeft [eiser in conventie ] geen specifieke opmerkingen gemaakt. Daarom zal de rechtbank die post handhaven.
4.32.
Onder de post Belastingen is nog een aanslag ZVW van € 1.406 opgenomen. Dit bedrag betreft echter - zo staat in de vermogensopstelling vermeld - een terug te ontvangen bedrag over het jaar 2020. Dit bedrag zal zijn verrekend met de openstaande aanslagen ZVW over 2020 en vermindert in zoverre in ieder geval die schuld. Dat betekent dat de rechtbank de aanslagen ZVW 2020 meeneemt tot een bedrag van € 2.524. Voor zover na de bezwaarprocedure deze aanslagen verder worden verminderd, dient ook die vermindering voor de helft te worden bijgeteld bij de legitimaire massa.
4.33.
Onder de post Belastingen is tot slot een nota van accountant [accountant] van € 4.447 opgenomen. Deze nota (feitelijk voor € 4.446,75 en gericht tot de vof [bedrijf] ) dateert van 27 november 2023 en heeft betrekking op “
Voor u verrichte werkzaamheden tot en met 5 november 2023”. Volgens de nota hebben de werkzaamheden betrekking op het boekjaar 2021 en betreft dit onder meer op het opstellen van de jaarrekening over 2021. Hoewel de werkzaamheden dus betrekking hebben op 2021, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze (geheel of gedeeltelijk) voor het overlijden van erflater op 8 mei 2023 zijn verricht en evenmin dat erflater hier (voor zijn overlijden) opdracht toe heeft gegeven. Daarmee hebben [gedaagden in conventie] onvoldoende onderbouwd dat er een reden is de vordering van [accountant] aan te merken als schuld van erflater en moeder samen.
Schuld aan [eiser in conventie ] wegens waarde van ‘verloren’ goederen4.34. [eiser in conventie ] voert aan dat roerende zaken die zijn eigendom waren bij erflater aanwezig waren. Het waren veel zaken (onder meer pallets met handelsvoorraden, een partij dakplaten en een tuinmeubelset) met een waarde van in totaal € 25.870. Deze zaken zijn voor het overlijden van erflater weggeraakt. Om die reden heeft erflater een schuld aan hem en heeft hij een vordering op de nalatenschap van erflater. Volgens [eiser in conventie ] zijn [gedaagden in conventie] het erover eens dat er een schuld is, en is er enkel verschil van inzicht over de hoogte van die schuld.
4.35.
[gedaagden in conventie] betwisten dat zij het met [eiser in conventie ] eens waren over het bestaan van een schuld van erflater aan [eiser in conventie ] . [gedaagden in conventie] zijn van mening dat [eiser in conventie ] geen vordering heeft op de nalatenschap van erflater voor de waarde van bedoelde roerende zaken. Zij voeren daartoe aan dat erflater bij leven vele malen aan [eiser in conventie ] heeft gevraagd om zijn spullen op te halen en dat [eiser in conventie ] dat niet heeft gedaan. Uiteindelijk heeft erflater een termijn aan [eiser in conventie ] gesteld waarbinnen hij de zaken moest ophalen. Toen hij dat niet deed, heeft erflater de dakplaten verkocht en de overige zaken laten afvoeren.
4.36.
[eiser in conventie ] heeft weliswaar aangevoerd dat moeder zou hebben gezegd dat hij de spullen nog wel mocht laten staan, maar heeft op zich niet bestreden dat erflater een termijn had gesteld voor het ophalen van de spullen. Daarmee staat onvoldoende vast dat erflater onrechtmatig heeft gehandeld. Dit betekent dat het bedrag van € 25.870 niet als schuld van de nalatenschap zal worden aangemerkt. Overigens werkt dat in deze procedure dan weer in het voordeel van [eiser in conventie ] , omdat een extra schuld van de nalatenschap leidt tot een verkleining van de legitieme portie.
Slotsom ten aanzien van de bezittingen en schulden
4.37.
De bezittingen van erflater en moeder vertegenwoordigden ten tijde van het overlijden van erflater een waarde van in totaal € 1.724.569 (los van een eventuele vordering in verband met een teruggaaf van de Belastingdienst ter zake van de belastingaanslagen over 2020). Dit komt overeen met het bedrag zoals berekend in het vermogensoverzicht vermeerderd met € 200 voor de aanhanger [4] . De schulden van erflater en moeder vertegenwoordigden ten tijde van het overlijden van erflater een waarde van in totaal € 435.785. [5] Per saldo belopen de bezittingen en schulden dus € 1.288.784. De helft van dit bedrag behoort tot de nalatenschap, oftewel € 644.392.
