AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Gevangenisstraf voor zware mishandeling door schot in been slachtoffer
Op 29 mei 2025 schoot verdachte in een schuur te Zuilichem met een vuurwapen in het been van het slachtoffer, waarbij zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Het slachtoffer liep een schotverwonding op met botbreuken in het kniegewricht en langdurige genezingstijd. Verdachte ontkende het schieten, maar getuigenverklaringen en het slachtoffer zelf wezen hem als dader aan.
De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Verdachte had bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het schot zwaar letsel zou veroorzaken. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de recidive van verdachte en het advies van de reclassering.
De straf bestaat uit 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals ambulante behandeling, meldplicht, contact- en locatieverbod. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan het slachtoffer van in totaal € 8.375,28 plus wettelijke rente. De rechtbank legde ook de tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen op wegens recidive.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, voor zware mishandeling door schot in het been van het slachtoffer.
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in de [plaats]
Raadsman: mr. B.M.C.F. de Groen, advocaat in Breda.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1.De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Zuilichem, gemeente Zaltbommel aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een vuurwapen in zijn knie, althans het been, te schieten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Zuilichem, gemeente Zaltbommel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een vuurwapen in zijn knie, althans het been, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 29 mei 2025 was verdachte samen met [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) in café [bedrijf] in Zuilichem. Na sluitingstijd van het café zijn zij samen naar een schuur aan [adres] in Zuilichem (de rechtbank begrijpt; gemeente Zaltbommel) gereden om daar verder te drinken. Verdachte en [slachtoffer] waren de enigen in de schuur. Aldaar is er met een vuurwapen op het been van [slachtoffer] geschoten, rechts boven de knie. [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken, omdat op basis van het dossier niet zonder gerede twijfel vastgesteld kan worden dat verdachte degene is die heeft geschoten op de knie van [slachtoffer] .
Beoordeling door de rechtbank
[slachtoffer] heeft op 29 mei 2025 aangifte gedaan van het schietincident. Hij heeft als volgt verklaard. Enige tijd nadat verdachte en [slachtoffer] waren aangekomen in de schuur vroeg verdachte aan [slachtoffer] of ze nog “hoeren gingen neuken”. [slachtoffer] zei dat hij daar niet van was, waarop verdachte zei: “Ga je daar nou boos om doen?” [slachtoffer] reageerde bij wijze van grap: “Als ik echt boos was dan had ik [naam] wel gebeld, die mogen wij toch slaan.” Daarmee refereerde hij aan een eerdere samenkomst met verdachte en zijn vriend [naam] , waarbij [naam] had gezegd dat verdachte hem wel mocht slaan. [slachtoffer] hoorde dat verdachte zei: “Wat zei je nou?”, waarop [slachtoffer] zijn opmerking herhaalde. Toen voelde [slachtoffer] ineens een warm gevoel aan zijn rechterbeen, rechts boven zijn rechterknie. Hij zag dat verdachte met een vuurwapen boven zijn been hing. Vanaf dat moment is het wazig. [slachtoffer] herinnert zich nog dat hij door [getuige] , de “sergeant” in de motorclub van verdachte, naar café [bedrijf] is gebracht, waar hij in een taxi is gezet die hem naar het ziekenhuis bracht. In het ziekenhuis bleek dat de kogel door zijn knieschijf was gegaan en nog in zijn been zat. Ook zaten er kleine krasjes aan de binnenkant van zijn knie, precies op de plek waar de kogel onder zijn huid zat. [slachtoffer] dacht dat die krasjes waren veroorzaakt doordat ze in de schuur hadden geprobeerd om de kogel eruit te krijgen. [3]
