Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1194

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
05/132144-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 38z SrArt. 36f SrArt. 6:108 BWArt. 51f Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling man voor moord op ex-partner met toekenning affectieschade aan nabestaanden

Op 29 april 2025 heeft verdachte zijn ex-partner in Arnhem met voorbedachten rade verwurgd, hetgeen leidde tot haar overlijden. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich enige tijd heeft beraden en een plan heeft uitgevoerd, ondersteund door afscheidsbrieven en digitale bewijzen.

De verdediging voerde aan dat er sprake was van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en dat de brieven slechts uiting waren van donkere gedachten, maar de rechtbank verwierp dit en concludeerde dat verdachte het plan bewust uitvoerde. De psychiater en psycholoog stelden een verminderd toerekeningsvatbaarheid vast, wat de rechtbank overnam.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 18 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en legde een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan de ouders en de zus van het slachtoffer, waarbij de zus een uitzonderlijke affectieschade kreeg toegewezen wegens een bijzondere band.

De rechtbank benadrukte de ernst van het delict, de impact op de nabestaanden en de noodzaak van een zware straf en nazorgmaatregelen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Gelderland op 18 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf en een gedragsbeïnvloedende maatregel voor moord op zijn ex-partner met toekenning van affectieschade aan nabestaanden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/132144-25
Datum uitspraak : 18 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 op [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats] .
Raadslieden: mr. M.A. Dijk en mr. B.L.M. Ficq, advocaten in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op 29 april 2025 te Arnhem [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] bij de hals te verwurgen en/of te stranguleren, althans (samen)drukkend geweld uit te oefenen op de hals van die [slachtoffer] , en/of die [slachtoffer] te smoren, althans (af)drukkend geweld uit te oefenen op de mond en de neus van die [slachtoffer] ,
ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden,
hij op 29 april 2025 te Arnhem [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] bij de hals te verwurgen en/of te stranguleren, althans (samen)drukkend geweld uit te oefenen op de hals van die [slachtoffer] , en/of die [slachtoffer] te smoren, althans (af)drukkend geweld uit te oefenen op de mond en de neus van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde moord.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord, nu er volgens hen meer contra-indicaties zijn tegen de voorbedachten rade dan dat er belastende indicaties zijn die zouden moeten leiden tot een bewezenverklaring van de voorbedachten rade. De verdediging heeft betoogd dat verdachte in de brieven, die als belastend zouden kunnen worden aangemerkt voor de voorbedachten rade, slechts zijn donkere gedachten van zich af schreef. De verdediging heeft erop gewezen dat gedachten en teksten vrij zijn, en dat dit pas anders kan worden als de daad bij het woord wordt gevoegd. Door de verdediging is betwist dat het de bedoeling was dat de beschreven scenario’s werkelijkheid zouden worden als ware een plan. Meerdere onderdelen in de teksten zijn multi-interpretabel en kunnen duiden op zowel een scenario waarbij verdachte enkel zichzelf van het leven berooft als op een scenario waarin hij ook overgaat tot het doden van [slachtoffer] . De verdediging heeft er in dat kader op gewezen dat een deel van de ‘Code Zwart’ brief aan [slachtoffer] gericht was, wat erop duidt dat het niet de bedoeling was om [slachtoffer] te doden. De verdediging heeft verder betoogd dat de zoekslagen die zijn aangetroffen in de laptop van verdachte, meer wijzen op het scenario van suïcide. Noch de teksten, noch de tijdlijn, noch de in ‘Code Zwart’ opgenomen inlogcodes van [slachtoffer] ’s gegevensdragers bevatten volgens de verdediging voldoende zelfstandige bewijswaarde voor het bewijs van voorbedachten rade. De verdediging heeft daarnaast betoogd dat de persoon van verdachte, de rapportages van de deskundigen en de omstandigheid dat sprake leek te zijn van een liefdevolle relatie zonder “rode vlaggen” belangrijke contra-indicaties tegen de voorbedachten rade vormen. Tot slot heeft de verdediging betoogd dat de uitspraak van verdachte ‘I lost it’ die hij deed in het telefoongesprek met [naam] nadat hij [slachtoffer] had gedood, een contra-indicatie vormt voor de voorbedachten rade.
