ECLI:NL:RBGEL:2026:1539

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/05/460331 / HZ ZA 25-356
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Brussel I-bisVerordening (EU) nr. 1215/2012Verordening (EG) nr. 593/2008Art. 4 lid 1 sub b Rome I
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens onduidelijkheid over contractspartij in internationale bemiddelingsovereenkomst

Eiser, woonachtig in het buitenland, vordert betaling wegens wanprestatie uit een bemiddelingsovereenkomst met gedaagden gevestigd in Nederland. De rechtbank toetst eerst haar internationale rechtsmacht en het toepasselijke recht, waarbij zij oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt met welke van de twee gedaagden de overeenkomst is gesloten, noch waarom beide aansprakelijk zouden zijn. Hierdoor kan niet worden vastgesteld wie veroordeeld moet worden.

Daarom wijst de rechtbank de vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten, terwijl de kosten van gedaagden nihil worden begroot. Het vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en op 7 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af wegens onduidelijkheid over welke gedaagde aansprakelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/460331 / HZ ZA 25-356
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [land] ,
eisende partij,
hierna te noemen: eiser,
advocaat: mr. R.P. van den Broek,
tegen

1.[bedrijfsnaam] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,
hierna: [bedrijf] B.V.,
2.
[naam gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
hierna: [gedaagde] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen gedaagden verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eiser heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Internationaal karakter
2.2.
Eiser is woonachtig in [land] en gedaagden zijn gevestigd dan wel woonachtig in Nederland. Het geschil heeft betrekking op een overeenkomst van opdracht (bemiddelingsovereenkomst). Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling zal zij vanwege het internationale karakter van het geschil eerst toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het geschil van toepassing is.
2.3.
Gedaagden zijn gevestigd en woonachtig in Nederland, een lidstaat van de
Europese Unie, en de vordering betreft een burgerlijke of handelszaak die is ingesteld na
10 januari 2015. Dit betekent dat de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, beantwoord wordt aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I-bis). Volgens de in artikel 4 Brussel Pro I-bis vastgelegde hoofdregel zijn internationaal bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de gedaagde partij woonplaats heeft. Nu gedaagden gevestigd en woonachtig zijn in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het geschil.
Toepasselijk recht
2.4.
Aan de vorderingen van eiser ligt ten grondslag, zoals door eiser is gesteld, wanprestatie ten aanzien van een overeenkomst van opdracht. Nu sprake is van een verbintenis uit overeenkomst in een burgerlijke of handelszaak, wordt het toepasselijke recht vastgesteld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I). Op grond van artikel 4 lid 1 sub b Rome Pro I wordt de overeenkomst inzake dienstverlening, zoals een overeenkomst van opdracht, beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener (opdrachtnemer) zijn gewone verblijfplaats heeft, zodat Nederlands recht van toepassing is op het onderhavige geschil.
Verdere beoordeling
2.5.
Eiser heeft zowel [bedrijf] B.V. als [gedaagde] in persoon gedagvaard. Gesteld noch gebleken is met welke partij eiser de bemiddelingsovereenkomst heeft gesloten die aan zijn vorderingen ten grondslag ligt. Evenmin heeft eiser een grondslag aangevoerd waarom beide gedaagden kunnen worden aangesproken wegens wanprestatie ten aanzien van de bemiddelingsovereenkomst. Een en ander leidt ertoe dat de vorderingen worden afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld welk van de gedaagden veroordeeld dient te worden in de vorderingen van eiser.
2.6.
Eiser is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gedaagden worden begroot op nihil.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen van eiser af,
3.2.
veroordeelt eiser in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
JV/MS