Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1359

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
461464
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 220 RvArt. 222 RvArt. 103 RvArt. 107 VWEUArt. 108 lid 3 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing en voeging van zaken wegens verknochtheid in onrechtmatige staatssteun parkeergarage Amersfoort

De Gemeente Amersfoort en Parker Amersfoort B.V. vorderen verwijzing van hun civiele procedure tegen GCV Holding B.V. naar de rechtbank Midden-Nederland en voeging met een lopende procedure tegen KRE. De zaak betreft de verkoop van een parkeergarage tegen een lagere prijs dan de marktwaarde, waarbij de Gemeente onrechtmatige staatssteun aan KRE en GCV stelt en deze wil terugvorderen.

De rechtbank oordeelt dat de zaken verknocht zijn omdat zij sterk verweven feiten en rechtsvragen bevatten, met name over de vraag of en in hoeverre onrechtmatige staatssteun is verleend en doorgegeven. Dit maakt verwijzing wenselijk om tegenstrijdige uitspraken te voorkomen en de procedures efficiënt te behandelen.

Het verweer van GCV dat de Gemeente de zaak direct bij de rechtbank Midden-Nederland had moeten aanbrengen wordt verworpen. De vordering tot voeging wordt niet toegewezen omdat voeging van rechtswege volgt na verwijzing, waardoor de Gemeente niet-ontvankelijk is in haar voegingsverzoek.

De rechtbank compenseert de proceskosten in het incident en verwijst de hoofdzaak naar de rechtbank Midden-Nederland, waar deze wordt gevoegd met de procedure tegen KRE. Het vonnis is gewezen door rechter E. Boerwinkel en op 25 februari 2026 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verwijzing toe en verwijst de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, waarbij voeging van rechtswege plaatsvindt.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/461464 / HA ZA 26-7
Vonnis in incident van 25 februari 2026
in de zaak van