Beoordeling door de rechtbank
Op 29 april 2025 om 19:45 uur kwam bij de politie een melding binnen waarin de melder aangaf dat hij zijn vriendin zou hebben gedood en dat hij zelfmoord had willen plegen. [2] Verbalisanten kwamen ter plaatse bij de woning aan de [adres] in Arnhem. Zij zagen dat een man met bebloede armen de woning uitliep. [3] Deze man bleek verdachte te zijn. [4] In de woonkamer troffen verbalisanten een vrouw aan die op de bank lag. De vrouw had blauwe verkleuringen in haar nek. De vrouw, [slachtoffer] , bleek te zijn overleden. [5]
Het lichaam van [slachtoffer] is onderzocht. Aan de huid van de hals werden bloeduitstortingen en oppervlakkige huidbeschadigingen met bijkomende bloeduitstorting in de onderliggende wekedelen waargenomen. Deze bloeduitstortingen toonden geen tekenen van genezing en zijn dus kort voor of tijdens het overlijden ontstaan. Daarnaast was er een breuk van beide grote hoorns van het schildkraakbeen. Al deze letsels kunnen zijn ontstaan door
een (samen)drukkende krachtinwerking (zoals verwurging met de handen) en/of toesnoerende krachtinwerking (zoals strangulatie met een bredere structuur) op de hals. De uitgebreide puntvormige bloeduitstortingen in de oogbindvliezen, het oogwit, het slijmvlies van de mond en de gelaatshuid zijn het gevolg van bloedstuwing en kunnen (evenals de stuwing van de zachte hersenvliezen en hersenen, sub B9) als begeleidende verschijnselen gezien worden bij een dergelijke (samen)drukkende en/of toesnoerende krachtinwerking op de hals (door een onvolledige afsnoering van de halsslagaders). Het overlijden kan worden verklaard door een (samen)drukkende krachtinwerking op de hals (zoals verwurging of strangulatie). [6]
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] met twee handen heeft gewurgd. Toen zij niet meer ademde, stopte hij. [7]
Afscheidsbrieven
Getuige [naam] heeft verklaard dat hij op 29 april 2025 werd gebeld door verdachte. Verdachte vertelde hem dat hij had geprobeerd om zelfmoord te plegen, maar dat dit niet was gelukt en dat [slachtoffer] dood was. Verdachte had aan hem om 18:42:02 uur (de rechtbank: Nederlandse tijd) de volgende e-mail gestuurd met als onderwerp: ‘Code Zwart’ (zie hieronder, vetgedrukte markering aangebracht door de rechtbank). [8]
‘Hey [naam] en [naam] , code zwart. Sorry. Ik ben hierna niet meer bereikbaar. Ja, hoe zeg ik dit. Dit is een afscheid. (….)Sorry. Hieronder een verzoek aan jullie, en wat dingen die nog geregeld moeten worden. Ook bijgevoegd, mijn afscheidsbrief aan de mensen die er altijd voor mij zijn geweest. (…) Niet begrijpen, dat doe ik zelf ook niet. Ik herken mezelf niet meer. (….) [naam] en [naam] , willen jullie mama helpen met alles regelen, of haar begeleiden, klaarstaan zoals je dat voor mij hebt gedaan. Wat zaken die nog onafgerond zijn: Ik heb op deGIRO wat geld staan (~18k). (…) Op mn telefoon heb ik ook Kraken staan voor crytpo investeringen, maar die heb ik al naar mn rekening geboekt, daar hoef je