ECLI:NL:RBGEL:2026:1548

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
461797
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:296 BWArt. 23 Elektriciteitswet 1998Art. 3.38 EnergiewetArt. 3.46 EnergiewetArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot aansluiting en transportcapaciteit elektriciteit woningbouwproject

Vink Bouw vordert in kort geding dat Liander wordt veroordeeld om binnen week 8 van 2026 te starten met de aansluitwerkzaamheden en uiterlijk 17 april 2026 de elektriciteitsaansluitingen voor het woningbouwproject Kickstart te realiseren, dan wel subsidiair een tijdelijke noodoplossing te bieden.

Liander voert verweer dat de planning indicatief is, afhankelijk van goedkeuring van de traforuimte en dat de trafo nog gerealiseerd moet worden. Ook wijst Liander op de noodzaak van netuitbreiding en het ontbreken van een vaste uitvoeringsdatum.

De voorzieningenrechter oordeelt dat Vink onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Liander gehouden is tot nakoming binnen de gevorderde termijn. De goedkeuring van het voorlopige ontwerp in 2023 gaf geen recht op een vaste datum. De vertragingen en noodzakelijke herbeoordelingen maken nakoming binnen de termijn onredelijk. Ook de subsidiaire vordering tot tijdelijke noodvoorziening faalt.

De vorderingen worden afgewezen en Vink wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van Vink Bouw worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/461797 / KG ZA 26-25
Vonnis in kort geding van 27 februari 2026
in de zaak van
VINK BOUW B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudend te Nieuwkoop,
eisende partij,
hierna te noemen: Vink,
advocaat: mrs. C.J.R. van Binsbergen en W.M. van ’t Hul,
tegen
LIANDER N.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudend te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Liander,
mrs. R.W. de Vlam en M. Jongejans.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 41,
- de wijziging van eis met aanvullende producties 42 tot en met 49,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7,
- de aanvullende productie 50 van Vink, ingekomen op 13 februari 2026,
- de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, ter gelegenheid waarvan de voorzieningenrechter heeft bepaald dat productie 50 buiten beschouwing wordt gelaten,
- de pleitnota van Vink.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Vink is een bouw- en aannemingsbedrijf en verantwoordelijk voor de realisatie van een woningbouwproject ‘Kickstart’ in Alphen aan den Rijn, bestaande uit een nieuw te bouwen appartementencomplex met in totaal 48 koopappartementen (hierna: het project).
2.2.
Liander was tot 1 januari 2026 netbeheerder in de zin van de Elektriciteitswet 1998 en per 1 januari 2026 distributiebeheerder in de zin van de Energiewet. Liander is belast met het aansluiten van afnemers (op grond van voorheen artikel 23 Elektriciteitswet Pro, nu artikel 3.38 Energiewet), en het transporteren van elektriciteit (op grond van voorheen artikel 24 Elektriciteitswet Pro, nu artikel 3.46 Energiewet).
2.3.
Op 6 november 2023 heeft Vink een aanvraag ingediend bij Liander voor 53 elektriciteitsaansluitingen. Het gaat om kleinverbruikaansluitingen (kleiner dan 3x80A) die op grond van de Netcode Elektriciteit en de Tarievencode Elektriciteit moeten worden gemaakt op het laagspanningsniveau (LS). Vink heeft op de aanvraag onder “gewenste uitvoeringsweek” week 7 van 2025 ingevuld. Een onderdeel van de overeenkomst tussen partijen is het plaatsen van een inpandig transformatorstation (hierna: trafo) door Liander waarop de kleinverbruikaansluitingen voor het project kunnen worden gerealiseerd. Tussen partijen is verder afgesproken dat de trafo door een door Liander in te schakelen aannemer geplaatst zal worden en dat Vink de ruimte voor de trafo ter beschikking stelt. Bij het realiseren van de trafo zijn partijen, de door Liander ingeschakelde aannemer “ [Bedrijf 1] B.V.” (hierna: [Bedrijf 1] ) en Structin betrokken.