Kosten van de uitvaart
4.38.
[eiser in conventie ] verenigt zich met het opgevoerde bedrag van € 19.910 voor kosten van de uitvaart. Na aftrek van dit bedrag resteert € 624.482.
Giften
4.39.
[eiser in conventie ] stelt dat er sprake is geweest van schenkingen en giften. Dit betreft de onderdelen die in overweging 2.5 zijn opgesomd. Ter zitting heeft [eiser in conventie ] zijn stellingen over de kosten van de bestemmingswijziging van de grond (onderdeel c), de inkoopwaarde van de voorraad (onderdeel e) en de huisvesting van de arbeiders (onderdeel f) niet langer gehandhaafd, zodat de rechtbank aan de eerdere stellingen van [eiser in conventie ] hierover voorbij zal gaan.
4.40.
Artikel 4:67 BW Pro regelt welke giften bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking worden genomen. Dat zijn onder meer de giften die zijn gedaan aan een afstammeling die legataris is.
4.41.
Onder een schenking wordt verstaan een overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt. [6] Onder een gift wordt verstaan iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. [7] Dat is in de regel een wat ruimer begrip dan “schenking”. Daarom zal de rechtbank hierna over giften spreken.
Gebruikelijke giften, voor zover zij niet bovenmatig waren, worden bij de berekening van de legitieme niet in aanmerking genomen. [8]
Perceel [kadasternummer]
4.42.
Zoals hiervoor is overwogen zijn erflater en [gedaagde in conventie 2] voor de verwerving van dit perceel een marktconforme prijs overeengekomen. Een bedoeling van erflater om [gedaagde in conventie 2] te bevoordelen is niet gebleken en van een gift is daarom geen sprake.
Pompinstallatie
4.43.
[eiser in conventie ] stelt dat [gedaagde in conventie 2] een stuk van zijn schuur over de erfgrens had gebouwd op de grond van erflater. Erflater heeft bij deze schuur op eigen kosten een waterput laten boren en een pomp met watertank geïnstalleerd. De waarde van deze investering schat [eiser in conventie ] op € 10.000. [gedaagde in conventie 2] profiteert hiervan, doordat hij de pompinstallatie met wateropslag zonder daarvoor iets te betalen heeft verkregen bij zijn latere verkrijging van het stuk grond.
4.44.
[gedaagden in conventie] hebben daartegenover aangevoerd dat de waterbron circa 30 jaar geleden is geslagen door erflater en moeder. De waterbron lag op hun perceel en ligt sinds de levering van perceel [kadasternummer] op de grond van [gedaagde in conventie 2] . De aankoop van deze strook grond, waardoor de perceelsgrens iets verschoof, hield verband met de positionering van de huidige bedrijfshal van [gedaagde in conventie 2] . De aankoop had niets te maken met de waterbron. [gedaagde in conventie 2] heeft zelf een aansluiting gemaakt op de waterbron. [eiser in conventie ] heeft die aansluiting onklaar gemaakt. Sinds de beëindiging van het tuincentrum in 2020 is de waterbron niet gebuikt. De installatie is vervolgens in verval geraakt als gevolg van roest en verstopte filters. [gedaagde in conventie 2] heeft de bron sinds april 2025 in gebruik genomen en heeft voor € 4.100 kosten gemaakt voor het herstel van de aansluiting op de waterbron. [gedaagden in conventie] bestrijden dat er sprake is van een gift van erflater aan [gedaagde in conventie 2] .
4.45.
[eiser in conventie ] heeft de beschrijving van de feitelijke gang van zaken niet bestreden. Aangezien bovendien de levering van perceel [kadasternummer] aan [gedaagde in conventie 2] pas na het overlijden van erflater heeft plaatsgevonden, valt niet in te zien dat [gedaagde in conventie 2] voordeel heeft gehad van het feit dat zich op het perceel een in onbruik geraakte pompinstallatie bevond. [gedaagde in conventie 2] is niet verrijkt, zodat van een gift dan ook geen sprake is.
Marktrechten
4.46.