niet meer naar te kijken. Was verder maar 200 euro ofzo. Ook heb ik wat spullen bij [naam] (…), die vriend van mij, gedropt. Dit betreffen sieraden die mama hier had liggen en die ik liever niet meer thuis had. (….) Het zijn verzamelkaarten die ik in het verleden voor weinig heb kunnen kopen en sparen (…) Helaas heb ik er nu niks meer aan. (….) Er staat een doos in zijn berging die hij voor mij bewaarde. (…). Ik wist op een gegeven moment niet meer hoe ik ze ooit zou moeten verkopen,maar als er kosten zijn die door mijn handelen betaald moeten wordenkunnen deze kaarten hopelijk naast mijn spaargeld (30k) en beleggingen(~18k) ook het een of andere dekken.. Bijgevoegd ook een bestand met de recente waardes (ongeveer 50k-1 00k afhankelijk van hoe je het kunt verkopen). (…) Ook echt slechte timing, maar onlangs vroeg de buurvrouw op [nummer] of we samen een nieuwe schutting wilde plaatsen.Dit was voordat het uit was, en we wilden doorzetten, maar toen ging het slecht met mij waardoor ik jullie nu achterlaat met dit gedoe. Partij ingehuurd die de heg verwijderd op 1 mei à kosten zijn 600 euro. Wij hebben de buurvrouw 300 euro cash gegeven, onze helft van de kosten. Deze partij wordt zwart betaald op 1 mei door de buurvrouw.Daarnaast komt een andere partij, gras en groen schuttingen (Order 36329), op 15 mei de schutting plaatsen. Kosten incl btw zijn 1562 oid. Buurvrouw heeft ons haar deel cash gegeven, dit geld ligt nog thuis naast de tv en wij zouden de betalingen verder via de facturen verder wit regelen.Ik weet niet of jullie hier wat aan hebben, maar voor mijn telefoon is de code [nummer] (sim code [nummer] ) en eventueel andere codes zijn [nummer] . Voor [slachtoffer] geld voor een hoop de code [nummer] .Misschien dat jullie hier wat antwoorden ofzo kunnen halen. (…) Verder waren de meubels en de overige spullen in huis grotendeels van ons beide. (….)Wat het huis betrof, had ik 106k meer ingezet met de gift van mama. Wij hadden bedacht dat een eerlijke verdeling zou zijn bij de verkoop:- 106k naar mij (initiële inzet)- Afbetaalde deel hypotheek - de betaalde rente= 70% van [slachtoffer] en 30% voor mij omdat wij dat zo hadden berekend. (…)
- Winst ieder de helft.Dit zouden we nog bij een Notaris gaan regelen, maar is niet meer gelukt. Hopelijk komen jullie er uit zo... De toegevoegde afscheidsbrief gaat er wat dieper op in. Nogmaals sorry dat ik dit heb gedaan.’
Bij deze email waren twee bestanden gevoegd:
Overzicht prijzen kaarten.xlsxSorry, aan iedereen.docx
Het bestand ‘Overzicht prijzen kaarten.xlsx’ betrof een Excel document met een overzicht van Pokémon-kaarten met het aankoopbedrag en de waarde van deze kaarten op verschillende tijdstippen. Ook is bij het bestand een tekst opgenomen, waarin onder ander het volgende is opgenomen:
‘(….) Gaat om veel sets,en ik weet niet wat voor ravage ik achterlaat, (…)en of jullie hierna überhaupt een aandeknen van mij willen, is maar de vraag. Ja gek om dit allemaal op te schrijven....’