2.4.
In de opdrachtbevestiging die Liander aan Vink heeft verstrekt, heeft zij het volgende voorbehoud opgenomen:
(…) Mogelijk geldt er voor uw locatie een transportbeperking. Dit betekent dat u mogelijk geen of beperkt transport van energie aangeboden wordt of dat u niet of beperkt energie kunt terugleveren. In dat geval wordt u hierover geïnformeerd door Liander. (…)
2.5.
Op 7 november 2023 heeft Liander akkoord gegeven op een door Vink toegestuurde bouwkundige tekening van de traforuimte. Op de bouwkundige tekening is middels een stempel van Liander vermeld “Akkoord Liander 07-11-2023 [medewerker 1] ”.
2.6.
Bij e-mail van 26 september 2024 heeft Vink aan Structin bericht dat een buurman bezwaar heeft ingediend en dat dit betekent dat de planning voor het aanleggen van de nutsvoorzieningen zeker met 10 weken opschuift naar week 20, maar dat ook deze datum nog onzeker is.
2.7.
Liander heeft op 7 oktober 2024 de geplande start uitvoering (GSU) bijgesteld naar week 20 van 2025, met de interne aantekening dat deze datum niet zeker was.
2.8.
Op 5 november 2024 heeft Liander de aanvraag van Vink ‘on-hold’ geplaatst.
2.9.
Bij e-mail van 7 april 2025 bericht Vink aan Liander dat het project weer is gestart en dat de “inhuizing van de nutsvoorzieningen” zullen worden gestart in week 41 van 2025. Ook verzoekt zij Liander om deze nieuwe startdatum te verwerken in de planning.
2.10.
[Bedrijf 1] heeft in reactie daarop op 8 april 2025 aan alle partijen laten weten dat de GSU voor het project in de planning voor week 49 van 2025 staat en een eerdere datum vooralsnog niet mogelijk is.
2.11.
Bij e-mail van 11 april 2025 heeft Liander aan Vink bericht dat zij begin november 2024 heeft geprobeerd contact met Vink op te nemen, dit niet is gelukt en zij deze zaak daarom on-hold had gezet. Zij laat verder weten dat de zaak uit de planning is gehaald, opnieuw moet worden opgestart en het daarvoor van belang is dat de situatie hetzelfde is gebleven als tijdens de intake en zij wijzigingen opnieuw moet beoordelen.
2.12.
Op 15 april 2025 bericht Structin aan partijen dat het project bij haar in de werkvoorbereiding staat en dat dat inhoudt dat de netbeheerders bezig zijn om het project voor te bereiden voor de daadwerkelijke uitvoer die in week 49 van 2025 gepland staat.
2.13.
Naar aanleiding van een voortgangsoverleg op 16 april 2025 heeft Structin op 17 april 2025 aan Vink verzocht om aanvullende gegevens te verstrekken omdat zij het werk opnieuw zal beoordelen.
2.14.
Op 8 mei 2025 heeft Vink Liander de verzochte informatie verstrekt.
2.15.
Op 16 juni 2025 heeft Structin aan alle partijen bericht dat de startdatum van de nutsvoorzieningen week 49 van 2025 is, zoals gemeld op 15 april 2025.
2.16.
Op 30 juni 2025 heeft er een tweede nutsoverleg plaatsgevonden met alle partijen. In het verslag van dit overleg is opgenomen:
Bespreekpunten:
- Werk door gelopen.(…) Door vertraging werk alles weer opnieuw oppakken. Vink Bouw stuurt definitieve stukken.
- Start Nuts week 40 2025, wens Vink Bouw. Staat nu gepland voor start week 49.
Bij e-mail van diezelfde datum heeft Structin aan Vink bericht dat een van de door haar te nemen acties is om het voorlopige ontwerp aan te passen en dat dit nieuwe voorlopige ontwerp zal worden voorgelegd aan de netspecialist/ “ [medewerker 2] ” voor goedkeuring.