Als gevolg van het schietincident heeft [slachtoffer] letsel opgelopen. Uit de letselbeschrijving van de GGD Oost-Nederland volgt dat [slachtoffer] een schotverwonding had in het rechterbeen. De kogel is rechts boven de knie het lichaam van [slachtoffer] in gegaan en bevond zich onder de huid van de binnenzijde van het rechteronderbeen. Er was hierbij sprake van een breuk van het bovenbeen en het onderbeen, beide in het gewrichtsvlak van het kniegewricht. Daarnaast was er sprake van een bloeduitstorting in het rechterbeen en zaten er meerdere krasverwondingen op de binnenzijde van het rechteronderbeen. Ten aanzien van de genezingsduur van het letsel volgt uit de letselrapportage dat bloeduitstortingen en krasverwondingen doorgaans zonder restverschijnselen genezen binnen twee tot vier weken. De huidverwonding bij de schotverwonding zal doorgaans binnen vier weken genezen. Mogelijk blijft een litteken zichtbaar. De volledige genezing van de botbreuken zal naar verwachting meerdere maanden duren. Na een periode van zes weken waarin het been niet belast mag worden, moeten de belasting en de functie van de knie langzaam worden opgebouwd. Er kunnen klachten blijven bestaan. [4]
[getuige] is door de politie als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat verdachte hem op 29 mei 2025 rond 07.30 uur verschillende keren heeft gebeld met de vraag of [getuige] naar hem toe wilde komen. [getuige] is daarop naar de schuur gereden en trof daar verdachte aan, samen met een jongen van 18 jaar die door zijn knie was geschoten. Verdachte was in paniek en zei tegen [getuige] dat er door de jongen een verkeerde opmerking was gemaakt, waardoor verdachte het pistool bij de jongen op zijn knie heeft gezet. Toen heeft de jongen nog een keer iets verkeerds gezegd en toen is er geschoten. [getuige] heeft in de schuur ook het wapen gezien. Omdat ze de kogel zagen zitten in het been van de jongen, hebben verdachte en [getuige] eerst geprobeerd om zelf die kogel eruit halen om, naar eigen zeggen, loodvergiftiging tegen te gaan. Daarna heeft [getuige] met de telefoon van de jongen een taxi gebeld, die hij naar café [bedrijf] heeft laten komen. Vervolgens heeft hij de jongen met zijn auto naar dat café gebracht. [5]
In het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris heeft [getuige] nogmaals verklaard dat verdachte tegen hem heeft verteld dat hij, verdachte, geschoten had in het been van [slachtoffer] . Verdachte heeft het vuurwapen in de schuur uit zijn zak gehaald en het aan [getuige] laten zien. [6]
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bevestigd dat hij [getuige] heeft gebeld na het schietincident, en dat [getuige] is degene is geweest die [slachtoffer] naar café [bedrijf] heeft gebracht en de taxi heeft gebeld. [7] Verdachte ontkent dat hij degene is geweest die [slachtoffer] in zijn been heeft geschoten.
De vraag die de rechtbank eerst moet beantwoorden is of kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die op het been van [slachtoffer] heeft geschoten. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] en verdachte de enigen in de schuur waren toen er werd geschoten. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem in zijn been heeft geschoten, nadat hij – in de ogen van verdachte – iets verkeerds had gezegd. Deze verklaring wordt op essentiële onderdelen ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige] , die vlak na het incident ter plaatse kwam, zoals door verdachte is bevestigd. Verdachte heeft volgens de verklaring van [getuige] ter plaatse tegen [getuige] verteld dat hij de jongen (zijnde [slachtoffer] ) in zijn been had geschoten omdat deze een verkeerde opmerking had gemaakt. [getuige] heeft ook gezien dat verdachte ter plaatse een vuurwapen op zak had.
Door de verdediging is, kort gezegd, betoogd dat de verklaringen van [getuige] onaannemelijk zijn en er mogelijk een ander (financieel) belang aan ten grondslag ligt.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het enkele gegeven dat [getuige] heeft verklaard dat verdachte aan de telefoon tegen hem zei dat er een ongeluk was gebeurd, niet maakt dat zijn verklaring dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij aangever in zijn been heeft geschoten vanwege een verkeerde opmerking onaannemelijk is. [getuige] heeft tweemaal verklaard dat verdachte vervolgens (na het telefoongesprek) ter plaatse tegen hem heeft verteld dat hij in het been van [slachtoffer] had geschoten. De rechtbank ziet niet in dat het verklaarde over de inhoud van het telefoongesprek een tegenstrijdigheid oplevert met het verklaarde over het moment ter plaatse. De opmerking van de verdediging dat [getuige] mogelijk een ander (financieel) belang zou hebben bij de afgelegde verklaringen is niet onderbouwd. De stukken in het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht geven evenmin aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat op grond van de aangifte en de verklaring van [getuige] kan worden bewezen dat verdachte degene is die heeft geschoten op het been van [slachtoffer] .