[eiser in conventie ] stelt dat [gedaagde in conventie 2] van erflater en moeder uit het door erflater en moeder gevoerde bedrijf marktrechten heeft verkregen voor drie verschillende markten. Deze marktrechten bieden de houder het exclusieve recht om op de bewuste markt een kraam te exploiteren. De aan deze exploitatierechten gekoppelde goodwill vertegenwoordigt een financiële waarde, die onderdeel vormt van het vermogen van een onderneming.
4.47.
Partijen zijn het erover eens dat in ieder geval tegenwoordig indeplaatsstelling van een meewerkend kind op een marktplaats mogelijk is. [eiser in conventie ] stelt dat die situatie zich hier heeft voorgedaan en dat een dergelijk recht economisch op geld waardeerbaar is. Door [gedaagde in conventie 2] hiervoor niet te laten betalen, heeft erflater hem een voordeel gegund. Hierdoor is [gedaagde in conventie 2] fors verrijkt ten laste van het vermogen van erflater en moeder. De in deze (familie)bedrijfsovername besloten begiftiging telt volgens [eiser in conventie ] mee voor de legitimaire massa.
4.48.
[gedaagde in conventie 2] bestrijdt die gang van zaken en stelt ook dat in de tijd dat hij de marktrechten verkreeg die indeplaatsstelling nog niet mogelijk was. Hij heeft aangevoerd dat hij al vanaf 1999 of 2000 stond ingeschreven op de wachtlijsten van de gemeenten Epe en Zwolle. Toen erflater en moeder stopten met hun bedrijf, rond 2002 of 2003, kwam er in Zwolle een plaats vrij ten gunste van de bovenste kandidaat op de lijst en dat was hij. Op die manier heeft hij een vaste marktplaatsvergunning verkregen. Dit is ook met de marktplaats in Epe zo gegaan. [gedaagde in conventie 2] heeft zijn vergunningen voor die markten niet verkregen van erflater en moeder.
4.49.
Uit de inhoud van de correspondentie die [eiser in conventie ] als productie 33 heeft overgelegd blijkt dat op 23 december 2004 aan erflater een vergunning is verleend voor het laten waarnemen van zijn vaste plaats op de vrijdagmarkt in Zwolle door [gedaagde in conventie 2] . [gedaagde in conventie 2] stond op dat moment al op de wachtlijst voor de plaats van zijn ouders op de Zwolse vrijdagmarkt. [gedaagde in conventie 2] heeft op 25 oktober 2007 een marktplaatsvergunning voor de vrijdagmarkt in Zwolle verkregen. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij in eerste instantie niet op de plek van zijn ouders is gekomen, maar dat dat later het geval is geweest. [eiser in conventie ] heeft dit niet tegengesproken. [eiser in conventie ] heeft in het licht van de verklaring van [gedaagde in conventie 2] niet voldoende concrete feiten gesteld, wat maakt dat de rechtbank niet kan concluderen dat er ten aanzien van het verwerven door [gedaagde in conventie 2] van de marktplaats in Zwolle van erflater en moeder sprake is van een (bewuste) bevoordeling.
4.50.
Ten aanzien van de marktplaats in Epe heeft [eiser in conventie ] niet betwist dat [gedaagde in conventie 2] de marktplaatsvergunning voor de markt in Epe zelfstandig heeft verkregen enkel als gevolg van zijn positie op de wachtlijst, zodat om die reden geen sprake is van een gift.
4.51.
Ter zitting is ook de markt in [plaatsnaam] nog ter sprake gekomen. Gelet op het verweer van [gedaagde in conventie 2] had het op de weg van [eiser in conventie ] gelegen om ten aanzien van die marktplaats te stellen (en te onderbouwen) dat [gedaagde in conventie 2] de plaats van moeder en erflater zonder meer (en dus ongeacht of hij op een wachtlijst stond) kon overnemen. Aangezien [eiser in conventie ] een dergelijke stelling niet heeft ingenomen, kan de rechtbank niet tot de conclusie komen dat ten aanzien van de marktplaats in [plaatsnaam] sprake is geweest van een gift.
4.52.
Daarbij merkt de rechtbank nog het volgende op. [eiser in conventie ] heeft evenmin gemotiveerde stellingen ingenomen over de waarde van de goodwill. Verwacht had mogen worden dat hij op zijn minst een poging had gedaan deze cijfermatig (bijvoorbeeld aan de hand van een rapport van een deskundige of aan de hand van andere praktijkvoorbeelden) te onderbouwen. Op [eiser in conventie ] rust immers de stelplicht en de bewijsplicht voor zijn stelling dat sprake is van een gift. Aangezien [eiser in conventie ] over de waarde van de goodwill niets heeft gesteld, heeft hij op dat punt in elk geval niet voldaan aan zijn stelplicht. Met de waarde van een of meerdere marktrechten zal dan ook geen rekening worden gehouden bij de bepaling van de legitieme portie.
