Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1384

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
462014
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:17 AwbArt. 6:119 BWWet minimumloon en minimumvakantiebijslagWet arbeidsvreemdelingenArbeidstijdenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot verwijdering camerabeelden door Arbeidsinspectie

Eiser, een supermarktexploitant, vorderde in kort geding dat de Staat, vertegenwoordigd door de Arbeidsinspectie, de camerabeelden die tijdens een controle waren meegenomen en waarvan kopieën waren gemaakt, onmiddellijk zou verwijderen. De Arbeidsinspectie had de harde schijven met camerabeelden meegenomen in het kader van een onderzoek op grond van arbeidswetgeving.

De voorzieningenrechter oordeelde dat toewijzing van de vordering zou leiden tot onherstelbaar verlies van bewijsmateriaal, wat het lopende onderzoek zou schaden. Hoewel eiser stelde dat zij de beelden niet zou verwijderen en dat de Staat later de beelden weer kon opvragen, bood dit geen voldoende zekerheid.

Daarnaast werd overwogen dat de medewerkers en klanten van eiser zelf een eigen rechtsgang hebben om hun privacybelangen te beschermen op grond van de AVG. Het indirecte belang van eiser bij verwijdering van de beelden weegt niet op tegen het belang van de Staat bij behoud van bewijsmateriaal.

De rechtbank wees de vordering af en veroordeelde eiser in de proceskosten. Tevens werd bevestigd dat er geen wettelijke basis bestaat voor het in bewaring nemen van de beelden door de rechtbank totdat de rechtmatigheid van de inbeslagname is vastgesteld.

Uitkomst: De vordering tot verwijdering van camerabeelden door de Staat wordt afgewezen vanwege onomkeerbare gevolgen en beperkt belang van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/462014 / KG ZA 26-35
Vonnis in kort geding van 25 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam eisend bedrijf] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: “ [eiser] ”,
advocaat: mr. M. Hendriks en mr. N. ten Donkelaar,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelend in 's-Gravenhage,
gedaagde partij,
hierna te noemen: “De Staat”,
advocaat: mr. T. Gillhaus.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 13;
- de mondelinge behandeling van 11 februari 2026;
- de pleitnota van [eiser] met een daaraan gehechte bijlage;
- de pleitnota van De Staat.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een onderneming die een supermarkt exploiteert in [vestigingsplaats] .
2.2.
Op 5 december 2025 heeft de Arbeidsinspectie een controle in de winkel van [eiser] uitgevoerd op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Wet arbeidsvreemdelingen en de Arbeidstijdenwet. Tijdens de controle heeft de Arbeidsinspectie meerdere harde schijven van [eiser] meegenomen. Op deze harde schijven waren (onder andere) camerabeelden opgeslagen van camera’s die zich bevinden in de supermarkt van [eiser] .
2.3.
Bij brief van 8 december 2025 heeft [eiser] De Staat verzocht om de harde schijven te retourneren en om eventueel door haar gemaakte kopieën van de bestanden die daarop zijn opgeslagen te verwijderen.
2.4.
Nadat De Staat kopieën had gemaakt van de op de harde schijven opgeslagen camerabeelden, heeft zij op 19 december 2025 de harde schijven geretourneerd aan [eiser] .
2.5.
Een aantal medewerkers van [eiser] heeft haar en De Staat schriftelijk verzocht de camerabeelden te vernietigen op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: de AVG).