Vervolgens moet worden beoordeeld hoe dit handelen van verdachte juridisch dient te worden gekwalificeerd. Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling. Voor een bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Vast staat dat [slachtoffer] het letsel heeft opgelopen door de gedragingen van verdachte. Dit letsel was van dien aard dat medisch ingrijpen (het verwijderen van de kogel) noodzakelijk is gebleken. Uit de letselrapportage volgt dat [slachtoffer] een schotverwonding had in zijn rechterbeen en dat hij als gevolg van het schot een breuk in zijn bovenbeen en een breuk in het onderbeen heeft opgelopen, beide in het gewrichtsvlak van het kniegewricht. De genezing van de botbreuken duurt naar verwachting meerdere maanden en er kunnen blijvende klachten ontstaan. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat dit letsel naar normaal spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Voorts is vereist dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . De rechtbank overweegt hiertoe dat de kans dat iemand die in het been wordt geschoten met een vuurwapen zwaar lichamelijk letsel oploopt naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Hoewel de beweegredenen van verdachte op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet (volledig) duidelijk zijn geworden, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank - door van korte afstand met een vuurwapen op het been van [slachtoffer] te schieten - op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer] , zoals primair ten laste gelegd.
3.De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks29 mei 2025 te Zuilichem, gemeente Zaltbommel aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een vuurwapen in zijn knie, althans hetbeen, te schieten.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling.
5.De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6.De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. De tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, dient op deze straf in mindering te worden gebracht. Aan het voorwaardelijke deel dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd voor de duur van 3 jaar, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor [adres] en [adres] in Aalst en voor café [bedrijf] aan [adres] te Zuilichem. Daarbij dient voor elke overtreding de vervangende hechtenis te worden bepaald op 1 week.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd, gelet op de bepleite vrijspraak.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van de 18-jarige [slachtoffer] . Een gezellige avond is om onduidelijke redenen omgeslagen naar een gewelddadig schietincident, waarbij verdachte een vuurwapen op [slachtoffer] heeft gericht en hem in zijn been heeft geschoten. Daarmee heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de zowel fysieke als psychische gezondheid van [slachtoffer] . Ter terechtzitting heeft [slachtoffer] in een namens hem voorgedragen verklaring verwoord hoe het incident zijn leven heeft veranderd. Daar komt bij dat dergelijke feiten niet slechts impact hebben op het slachtoffer en diens directe omgeving, maar ook zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar meermaals is veroordeeld voor (gewelds)delicten. Ook is hij recent veroordeeld voor wapen- en drugsbezit. Met het bewezenverklaarde is sprake van recidive binnen drie verschillende proeftijden.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 24 september 2025. Daaruit volgt er bij verdachte sprake is van een delictpatroon ten aanzien van het plegen van geweldsdelicten. Door de ontkennende proceshouding van verdachte is het lastig gebleken om delictgerelateerde factoren vast te stellen. Wel ziet de reclassering een mogelijke relatie tussen de leefgebieden 'sociaal netwerk', 'middelengebruik en verslaving' en 'psychosociaal functioneren'. Ook houdt de reclassering rekening met een delictrelatie ten aanzien van het psychosociaal functioneren van verdachte. Verdachte heeft ADHD en er is sprake van PTSS. Dit kan betekenen dat verdachte impulsief zou hebben gehandeld vanuit een (getriggerd) trauma uit zijn jeugd, waardoor ook het leefgebied 'familie' als mogelijk (indirect) delictgerelateerd kan worden beschouwd. De reclassering houdt verder rekening met de houding van verdachte als mogelijk delictgerelateerd, omdat verdachte al eerder in beeld kwam wegens een ernstig geweldsfeit waarvoor hij al onder toezicht stond ten tijde van het bewezenverklaarde. De reclassering ziet op dit moment geen beschermende factoren. Positief is dat verdachte zegt gemotiveerd te zijn voor hulpverlening en dat hij wil meewerken aan een reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden. De risico’s op recidive en letsel worden ingeschat als hoog, op basis van het feit dat verdachte binnen lopende proeftijden (waaronder een reclasseringstoezicht) gerecidiveerd is en er opnieuw sprake is van een ernstig geweldsfeit. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld.
De reclassering acht het noodzakelijk dat betrokkene behandeling krijgt, zowel op het gebied van zijn middelengebruik als op het gebied van zijn psychosociale problemen (ADHD en PTSS). Het advies is om dit eerst in een ambulant kader nog een kans te geven, mits de randvoorwaarde van een stabiele woonplek gerealiseerd is. Daarom adviseert de reclassering ook beschermd/begeleid wonen als bijzondere voorwaarde op te nemen. Mocht dit in de praktijk toch onvoldoende blijken, dan is het van belang dat de mogelijkheid bestaat om alsnog een langdurige klinische behandeling in te zetten. Vanwege de ernst van het feit acht de reclassering een vrijwillig kader onvoldoende. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:
meldplicht bij reclassering;
opname in een zorginstelling;
ambulante behandeling;
ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname);
begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
drugsverbod;
dagbesteding;
meewerken aan middelencontrole;
contactverbod;
locatieverbod (zonder elektronische monitoring).