Het bestand ‘Sorry, aan iedereen.docx’ bevatte onder meer de volgende tekst:
‘Mam, (….) Begin dit jaar ben ik eindelijk uit dat gat geklommen en keek ik uit naar de toekomst, met jou en [slachtoffer] . (….) Totdat dat allemaal voor mijn ogen instortte. Ik dacht dat ik ermee om kon gaan, maar hoe het allemaal is gelopen heeft mij ergens kapot gemaakt.En nu heb ik dit gedaan.Heb ik jou gekwetst , de persoon die alleen maar liefde voor mij had. (…)Jij bent nu ook alles kwijt, en dat heb ik met mijn keuze gedaan. Ik ben verantwoordelijk voor jouw pijn.Ik heb [slachtoffer] en mij gereduceerd tot een statistiek. Ik ben blijkbaar zo’n man die onbegrijpelijk handelt.(….) Sorry dat ik zo bleek te zijn. (….)
[naam] , [naam] en [naam] .(…) Sorry, het spijt mij zo. Het zal nooit de lading strekken, en wij hebben zo lang zo’n fijne band gehad. Ik weet niet of ik teveel van [slachtoffer] heb gehouden, of juist niet genoeg om dit fatsoenlijk te kunnen verwerken. Maar na al die jaren hebben haar leugens en woorden op het laatst mij op een manier gebroken, dat ik mezelf niet meer herkende. (...)Ik heb dit gedaan, en heb haar bewust hierin meegenomen, en hiermee jullie levens ook voor altijd op de ergste manier aangetast.(…)Sorry dat ik op deze manier jullie lieve dochter en zus van jullie ontneem.
[naam] en [naam] , (…) Ik heb zo geprobeerd om het te verwerken, maar hoe het allemaal is gelopen heeft mij ergens gebroken. Jullie kennen mij niet zo, ik ook niet. Maar ik zag op een gegeven moment geen alternatief. Na 17 jaar kon ik niet meer helemaal opnieuw beginnen. (…) Sorry. Sorry dat ik zo bleek te zijn.
(…)
[naam] , ook jullie wil ik nog aanspreken. Ik heb hier bewust deze keuze gemaakt, omdat ik het
allemaal niet meer zag zitten. Wij waren zo’n hechte groep, en ik zag naast mijn toekomst met
[slachtoffer] en alles wat we hadden opgebouwd, onze groep ook uit elkaar vallen. (…) Dat gevoel kon ik maar niet loslaten. (…). Jullie kenden mij zo goed, en ik had dit ook nooit van mijzelf verwacht.Ik snap als jullie mij nu heel anders zien, misschien wel verachten of haten.(…)
Lieve [naam] , [naam] en [naam] , lieve (oud)tantes. (…)
Vrienden en Familie . (…) Velen van jullie hebben mij al heel lang gekend. En ik wil geloven dat ik dit niet altijd in mij heb gehad. Dat kan niet. Maar er is iets in mij gebroken, door iemand die ik dacht te kennen, dacht te kunnen vertrouwen met mijn leven. Ik herkende haar niet meer, en als ik nu in de spiegel kijk, herken ik mij niet meer. Ik probeer deze gedachtes te begrijpen, maar dat kan ik niet. De gedachte ontstond uit een onbeschrijfelijk verdriet en groeide met onbegrip en boosheid. (…) Ik zag geen alternatief meer. (…)
[slachtoffer] , hoe zijn wij hier beland?