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad De Staat te bevelen om de camerabeelden onmiddellijk na dit vonnis definitief te verwijderen met veroordeling van De Staat in de proceskosten.
3.2.
[eiser] heeft de voorzieningenrechter nog verzocht De Staat tevens te veroordelen tot het verwijderen van eventuele “vervolgacties” op basis van de camerabeelden. Dit verzoek wordt afgewezen. Naast dat niet duidelijk is wat [eiser] met vervolgacties bedoelt, dient de voorzieningenrechter al dan niet een voorziening te treffen aan de hand van de vorderingen in het petitum. Hoewel die vorderingen moeten worden gelezen in context van de gehele dagvaarding, heeft [eiser] daarin slechts verwijdering van de camerabeelden gevorderd en valt daarin niet meer dan dat te lezen.
3.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Met De Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat toewijzing van het gevorderde leidt tot onomkeerbare gevolgen, hetgeen maakt dat toewijzing van de vordering van [eiser] niet aan de orde kan zijn. Toewijzing zou immers leiden tot verlies van bewijsmateriaal, waarmee het door de Arbeidsinspectie gestarte onderzoek naar [eiser] onherstelbare schade oploopt. De camerabeelden kunnen na verwijdering namelijk niet meer worden gebruikt ter onderbouwing van een eventueel door de Arbeidsinspectie aan [eiser] op te leggen bestuursrechtelijke sanctie. [eiser] heeft nog wel gesteld dat zij de camerabeelden niet zal verwijderen en dat De Staat dus nog altijd op een later moment de camerabeelden weer van haar kan verzoeken, maar uit deze toezegging geeft geen enkele zekerheid aan De Staat en leidt daarom niet tot een ander oordeel.
4.2.
Bovendien geldt dat als de Arbeidsinspectie [eiser] uiteindelijk een bestuursrechtelijke sanctie op zou leggen wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Wet arbeidsvreemdelingen en/of de Arbeidstijdenwet tegen dit besluit voor [eiser] een rechtsgang openstaat bij de bestuursrechter waarin zij de rechtmatigheid van de door de Arbeidsinspectie ingezette bevoegdheid op grond van artikel 5:17 Awb Pro tot het meenemen/de inbeslagname van de harde schijven met daarop de camerabeelden, en het maken van kopieën daarvan, kan laten toetsen door de bestuursrechter. In het verlengde daarvan kan zij ook laten toetsen of deze camerabeelden ten grondslag kunnen worden gelegd aan dat eventuele besluit. Dit is een met voldoende waarborgen omkleden rechtsgang. [eiser] heeft daarbij betoogd dat het achteraf onmogelijk is om nog van koers te wijzigen binnen een onderzoeksdossier gebaseerd op de camerabeelden, maar dat blijkt nergens uit. Bovendien is deze stelling van [eiser] door De Staat gemotiveerd betwist en dus niet komen vast te staan.
4.3.
Naast het voorgaande geldt dat het in onderhavig geval om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening gaat. Of een vordering in kort geding kan worden toegewezen hangt mede af van een afweging van de belangen van partijen.
[eiser] heeft gesteld dat haar belang erin is gelegen dat de privacy van haar medewerkers en klanten blijvend wordt geschaad doordat zij op de camerabeelden staan en daarnaast dat [eiser] in rechte kan worden aangesproken door haar werknemers en klanten, omdat de beelden nog niet zijn vernietigd en zelfs tegen haar wil zijn verspreid. Het was de medewerkers van [eiser] niet bekend dat deze camerabeelden door [eiser] bewaard werden. De medewerkers van [eiser] hebben volgens haar een verzoek tot vernietiging van de camerabeelden op grond van de AVG ingediend bij De Staat en [eiser] is ook door diverse werknemers aangeschreven met de eis de beelden te verwijderen.
4.4.
Met betrekking tot de privacy van de medewerkers van [eiser] geldt dat dit geen direct eigen belang van [eiser] is. Zij hebben op grond van de AVG een eigen rechtsgang om de camerabeelden in het bezit van de Arbeidsinspectie te laten vernietigen en dus ter behartiging van hun belang. De medewerkers van [eiser] hebben, zoals zij zelf heeft gesteld, inmiddels ook al een dergelijk vernietigingsverzoek op grond van de AVG bij de Arbeidsinspectie gedaan. Met betrekking tot de privacy van de klanten van [eiser] geldt dat het niet aan [eiser] is om deze belangen te behartigen, en zij dus verder hier ook zelf geen belang aan kan ontlenen.
[eiser] stelt voorts dat zij door haar medewerkers en klanten in rechte kan worden aangesproken omdat de camerabeelden niet vernietigd zijn en zelfs tegen haar wil in zijn verspreid. Dit belang van [eiser] , wat daarvan ook zij, weegt niet op tegen het belang van De Staat bij behoud van bewijsmateriaal met betrekking tot het door de Arbeidsinspectie ingestelde onderzoek, te meer omdat [eiser] verder niet heeft onderbouwd dat zij al in rechte is aangesproken door haar medewerkers of klanten of dat ter zake een concrete dreiging bestaat. Daarbij heeft De Staat gemotiveerd aangevoerd dat er met betrekking tot de camerabeelden meerdere waarborgen bestaan ter bescherming van de privacy van de medewerkers en klanten van [eiser] , zoals dat de digi-inspecteurs enkel de camerabeelden hebben geselecteerd die gericht waren op ruimtes waar geen klanten mogen komen, dat die camerabeelden op twee harde schijven zijn gekopieerd en deze schijven vervolgens zijn beveiligd met een wachtwoord en dat slechts de inspecteur die verbonden is aan het toezichtonderzoek naar [eiser] toegang heeft tot de camerabeelden. Overigens is het nog maar zeer de vraag of door de medewerkers en klanten van [eiser] kan worden verlangd dat [eiser] in rechte bij De Staat afdwingt de camerabeelden te verwijderen.
4.5.
Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het (indirecte) belang van [eiser] niet opweegt tegen het belang van De Staat bij behoud van bewijsmateriaal ten behoeve van een lopend onderzoek.
Conclusie
4.6.
Gelet op de onomkeerbare gevolgen bij toewijzing van de vordering, alsmede het beperkte (en indirecte) belang dat [eiser] heeft bij verwijdering van de camerabeelden, wordt de vordering afgewezen.
4.7.
[eiser] heeft nog de suggestie gedaan dat de rechtbank de camerabeelden onder zich zal nemen totdat duidelijkheid bestaat omtrent de rechtmatigheid van de inbeslagname daarvan. Hiervoor bestaat echter geen wettelijke basis, zoals ook ter zitting is besproken.
4.8.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Staat worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. S.J. Peerdeman op 25 februari 2026.