1.GEMEENTE AMERSFOORT,

te Amersfoort,
2.
PARKEREN AMERSFOORT B.V.,
te Amersfoort,
eisende partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna te noemen: Gemeente Amersfoort en PABV, samen: de Gemeente,
advocaten: mr. E. Belhadj en mr. C.T. Dekker te Amsterdam
tegen
GCV HOLDING B.V.,
te Putten,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: GCV,
advocaten: mr. W.J. Bosma en mr. P.M. Witlox te Den Haag.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding, tevens houdende incidentele vordering tot verwijzing en tevens houdende incidentele vordering tot voeging van zaken van 24 december 2025,
  • de incidentele conclusie van antwoord van 28 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
De Gemeente vordert in de incidenten dat de hoofdzaak wordt verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland en wordt gevoegd met de bij die rechtbank aanhangige zaak met het zaaknummer C/16/596510. GCV voert daartegen verweer.
2.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.3.
Het geschil in de hoofdzaak betreft de (door)verkoop van de parkeergarage en het parkeerdek “Breestraat” in Amersfoort (hierna: de parkeergarage).
In mei 2021 heeft de Gemeente Amersfoort via PABV de parkeergarage verkocht aan KRE voor € 460.000,00. Vervolgens heeft KRE op 25 juni 2025 de parkeergarage verkocht aan GCV voor € 500.000,00. De Gemeente voert aan dat deze bedragen veel lager liggen dan de marktwaarde van € 925.000,00 die volgt uit een taxatie die zij later heeft laten verrichten. Daardoor zou volgens de Gemeente sprake zijn van door haar verleende onrechtmatige staatssteun aan zowel KRE als GCV, die zij op grond van artikel 108 lid 3 van Pro het Werkingsverdrag van de Europese Unie (hierna: VWEU) verplicht is op eigen initiatief terug te vorderen van KRE en GCV.
2.4.
In de hoofdzaak vordert de Gemeente (kort gezegd), naast een verklaring voor recht dat GCV onrechtmatige staatssteun heeft ontvangen, dat die gestelde onrechtmatige steun aan GCV ongedaan wordt gemaakt door betaling door GCV aan de Gemeente van het verschil tussen de marktwaarde van de parkeergarage en de door GCV betaalde koopprijs vermeerderd met rente, danwel door levering van de parkeergarage aan de Gemeente tegen betaling door de Gemeente van de door GCV betaalde koopsom verminderd met rente.
2.5.
De gemeente is ook een terugvorderingsprocedure begonnen tegen KRE, die aanhangig is bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. In die procedure, met zaaknummer C/16/596510 (hierna: procedure Gemeente-KRE), vordert de Gemeente (kort gezegd) dat de gestelde onrechtmatige staatssteun aan KRE ongedaan wordt gemaakt doordat KRE wordt veroordeeld tot het betalen van het verschil tussen de koopprijs en de marktwaarde van de parkeergarage, dan wel doordat de verkoop wordt teruggedraaid zodat de parkeergarage weer in eigendom komt van de Gemeente.
Verwijzing
2.6.
Wanneer een zaak verknocht is aan een zaak die al bij een andere rechter van gelijke rang aanhangig is, kan verwijzing worden gevorderd (artikel 220 Rv Pro).
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat het feitencomplex in de hoofdzaak en dat in de zaak Gemeente-KRE sterk met elkaar verweven zijn en dat de in die zaken te geven oordelen nauw met elkaar samenhangen, zodat de procedures verknocht zijn. In beide zaken zal de rechtbank zich namelijk moeten buigen over de vraag of sprake is van verlening van onrechtmatige staatssteun (artikel 107 en Pro 108 VWEU) doordat de Gemeente de parkeergarage heeft verkocht tegen een niet conforme marktwaarde aan KRE, die vervolgens de parkeergarage heeft verkocht aan GCV. De feiten en de te beoordelen omstandigheden overlappen elkaar dus in de beide procedures. In beide zaken dient mogelijk beoordeeld te worden welke rechtsgevolgen dienen te worden verbonden aan eventueel verleende verboden staatssteun. Verder kunnen beslissingen in de ene zaak gevolgen hebben voor die in de andere zaak, met name waar het gaat om de vraag in hoeverre de (eventuele) staatssteun is “verleend” aan KRE en in hoeverre aan GCV. De zaken zijn met elkaar verweven, omdat het in dat kader in beide zaken kan gaan over de vraag of de eventueel verleende staatssteun aan KRE is doorgegeven aan GCV. Tot slot merkt de rechtbank op, hoewel dit voor de verwijzing wegens verknochtheid geen vereiste is, dat het risico op tegenstrijdige beslissingen in deze twee zaken duidelijk aanwezig is, onder meer op bovengenoemd punt inzake het al dan niet “doorgeven” van verboden steun. Met het oog op consistentie en doelmatigheid is het ook daarom wenselijk dat de zaken door dezelfde rechtbank worden behandeld.
2.8.
Het verweer van GCV dat de Gemeente op grond van artikel 103 Rv Pro de zaak tegen GCV direct aanhangig had kunnen maken bij de rechtbank Midden-Nederland en, nu zij dat niet gedaan heeft, geen verwijzing meer kan vorderen, wordt verworpen. Dit reeds omdat de in artikel 103 Rv Pro voorziene alternatieve bevoegdheidsgrond ziet op goederenrechtelijke vorderingen met betrekking tot onroerende zaken, terwijl het hier gaat om de overeenkomst(en) tot verkoop van de parkeergarage en de vraag of daarbij sprake is geweest van verboden staatssteun. De vordering tot verwijzing wordt bovendien niet toegewezen op grond van onbevoegdheid van de rechtbank Gelderland, maar op grond van verknochtheid in de zin van artikel 220 Rv Pro.
2.9.
De omstandigheden dat in de procedure Gemeente-KRE een mondelinge behandeling is gepland op 3 maart 2026 en dat in de onderhavige procedure nog niet van antwoord is gediend, staan eveneens niet aan verwijzing wegens verknochtheid in de weg. Daarbij is mede van belang dat de rechtbank Midden-Nederland de mondelinge behandeling in de zaak Gemeente-KRE desverzocht zou kunnen aanhouden, indien dat naar aanleiding van dit vonnis opportuun wordt geacht.
2.10.
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de incidentele vordering tot verwijzing moet worden toegewezen.
Voeging
2.11.
Ten aanzien van de door de Gemeente gevorderde voeging op grond van artikel 222 Rv Pro geldt het volgende. De verwijzing leidt van rechtswege tot voeging van de beide zaken. Daarom zal de hoofdzaak na verwijzing van rechtswege worden gevoegd met de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland. De Gemeente zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot voeging door deze rechtbank op grond van artikel 222 Rv Pro, omdat zij daarbij geen belang heeft.
Kosten van het incident
2.12.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in de incidenten geen van partijen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst de vordering tot verwijzing toe,
3.2.
verklaart de Gemeente niet-ontvankelijk in haar vordering tot voeging,
3.3.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
3.4.
verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rolzitting van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, sector civiel, kamer voor andere zaken dan kantonzaken,
3.5.
verstaat dat de onderhavige zaak van rechtswege is gevoegd met de bij die rechtbank aanhangige zaak met het zaaknummer C/16/596510.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
943 / 1628