Ik kan het ergens nog steeds niet geloven. 17 mooie jaren. (...) Maar blijkbaar had je twijfels, en had je die vaker. (…)Ik heb uiteindelijk een keuze gemaakt die de meest egoïstische uit mijn leven is geweest.Ik weet dat ik hiermee mensen pijn doe. Dat het gevolgen heeft die ik niet kan overzien. Maar op dat moment kon ik het niet meer verwerken. Mijn verdriet overspoelde alles. Niet alleen jij viel weg. Mijn hele toekomst viel in duigen. (…)
Slot: Ik begrijp dat wat ik heb gedaan vele malen erger is dan hoe [slachtoffer] uiteindelijk heeft gehandeld.Ik werd verblind en gevuld met angst, verdriet, pijn en boosheid en zag geen alternatief in het moment. De afgelopen maand heb ik niet kunnen slapen en heb ik mezelf zien afglijden, de boosheid mij deze afgrond in laten trekken. (….)Ik werd benauwd dat die donkere gedachte in mij opkwam, en probeerde er omheen te denken.Ik durfde het niet uit te spreken, omdat het zo’n achterlijk idee was,wat ik zelf altijd heb verafschuwt als ik het in het nieuws las.Ik probeerde het van mij af te schrijven, misschien als ik het teruglas dan zag ik in waar ik mee bezig was, en dat ik zo de verkeerde kant op aan het gaan was. Maar helaas was dat niet zo. (…) Het beeld dat jullie van mij hadden, zal voorgoed veranderd zijn. (….)Nouja, ik heb deze brief meerdere malen doorgelezen, en toch heb ik door gezet.Ik ben doorgedraaid, dat kan niet anders. Met deze brief probeer ik het niet goed te praten, dat kan namelijk niet. Ik probeer wat vragen te beantwoorden waar jullie mee zullen achter blijven. (…) Ik kon me geen beter leven voorstellen dan dat met [slachtoffer] . En juist die gedachte dat ik jou nooit echt los zou kunnen laten heeft me kapotgemaakt. [9]
Tijdlijn voorafgaand aan 29 april 2025
Op 9 april 2025 werd de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] verbroken. [10]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een week of iets langer bezig is geweest met de tekst in het document ‘Code Zwart’. [11] Op de laptop van verdachte is ook een document met de bestandsnaam ‘Lieve [slachtoffer] ’ aangetroffen. Dit document bleek te zijn aangemaakt op 16 april 2025. De tekst van dit document komt overeen met de tekst in het document ‘Code Zwart’. [12]
Verdachte verstuurde verder de volgende Whatsappberichten in een chatconversatie naar zichzelf:
Bericht op 19 april 2025 om 17:31:06 uur:
Kon het jiet goedpraten, maar het enige waar ik aan dacht, een statistiek. Mensen die mij kennen, breekpunt. Een kant vanmezelf die ik niet kende, doorneen kant van jou die iknniet kende. Gun de jenalles, maar toen ik erachter kwam dat je met een ander bezig was. Tveel van haar gehoudendaardoor knapte wr iets toen ik zo werd bedrogen.Bericht op 19 april 2025 om 17:42:27 uur:
Waar ik altijd voor iedereen er bent geprobeerd te zijn, heb ik nu de meest egoïstische keuze genaakt. Beuwst van dat ik zoveel mensen ga kwetsen met het niet kunnen verwerken van mijn keed, en niet beseffen wat voor gevolgen dit voor jullie zal hebben.
Bericht op 20 april 2025 om 21:15:20 uur:
Jullienzullen waarschijn je afvragen wat en hoe en waarom. Dst antwoord zal ik jullie nooit voldoende kunnen geven
Bericht op 27 april 2025 om 18:01:01 uur:
Ik heb het geprobeerd. Praten, therapie zoeken, schrijven, sporten, afleiding, relativeren... op de volgens mij, gezonde manieren. Maar het lukte niet. Ik kon alleen maar voelen, de pijn, het verdriet, het gemis. De tijd heelt alle wonden, maar ik had die tijd niet. Het was allemaal te pijnlijk, te veel. Ik sliep niet
Bericht op 28 april 2025 om 21:21:49 uur:
Dit is in de moeilijke tijden mn notepad geweest, waar ik mn gedachtes opschreef. [13]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat verdachte bij hem een doos wilde achterlaten. Op 25 april 2025 heeft [getuige] verdachte opgehaald. Verdachte zette op dat moment een doos bij hem in de auto. Verdachte zei tegen hem dat hij de spullen bij [getuige] wilde neerzetten, omdat hij de spullen wilde bewaren buiten zijn huis. [14] In de doos die bij [getuige] werd gestald, werden de volgende voorwerpen aangetroffen. In een doosje met opschrift ‘spullen mama’ werden diverse sieraden en munten aangetroffen. In een koffertje met een cijferslot werden 30 stuks gesorteerde Pokémonkaarten in showcases aangetroffen. En in een koffertje met een hangslot werden 68 stuks Pokémonkaarten in showcases aangetroffen. [15]
Tijdlijn op 29 april 2025
Er is onderzoek gedaan naar de laptop van verdachte. Hieruit is het volgende gebleken.