2.17.
Op 9 juli 2025 heeft Vink aan Liander de stukken aangeleverd en in een begeleidende e-mail bericht dat de traforuimte iets verder staat dan ingetekend.
2.18.
Structin heeft Vink, naar aanleiding van vragen van Vink over de status, op 3 september 2025 meegedeeld dat de uitvoering van het project nu staat gepland in week 8 van 2026 “met een huidige doorlooptijd van 8 weken”. In reactie daarop heeft Vink bij e-mail van 3 september 2025 laten weten dat de start in week 8 voor haar onacceptabel is omdat het gebouw in februari wordt opgeleverd aan de kopers en er “destijds is gesproken over een uitvoering buiten tracé in week 49”.
2.19.
Op 19 september 2025 heeft de bouwkundige van Liander de tekening van Vink afgekeurd. Liander heeft Vink bij e-mail van diezelfde dag de opmerkingen van de bouwkundige verstrekt en laten weten dat de bouwkundige een aantal documenten wil zien van de trap, het kruipluik en de muurbeugel.
2.20.
Op 23 september 2025 heeft er een schouw plaatsgevonden op de locatie van de traforuimte. Tijdens dit bezoek heeft de bouwkundige van Liander laten weten dat diverse punten niet voldeden aan de gestelde minimumeisen. Liander heeft deze punten op 25 september 2025 aan Vink verstrekt met het verzoek om foto’s aan te leveren waarop te zien is dat deze punten zijn uitgevoerd.
2.21.
Op 25 september 2025 heeft Vink Liander bericht dat zij de onderdelen heeft besteld en de overige punten door haar zullen worden opgepakt.
2.22.
Vervolgens heeft Liander op 7 oktober 2025 bij Vink geïnformeerd naar de stand van zaken en laten weten dat zij nu niet verder kan en dit tot meer vertraging zal leiden.
2.23.
Op 10 november 2025 heeft Vink aan Liander de verzochte foto’s gemaild. Ook verzoekt zij om een bevestiging dat kan worden gestart in week 8 van 2025. Liander laat in reactie daarop weten dat zij de foto’s zal beoordelen en dat zij zal nagaan in hoeverre de vertraging kan worden ingehaald en of week 8 haalbaar nog is.
2.24.
Op 12 november 2025 is de bouwkundige van Liander wederom ter plaatse geweest. Liander laat bij e-mail van diezelfde datum weten dat een aantal punten zijn besproken die allemaal moeten worden verwerkt voordat Liander intern verder kan.
2.25.
Bij e-mail van 13 november 2025 laat Vink aan Liander weten dat zij het jammer vindt dat sommige punten nu pas duidelijk worden maar zij er direct mee aan de slag gaat. Verder heeft zij in deze e-mail het volgende bericht:
Gezien de bewezen betrouwbaarheid van Vink Bouw en onze nakoming van de eerdere afspraken, is het voor de totale planning cruciaal dat de interne voorbereidingen binnen Liander nu niet stilvallen.
Ik vertrouw er dan ook op dat deze werkzaamheden op basis van goed vertrouwen kunnen worden hervat.
Onze gezamenlijke focus moet liggen op het halen van week 8.
2.26.
Op 14 november 2025 heeft Liander aan Vink bericht dat het, zoals het er nu naar uitziet, onvermijdelijk is dat de GSU verder opschuift dan week 8. Verder laat zij weten dat zij pas een definitieve uitvoeringsdatum kan geven als alles compleet is en alles door de bouwkundige en de Operationeel Installatieverantwoordelijke (OlV’er) van Liander is goedgekeurd.
2.27.
Bij brief van 19 november 2025 heeft Vink Liander gesommeerd om te bevestigen dat zij de aansluitingen tijdig zal realiseren of in een adequate noodoplossing zal voorzien.
