ECLI:NL:RBGEL:2026:1342

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
26/346
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 AwbArt. 1:2 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:83 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verdeling asielopvangplaatsen provincie Gelderland

In deze zaak heeft Inspraak Brummen AZC een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie over de verdeling van asielopvangplaatsen in de provincie Gelderland. Het primaire besluit dateert van 20 december 2024 en het bestreden besluit, een beslissing op bezwaar, van 8 december 2025.

De voorzieningenrechter beoordeelt of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Uit de Algemene wet bestuursrecht volgt dat alleen belanghebbenden die bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit beroep kunnen instellen. Verzoekster heeft geen bezwaar ingediend en wordt geacht geen persoonlijk belang te hebben, omdat het besluit de verdeling van opvangplaatsen over gemeenten regelt en verzoekster zich onvoldoende onderscheidt van andere inwoners.

De voorzieningenrechter concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk zal zijn en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan persoonlijk belang en het niet indienen van bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/346

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

Inspraak Brummen AZC, uit Brummen, verzoekster

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de Minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van de minister waarin de verdeling van asielopvangplaatsen voor de provincie Gelderland is opgenomen in het kader van de ‘Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen’.
1.1.
Bij besluit van 20 december 2024 (het primaire besluit) heeft de minister dit verdeelbesluit genomen. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Aalten, Oldebroek, Montferland en West-Betuwe hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij besluit van 8 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister een beslissing op bezwaar genomen en heeft de minister de provinciale verdeling enigszins gewijzigd.
1.2.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De minister heeft per mail kort op het beroep en het verzoek gereageerd. In die reactie stelt de minister zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is.
1.4.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
2.1.
Uit de Awb volgt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep in kan stellen bij de rechtbank. [2] Uit dezelfde wet blijkt dat dit pas mogelijk is nadat bezwaar is gemaakt tegen dat besluit. [3] Op grond van artikel 6:13 van Pro de Awb kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.
2.2.
Uit vaste rechtspraak volgt verder dat degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. [4] Om een persoonlijk belang aan te nemen moet verzoekster zich voldoende onderscheiden van anderen.
2.3.
Het bestreden besluit gaat over de verdeling van het aantal opvangplaatsen voor asielzoekers over gemeenten in de gehele provincie Gelderland. Gemeenten worden rechtstreeks geraakt door dit besluit en hebben dan ook de mogelijkheid om hier tegen op te komen als zij het niet eens zijn met de verdeling. Het aan dit verzoek connexe beroep is ingediend door een groep inwoners van de gemeente Brummen die zich heeft verenigd in een werkgroep handelend onder de naam Inspraak Brummen AZC.
2.4.
In het bestreden besluit wordt niet bepaald waar en hoe de asielzoekers worden opgevangen, alleen hoeveel dat er per gemeente in de provincie Gelderland moeten zijn. Verzoekster onderscheidt zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende van andere inwoners van de provincie Gelderland (en meer specifiek de gemeente Brummen) en heeft daarom geen persoonlijk belang bij het bestreden besluit.
2.5.
Daar komt nog bij dat verzoekster geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen het primaire besluit. Omdat zij geen bezwaar heeft gemaakt bij de minister, staat er gelet op artikel 6:13 van Pro de Awb ook om die reden geen beroepsmogelijkheid voor haar open bij de bestuursrechter. Verzoekster heeft aangevoerd dat haar niet verweten kan worden dat zij geen bezwaar heeft ingediend, omdat zij, in haar woorden, pas later (na bekendmaking en concretisering van de gevolgen voor hun leefomgeving in het bestreden besluit) daadwerkelijk belanghebbende is geworden. Dat volgt de voorzieningenrechter niet. Verzoekster is zowel bij het primaire besluit als bij het bestreden besluit geen belanghebbende, omdat zij geen persoonlijk belang heeft (zie onder 2.4). Verzoekster heeft geen andere redenen gegeven waarom het niet maken van bezwaar haar redelijkerwijs niet verweten zou kunnen worden.
2.6.
De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft, omdat zij verwacht dat het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Conclusie en gevolgen.

2.7.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond en de voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit volgt uit artikel 8:1 van Pro de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 7:1 van Pro de Awb.
4.Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2923.