Roerende zaken/bedrijfsinventaris
4.53.
[eiser in conventie ] stelt dat [gedaagde in conventie 2] bij overname en voortzetting van het bedrijf van erflater en moeder een grote hoeveelheid roerende zaken, vooral bedrijfsmiddelen, van erflater heeft gekregen, zonder daarvoor te hebben betaald. Dit betreft in elk geval een vorkheftruck, kiepaanhangwagen, pompwagens, onkruidwagen, watertank, oppottafel, waterbak, vlaggenmasten, bloemzuilen, oranje kunststof bakken, een koffieautomaat, magnetron, kantinetafels, parasols, bladblazer, een elektrische kar, tuinslangen, lantaarnpalen, Deense karren en handgereedschap.
De verkrijging van deze goederen zonder daarvoor een vergoeding te betalen levert een begiftiging op. Uitgangspunt is wat [eiser in conventie ] betreft de boekwaarde van de inventaris en bedrijfsmiddelen dan wel de onderhandse verkoopwaarde bij gelijkblijvend gebruik na voortzetting.
4.54.
[gedaagden in conventie] zijn in de akte van 1 december 2025 op alle zaken ingegaan. Kort gezegd was een groot deel van de zaken (door [gedaagden in conventie] gespecificeerd weergegeven) volgens hen afgeschreven. Voor het overige hebben zij het volgende aangevoerd:
  • de vorkheftruck en de kiepaanhangwagen staan in de boedelbeschrijving;
  • moeder heeft de oppottafel weggeven;
  • [eiser in conventie ] heeft de vlaggenmasten en zes bloemzuilen meegenomen; moeder heeft er twee weggegeven;
  • moeder heeft drie oranje kunststof bakken weggegeven;
  • vijf parasols heeft erflater verkocht;
  • de bladblazer is in bezit van moeder;
  • de elektrische kar is door erflater verkocht voor € 2.000;
  • de lantaarnpalen zijn weggeven;
  • de Deense karren zijn doorgezet aan Harry van Hunen
  • het handgereedschap is aan een buurman weggegeven.
4.55.
Moeder stelt dat [eiser in conventie ] en [gedaagde in conventie 2] na staking van het bedrijf van erflater en haar beiden een aantal goederen hebben ontvangen. [gedaagde in conventie 2] is niet bevoordeeld ten opzichte van [eiser in conventie ] . De meeste goederen waren boekhoudkundig afgeschreven.
4.56.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting door [gedaagden in conventie] komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser in conventie ] van een aantal goederen niet heeft onderbouwd dat deze aan [gedaagde in conventie 2] zijn geschonken. De goederen die hij wel heeft ontvangen vertegenwoordigen nauwelijks een waarde. In zoverre kan geconcludeerd worden dat deze giften vallen onder de uitzondering van gebruikelijke, niet bovenmatige giften. Daarom kan er niet van worden uitgegaan dat [gedaagde in conventie 2] in het kader van de bedrijfsovername giften heeft ontvangen van een zodanige omvang dat deze in aanmerking zouden moeten worden genomen bij de berekening van de legitieme portie.
Slotsom ten aanzien van de giften
4.57.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van de waarde van giften door erflater die bij de legitimaire massa moeten worden opgeteld. Aan inkorting hiervan wordt dan niet toegekomen, nog afgezien van het feit dat de moeder heeft aangegeven dat zij maximaal gebruik heeft gemaakt van het afvullegaat. Dit leidt ertoe dat mogelijk inbreuk wordt gemaakt op de aanspraken van [eiser in conventie ] en [gedaagde in conventie 2] . Een eventuele inkorting zal dan bij moeder moeten plaatsvinden en niet bij [gedaagde in conventie 2] . Dit betekent dat de vordering onder 3.1.b. niet voor toewijzing vatbaar is.
Eindconclusie met betrekking tot de aanspraak van [eiser in conventie ] uit hoofde van de legitieme
4.58.