2.28.
Bij e-mail van 1 december 2025 heeft Liander aan Vink bericht dat de aannemer de week daarvoor het werk uit de planning heeft gehaald vanwege de achterstand in de voorbereiding waardoor het niet haalbaar is om vóór week 3 van 2026 alles gereed te hebben en in week 8 te starten.
2.29.
Op 2 december 2025 heeft Vink aan Liander bericht dat die dag de laatste werkzaamheden plaatsvinden en de traforuimte daarna volledig is afgerond.
2.30.
De start van de werkzaamheden voor het plaatsen van de trafo staat bij Liander op dit moment in de planning voor week 23 van 2026.

3.Het geschil

3.1.
Vink vordert na wijziging van eis dat de voorzieningenrechter, bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Liander N.V. beveelt om, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 48.000,00 per dag, met een maximum van € 4.800.000,00, indien Liander in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen,
i.
Primair
a) de werkzaamheden voor het realiseren van de elektriciteitsaansluitingen
voor het project Kickstart te Alphen aan den Rijn daadwerkelijk aan te
vangen in week 8 van 2026, met startdatum uiterlijk 20 februari 2026 dan
wel, indien die datum ten tijde van het wijzen van het vonnis reeds is
verstreken, aan te vangen binnen 48 uur na betekening van het in dit kort geding te wijzen vonnis, en vervolgens in een ononderbroken, continu proces en zonder
verdere vertraging uit te voeren of te doen voeren, zodanig dat de
aansluitingen uiterlijk op 17 april 2026 gerealiseerd zijn,
b) direct na het realiseren van de elektriciteitsaansluitingen over te gaan tot het daadwerkelijk transporteren van elektriciteit, zodanig dat het gebouw op normale wijze kan worden bewoond;
óf, indien Liander daartoe niet in staat mocht zijn;
ii.
Subsidiair
op eigen kosten een passende tijdelijke noodoplossing (bijvoorbeeld door de inzet van aggregaten, accu’s of andere vergelijkbare tijdelijke voorziening) te realiseren, in bedrijf te stellen en in stand te houden, zodanig dat deze passende tijdelijke noodoplossing op 17 april 2026 in bedrijf is en het gebouw volgens planning en conform het beoogde normale gebruik in gebruik kan worden genomen, en wel tot het moment waarop de definitieve aansluitingen volledig zijn gerealiseerd en operationeel zijn,
II. Liander veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Liander voert verweer. Liander concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Vink, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Vink, met veroordeling van Vink in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Vink daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of Liander kan worden veroordeeld om binnen de gevorderde termijn aan te vangen met de aansluitwerkzaamheden, op een zodanige wijze dat de aansluitingen uiterlijk op 17 april 2026 gerealiseerd zijn en direct daarna over te gaan tot het transporteren van elektriciteit. Voor zover aansluiting binnen die termijn onmogelijk is, vordert Vink subsidiair dat Liander wordt veroordeeld om een passende tijdelijke noodoplossing te realiseren.
4.3.
Het spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft Vink voldoende onderbouwd. Zij heeft aangevoerd dat bij afwijzing van haar vorderingen de opleveringsdatum van de 48 appartementen niet kan worden gehaald. Zij heeft de kopers immers toegezegd dat de oplevering van de appartementen in het eerste kwartaal dan wel begin tweede kwartaal van 2026 zal plaatsvinden. Naast dat een latere oplevering door het ontbreken van nutsvoorzieningen aanzienlijke financiële schade aan de zijde van Vink oplevert, waaronder contractuele boetes die zij verschuldigd is voor elke dag dat de woningen niet tijdig worden opgeleverd, heeft dit ook grote gevolgen voor de kopers. Het merendeel van de kopers zijn starters op de woningmarkt en zij moeten nu noodgedwongen tussentijdse oplossingen vinden omdat zij hun huurovereenkomsten hebben opgezegd.