De op te leggen straf
De rechtbank is gelet op de aard en de ernst van het feit, de eerdere veroordelingen voor geweldsfeiten en de zorgen die door de reclassering worden beschreven van oordeel dat een (ambulante) behandeling van verdachte noodzakelijk is om te voorkomen dat het in de toekomst weer fout gaat. De rechtbank zal het advies van reclassering daaromtrent overnemen.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gezien de ernst van het feit is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Daarnaast zal de rechtbank een fors voorwaardelijk strafdeel opleggen, zodat verdachte een flinke stok achter de deur heeft om de hieraan te verbinden voorwaarden na te komen en te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering, inclusief het contact- en locatieverbod. De rechtbank ziet geen aanleiding om het contact- en locatieverbod op te leggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.
De tijd die verdachte al in verzekering heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 PenitentiairePro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 WetboekPro van Strafvordering, aan de orde is.
8.De beoordeling van de civiele vordering
[slachtoffer] heeft als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert in totaal een bedrag van € 6.481,76 aan materiële schade en een bedrag van
€ 20.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het gedeelte van de vordering dat ziet op de opleidingskosten en de kosten voor het OV in 2025 en 2026, omdat deze schadeposten op dit moment lastig te beoordelen zijn.
Ten aanzien van de gevraagde vergoedingen voor de overige materiële schade – tot een bedrag van € 2.293,87 – en de immateriële schade stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de civiele vordering, gelet op de bepleite integrale vrijspraak.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit de bewezenverklaarde gedraging van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
De rechtbank overweegt dat de schadeposten met betrekking tot de fysiotherapie en de broek niet inhoudelijk zijn betwist. De schadeposten zijn (verder) voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft deze posten kan worden toegewezen tot het gevraagde bedrag van in totaal € 241,00.
Voor wat betreft de bril overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet is gebleken van een bril die is achtergebleven op de plaats delict, noch dat [slachtoffer] ten tijde van het delict een bril droeg dan wel bij zich had. In de vordering en ter terechtzitting is deze stelling niet nader toegelicht. De rechtbank acht dit gedeelte van de vordering daarmee onvoldoende onderbouwd en zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering.
Ten aanzien van de gevorderde kosten voor de tas overweegt de rechtbank dat er geen rechtstreeks verband bestaat met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering.
Uit de toelichting ter terechtzitting is gebleken dat deze schadepost betrekking heeft op de tas die door de politie op de plaats delict is aangetroffen en vervolgens is meegenomen. Het is niet ondenkbaar dat de tas nog kan worden geretourneerd aan de benadeelde partij.
Ten aanzien van de schadeposten met betrekking tot de opleidingskosten en de kosten voor het OV over het jaar 2025 en 2026 overweegt de rechtbank dat niet voldoende is onderbouwd dat er al schade is geleden op dit punt. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten overweegt de rechtbank dat schadeposten met betrekking tot de bezoeken aan het ziekenhuis op 29 mei 2025, het onderzoek bij de forensisch arts op 3 juni 2025 en het slachtoffergesprek op 19 januari 2026 kunnen worden toegewezen. Deze schadeposten zijn niet inhoudelijk betwist en komen redelijk voor. De rechtbank zal de vordering op dit punt toewijzen tot een bedrag van in totaal € 134,28.
Voor wat betreft de overige gevorderde reis- en parkeerkosten overweegt de rechtbank dat de reiskosten voor het ophalen van het ID bij de politie en de reis-en parkeerkosten die zijn gemaakt voor de rechtszittingen géén rechtstreeks door het strafbare feit veroorzaakte schade betreffen. De reiskosten van de ouders van [slachtoffer] , die zijn opgevoerd als verplaatste schade, zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, nu er geen stukken zijn bijgevoegd waaruit blijkt dat de kosten volledig zijn gemaakt. Ook blijkt uit de vordering onvoldoende waarom [slachtoffer] iedere dag van de week gebracht en gehaald moest moet worden. Een deel van de vordering betreft bovendien toekomstige schade. De rechtbank zal de
benadeelde partij daarom voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Immateriële schade
Uit de bewezenverklaarde gedraging van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden die binnen de categorieën van artikel 6:106 vanPro het Burgerlijk Wetboek valt. Als gevolg van het schietincident heeft [slachtoffer] immers lichamelijk letsel opgelopen, zoals ook volgt uit het bijgevoegde verslag van de fysiotherapeut. Ook stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast. Blijkens het bij de vordering gevoegde journaal van de huisarts heeft [slachtoffer] onder meer last van paniekaanvallen en slaapproblemen en is hij doorverwezen naar de GGZ in verband met een vermoeden van PTSS.