De legitimaire massa bedraagt € 624.482, te vermeerderen met de helft van een eventuele vermindering van de aanslagen IB/PVV en ZVW over 2020 en de helft van de vermindering van de belastingrente voor zover die betrekking heeft op de periode tot 8 mei 2023. De legitieme portie bedraagt 1/6 deel hiervan, oftewel € 104.080,33, te vermeerderen met 1/12 deel van de verminderingen op de aanslagen en van bedoelde belastingrente. De vordering onder 3.1.a wordt in zoverre toegewezen.
4.59.
Voor het opnemen van een bepaling tot welk bedrag deze schuld dient te worden voldaan uit het deel van de nalatenschap waarover erflater niet heeft beschikt dan wel op de door erflater bepaalde volgorde van inkorting van de daarvoor vatbare giften, bestaat geen grond. Erflater heeft immers over zijn gehele nalatenschap beschikt en inkorting is hier niet aan de orde.
Zekerheidstelling4.60. [eiser in conventie ] stelt dat voorafgaand aan het kort geding met moeder is afgesproken dat het beslag op de woning zou worden opgeheven tegenover vestiging van een hypotheek van € 100.000 tot zekerheid van zijn vordering op de nalatenschap. De hypotheekakte zou samen met de verdelingsakte worden gepasseerd. Dat is niet gebeurd. Moeder is daardoor in verzuim ten aanzien van de afspraak tot vestiging van de hypotheek.
4.61.
Uit de door [eiser in conventie ] overgelegde correspondentie tussen de raadslieden van partijen en de boedelnotaris blijkt dat tussen [eiser in conventie ] en moeder in principe overeenstemming is bereikt over doorhaling van het beslag tegen gelijktijdige vestiging van een hypotheek van € 100.000. Over de clausules van de hypotheekakte moest echter - zo blijkt ook uit die correspondentie - nog worden gesproken tussen [eiser in conventie ] en moeder. Over die clausules is geen overeenstemming bereikt, zoals moeder heeft aangevoerd. [eiser in conventie ] heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat die overeenstemming er wel is gekomen. Deze stelling van moeder wordt daarnaast bevestigd door de boedelnotaris in zijn e-mail van 7 april 2025 aan de raadsvrouw van [gedaagden in conventie] . Omdat niet duidelijk is welke voorwaarden aan de vestiging van de hyoptheek moeten worden verbonden, is de vordering tot het vestigen van een hypotheek te onbepaald om te kunnen worden toegewezen. De vordering onder 3.1.c. wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
4.62. In de familierechtelijke relatie tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
4.63.
Aangezien [gedaagden in conventie] hun vordering tot opheffing van het beslag hebben ingetrokken, is niet meer van belang of [gedaagden in conventie] ontvangen kunnen worden in dat onderdeel van de vordering. Enkel op de vordering van [gedaagden in conventie] over de proceskosten moet de rechtbank nog beslissen.
4.64.
Zoals hiervoor overwogen, ziet de rechtbank echter aanleiding gelet op de familierechtelijke relatie de kosten van deze procedure tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.65.
De rechtbank merkt voor de duidelijkheid nog op dat [gedaagden in conventie] in reconventie niet hebben gevorderd om [eiser in conventie ] te veroordelen om zijn schuld aan de nalatenschap te voldoen. Daarom staat het de rechtbank niet vrij om hierover een beslissing te geven.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
stelt de waarde van de legitieme portie van [eiser in conventie ] vast op een bedrag in contanten van € 104.080,33, te vermeerderen met 1/12 deel van de verminderingen op de aanslagen IB/PVV en ZVW over 2020 en 1/12 deel van de verminderingen van de belastingrente over de periode tot 8 mei 2023,
5.2.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Eskes en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
Th/RE

Voetnoten

1.Artikel 4:63 lid 2 BW Pro.
2.Artikel 4:63 lid 1 BW Pro.
3.Een Audi A4, een Audi Q3, een Renault Master, een aanhanger, een heftruck en een rode trekker.
4.Zie overweging 4.24.
5.In de vermogensopstelling staat een bedrag van € 443.044. Het bedrag van € 1.406 moet in plaats van opgeteld bij de andere schulden daarvan worden afgetrokken, en het bedrag van € 4.447 neemt de rechtbank niet mee.
6.Artikel 7:175 lid 1 BW Pro.
7.Artikel 7:186 lid 2 BW Pro.
8.Artikel 4: 69 lid 1 onder b BW.