4.4.
Vink legt aan haar vorderingen artikel 3:296 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) en (voorheen) artikel 23 lid 4 van Pro de E-wet, (thans) artikel 3.38 lid 2 van de Energiewet, ten grondslag. Liander is op grond van de door haar gedane toezegging gehouden de aansluitingen te realiseren en uiterlijk in week 8 van 2026 te starten met de werkzaamheden. In dat verband geldt dat Liander op 7 november 2023 de bouwkundige tekening voor de traforuimte heeft goedgekeurd en op basis daarvan heeft Vink haar planning ingericht. Vink mocht er op grond van die goedkeuring ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat de tekening voldeed aan de eisen van Liander. Afgezien van het voorgaande heeft Vink de nadere aanwijzingen van Liander zo spoedig mogelijk opgevolgd en heeft zij de latere opmerkingen en punten van Liander verwerkt. De traforuimte is inmiddels volledig afgerond en de aansluitingen kunnen gerealiseerd worden. Daarnaast is Liander op grond van artikel 23 lid 4 van Pro de E-wet, thans artikel 3.38 lid 2 Energiewet, gehouden om de aansluitingen binnen een redelijke termijn te realiseren. De netbeheerder dient in dat verband richting de aanvrager op voorhand voldoende duidelijkheid te verschaffen over de termijn waarbinnen de aansluitingen en de daarbij behorende capaciteit gerealiseerd kan worden. De belangen van Vink en de 48 kopers alsmede het voortdurend verschuiven van een meermaals bevestigde planningen leidt ertoe dat een aansluitdatum niet als redelijk kan gelden. Liander is dus ook op grond van de in artikel 23 lid Pro 4 E-wet en artikel 3.38 lid 2 Energiewet genoemde redelijke termijn gehouden de aansluitingen te realiseren en te starten met deze werkzaamheden in week 8 van 2026 conform de overeengekomen planning en de redelijke verwachtingen van Vink, aldus Vink.
4.5.
Liander voert het volgende verweer. Ten aanzien van de vordering tot nakoming geldt dat Liander zowel in de correspondentie als tijdens nutsoverleggen duidelijk aan Vink heeft gecommuniceerd dat het gaat om indicatieve planningen (ook wel door partijen GSU’s genoemd) onder voorbehoud van het tijdig aanleveren van benodigde informatie door Vink en de beschikbaarheid van de aannemer. Er bestaat dus geen afspraak of toezegging van Liander waaruit Vink mocht afleiden dat sprake was van een vaste, afdwingbare uitvoeringsdatum. Liander probeert de aansluitingen zo snel mogelijk te realiseren, maar zij is daarvoor afhankelijk van verschillende factoren. Dit heeft zij in de ATO ook aan Vink medegedeeld en ook op latere momenten. Eén van die factoren is dat Vink verantwoordelijk was voor het realiseren van een geschikte ruimte voor de trafo en dat deze ruimte moet voldoen aan alle veiligheids- en ontwerpeisen. Pas begin 2026 voldeed de ruimte hieraan. De goedkeuring van de tekening in 2023, zie onder 2.5, is gegeven op een voorlopig ontwerp en daaruit had Vink niet mogen en kunnen afleiden dat daarmee ook goedkeuring was gegeven voor het definitieve ontwerp. Bovendien heeft de bezwaarprocedure tot de nodige vertraging geleid en waren de voorlopige tekeningen op het moment dat het project weer werd hervat meer dan twee jaar oud zodat er opnieuw een beoordeling moest plaatsvinden, hetgeen destijds ook met Vink is gecommuniceerd. Pas op het moment dat de goedkeuringen door de netspecialist van Liander zijn gegeven, kan er een planning worden gemaakt. De aannemer gaat namelijk niet eerder aan de slag omdat de ruimte veilig moet zijn om te kunnen starten met bouwen.