De rechtbank overweegt dat de stukken van de fysiotherapeut en de huisarts respectievelijk dateren van september en oktober 2025. Over de periode daarna heeft de rechtbank op basis van de vordering en de toelichting daarbij onvoldoende beeld bij het verloop van de klachten bij [slachtoffer] en kan zij niet beoordelen in hoeverre deze klachten nog (volledig) speelden.
Rekening houdend met de aard en ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op € 8.000,00.
Conclusie
In totaal zal de rechtbank een bedrag toewijzen van € 375,28 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade/smartengeld.
Verdachte is ten aanzien van de vordering wettelijke rente verschuldigd vanaf 29 mei 2025.
De rechtbank ziet tot slot aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.
9. De vorderingen tot tenuitvoerlegging (parketnummers 20-001304-24, 05-336697-24 en 05-244887-24
Onder parketnummer 20-001304-24
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte op 21 januari 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.
Onder parketnummer 05-336697-24
De politierechter heeft verdachte op 19 maart 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren.
Onder parketnummer 05-244887-24
De politierechter heeft verdachte op 7 mei 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 500,00, te vervangen door 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de bovenstaande voorwaardelijk opgelegde straffen.
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging, gelet op de bepleite vrijspraak.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straffen daarom ten uitvoer moeten worden gelegd.
10.De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
11.De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 10 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als
stelt de volgende bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht
Verdachte moet zich binnen drie dagen na ingang van de proeftijd (in persoon) melden bij Novadic-Kentron op het volgende adres: [adres] 's-Hertogenbosch (073-6409696). Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Hij dient zich te houden aan de afspraken en aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt dat hij zijn medewerking moet verlenen aan de uitvoering van huisbezoeken, de SCIL de methodiek ‘Stap voor Stap’ en/of urinecontroles;
- Ambulante psychische behandeling
Verdachte laat zich diagnosticeren en behandelen door een forensisch ambulante zorginstelling zoals Ambulant Centrum Fivoor in Tilburg of een soortgelijke instelling waar aandacht is voor zijn agressieregulatie-problematiek en eventueel andere uit de diagnose voortvloeiende onderliggende problemen, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk na ingang van de proeftijd.
De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
- Ambulante verslavingsbehandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)
Verdachte laat zich behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert zal verdachte zich na goedkeuring door de rechter laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen als de zorginstelling dat nodig vindt;
- Opname in een zorginstelling
Indien nodig laat verdachte laat zich opnemen in een forensische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- Drugsverbod
Verdachte gebruikt geen harddrugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- Dagbesteding
Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van (on)betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- Meewerken aan middelencontrole
Verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- Contactverbod
Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de heer [slachtoffer] zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- Locatieverbod
Verdachte bevindt zich niet in [adres] of [adres] in Aalst of in café [bedrijf] aan [adres] te Zuilichem, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
stelt als overige voorwaardendat verdachte:
- zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 375,28 aan materiële schade en € 8.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 8.375,28 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 66 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
De beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 20-001304-24)
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 21 januari 2025 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken (parketnummer 20-001304-24);
De beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05- 336697-24)
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 19 maart 2025 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand (05-336697-24);
De beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05- 244887-24)
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 7 mei 2025 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een geldboete ter hoogte van € 500,00, te vervangen door 10 dagen hechtenis (05-244887-24).
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Gerritsen, voorzitter, mr. J.M. Graat en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 februari 2026.
mr. Gerritsen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten
1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2100-2025118492 en PL0600-2025250287, proces-verbaalnummer 129 (zaaksdossier Wortel), gesloten op 15 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 47-48 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 3 februari 2026.
3.Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 47-49, 51.
4.De Letselrapportage Forensische Geneeskunde van de GGD Oost-Nederland, p. 73.
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 107-108.
6.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 15 januari 2026.
7.Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 258 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 3 februari 2026.