Ten aanzien van het beroep op artikel 23 E-wet geldt dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen aansluitwerkzaamheden en werkzaamheden die zien op netuitbreiding. Vink heeft niet onderbouwd wanneer de redelijke termijn volgens haar is aangevangen, maar deze vangt aan op het moment dat de netuitbreiding is voltooid. Daarvan is geen sprake omdat de trafo nog gerealiseerd moet worden. De aanvraag van Vink betreft een bulkaanvraag, bestaande uit 52 aansluitingen, en het ligt dus voor de hand dat daar geen ruimte voor is op het bestaande net en daarvoor uitbreiding van het net nodig is. In dat verband hebben partijen in de beginfase afspraken gemaakt over het realiseren van een traforuimte. Voor het aanleggen, herstellen, vernieuwen of uitbreiden geldt geen wettelijke termijn. De planning voor de aansluitwerkzaamheden volgt pas als de netuitbreiding, in dit geval plaatsing van de traforuimte, is voltooid. (Voorheen) artikel 23 E-wet, thans artikel 38.8 lid 2 Energiewet, biedt dan ook evenmin grondslag voor toewijzing van de primaire vordering. Gelet op het ontbreken van een juridische grondslag en het gegeven dat de E-wet en de Energiewet geen ruimte bieden voor het leveren van alternatieve en tijdelijke voorzieningen, moet de subsidiaire vordering eveneens worden afgewezen, aldus Liander.
4.6.
Op 1 januari 2026 is de Energiewet in werking getreden. Deze wet heeft de Elektriciteitswet en de Gaswet 2000 vervangen. Artikel 3.38 lid 1 van de Energiewet bepaalt dat een distributiesysteembeheerder op verzoek een aanbod doet tot aanleg van een aansluiting op zijn systeem op een voor die aansluiting geschikt punt met een voor die aansluiting geschikt spanningsniveau. Op grond van lid 2 geldt dat dit aanbod moet worden gedaan binnen een redelijke termijn en dat de distributiesysteembeheerder een aansluiting realiseert binnen een redelijke termijn na aanvaarding van het aanbod. Lid 3 bepaalt dat een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit het doen van een aanbod kan weigeren indien en voor zo lang er voor de verzochte aansluiting onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op zijn systeem. Daarbij is bepaald dat de distributiesysteembeheerder passende maatregelen neemt, waaronder de benodigde uitbreidingsinvesteringen, om zo spoedig mogelijk alsnog een aanbod te kunnen doen.
4.7.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Ter zitting heeft Vink verklaard dat het in de voorfase, voorafgaand aan het sluiten van de ATO met Liander, duidelijk was dat er een inpandige trafo moest worden geplaatst voor er sprake kon zijn van aansluiting. Op basis van het voorgaande, de mogelijkheid van capaciteitsproblemen op het elektriciteitsnet waar Vink op is gewezen, zie onder 2.4, en het gegeven dat sprake is van een zogenoemde “bulk-aanvraag” kan redelijkerwijs worden aangenomen dat Vink er ten tijde van het sluiten van de ATO van op de hoogte was dat aansluiting op het bestaande net niet mogelijk was. Voor Vink was dus duidelijk dat uitbreiding van het net, door plaatsing van de trafo, noodzakelijk was voor de aansluiting van haar appartementen en het leveren van transportcapaciteit. Over deze uitbreiding van het net is Liander geen verantwoording verschuldigd aan individuele afnemers als Vink. Verder staat als onweersproken vast dat Liander verantwoordelijk is voor het plaatsen van de trafo, zij daarvoor een aannemer inschakelt en deze aannemer daartoe pas de opdracht kan geven als de ruimte, die door Vink moet worden gerealiseerd, aan alle veiligheidsnormen voldoet. Of de ruimte aan de veiligheidsnormen voldoet, wordt door een netspecialist van Liander beoordeeld.
4.8.
De stelling dat door Liander toezeggingen zijn gedaan over een startdatum voor de aansluitwerkzaamheden waar Vink gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen, is binnen het bestek van dit kort geding voorshands niet aannemelijk geworden. Uit hetgeen is opgenomen onder 2.11, 2.13 en 2.16 blijkt afdoende dat Liander aan Vink heeft medegedeeld dat vanwege de opgelopen vertraging als gevolg van de bezwaarprocedure het werk, te weten de bouwtekening(en) en overige documenten voor de traforuimte die Vink in 2023 had opgesteld, opnieuw moesten worden beoordeeld. Partijen hebben daarna steeds gecommuniceerd over de planning en de verbeterpunten die Vink nog moest doorvoeren van de netspecialist van Liander om er voor te zorgen dat de locatie voldeed aan de eisen. Uit de in dit vonnis opgenomen feiten blijkt dat daaromtrent continu afstemming tussen partijen heeft plaatsgevonden. In dat kader stelt Liander dat zij heeft geprobeerd zoveel mogelijk rekening te houden met de wensen van Vink, dit blijkt ook uit de notulen van het nutsoverleg op 30 juni 2025, en Vink heeft dit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter in het licht van het hiervoor overwogene ook zo moeten begrijpen. Dat is wat anders dan dat toezeggingen zijn gedaan. Dat het voorlopige ontwerp door Liander in 2023 was goedgekeurd doet aan het voorgaande, gelet op het verweer van Liander, niet af. Uiteindelijk moest er (ook) goedkeuring worden gegeven op het definitieve ontwerp dat pas in juli 2025 door Vink is verstrekt. Ook het beroep van Vink op haar e-mail aan Liander van 13 november 2025, onder 2.26, maakt het oordeel niet anders. De zinsnede “Onze gezamenlijke focus moet liggen op het halen van week 8” wijst niet op een eerder gedane toezegging van Liander, maar op een streven dat afhankelijk was van verschillende factoren. Dit was ook voor Vink duidelijk. Vink verzoekt Liander daar immers om alvast, zonder de goedkeuring(en) van de netspecialist, op basis van goed vertrouwen verder te gaan met de interne voorbereidingen zodat zij, zo begrijpt de voorzieningenrechter, de met de kopers gecommuniceerde opleveringsdatum kan halen. Het beroep op artikel 3:296 BW Pro slaagt daarom niet.
4.9.
Het beroep van Vink op artikel 23 E-wet en artikel 3.38 lid 2 Energiewet slaagt evenmin. Nog daargelaten dat er eerst voldoende transportcapaciteit moet zijn voor er kan worden aangesloten, heeft Vink onvoldoende onderbouwd wat de redelijke termijn volgens haar onder de gegeven omstandigheden behelst. Zij heeft slechts gesteld dat deze aanvangt bij acceptatie van de offerte van de netbeheerder. Ook volgt volgens haar uit de overeengekomen aansluitdatum de redelijke termijn. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan zij hierin -mede gelet op het gemotiveerde verweer van Liander- niet worden gevolgd.
4.10.
De primaire vordering zal daarom worden afgewezen.
4.11.
Aan de subsidiaire vordering legt Vink – zo begrijpt de voorzieningenrechter – eveneens nakoming van de overeenkomst en toezeggingen ten aanzien van de planning ten grondslag. Daargelaten of dit, gelet op het verweer van Liander, een juridisch grondslag biedt voor deze vordering en meer in het bijzonder of Liander wel kan worden verplicht tot het leveren van een tijdelijke stroomvoorziening, leidt het voorgaande in elk geval al tot de conclusie dat ook deze vordering zal worden afgewezen.
Conclusie
4.12.
De conclusie is dat de vorderingen van Liander zullen worden afgewezen.
Proceskosten
4.13.
Vink is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Liander worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Vink af,
5.2.
veroordeelt Vink in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Vink niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Vink tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. S.H. Keijzer op 27 februari 2026.
1780