Op 29 april 2025 om 12:27 uur heeft verdachte het bestand ‘Cards.xlxs’ voor het laatst bewerkt en opgeslagen. Dit bestand had eenzelfde inhoud als het bestand afscheid.xlsx: een overzicht van Pokémonkaarten met daarbij de aanschafprijs en de prijzen van deze kaarten in de loop van de jaren. [16]
Om 14:17 uur kwam [slachtoffer] thuis. [17] [slachtoffer] ging vervolgens naar zolder om te slapen. [18]
Op de laptop van verdachte is een map aangetroffen met de naam: ‘afscheid’. Deze map is aangemaakt om 15:36 uur. [19]
Tussen 15:56 uur en 16:21 uur voerde verdachte op zijn laptop zoekopdrachten uit, zoals: “arteries arm, erfenis overleden kind, UWV en overlijden, neck artery”. [20]
Om 15:57:53 uur stuurde verdachte het volgende berichtje naar de telefoon van [slachtoffer] : “Hey [slachtoffer] , ben je wakker?” [21]
Om 16:06 uur werd het document ‘Code Zwart’ voor het laatst gewijzigd en opgeslagen in de map ‘afscheid’.
Om 16:52 uur voerde verdachte de volgende zoekopdracht uit: “how to send email later in outlook”.
Om 17:30 uur werd het bestand ‘Sorry, aan iedereen’ voor het laatst opgeslagen, ook in de map ‘afscheid’. [22]
Om 17:34:53 uur werd het volgende appje vanaf de telefoon van [slachtoffer] naar verdachte verstuurd: “Ben net wakker nu, hoezo?”. [23] Dit is de laatste fysieke handeling die op de telefoon van [slachtoffer] werd verricht. [24]
Om 17:35:00 uur ging de laptop van verdachte in slaapstand. [25]
Om 17:35:04 uur verstuurde verdachte het volgende appje naar de telefoon van [slachtoffer] : “kom erz o even aan”. [26]
Om 18:38:00 uur werd de laptop van verdachte weer geopend. [27] Om 18:41 uur werd op de laptop de volgende zoekopdracht gedaan: “where can I see my scheduled sent items”. [28]
Om 19:37:44 uur heeft verdachte [naam] gebeld. [29]
Bewezenverklaring
De rechtbank stelt vast dat verdachte [slachtoffer] op 29 april 2025 heeft gedood door haar met zijn handen te verwurgen. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte – dat hij [slachtoffer] met twee handen wurgde en doorging tot zij niet meer ademde – naar hun uiterlijke verschijningvorm dienen te worden aangemerkt als te zijn gericht op het doden van [slachtoffer] . De rechtbank is van oordeel dat het opzet van verdachte hier ten volle op was gericht.
Voorbedachten rade
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of sprake is geweest van voorbedachten rade, en dus of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade vast moet komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte dient de gelegenheid te hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en hij zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten.
De rechtbank stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte op 29 april 2025 de documenten ‘Code Zwart’ en ‘Sorry, aan iedereen’ heeft bewerkt en opgeslagen. De rechtbank stelt vast dat deze documenten afscheidsbrieven betreffen. Verdachte schreef in de brief ‘Sorry, aan iedereen’ aan de ouders en zus van [slachtoffer] onder meer dat hij [slachtoffer] ‘bewust hierin heeft meegenomen’, en bood zijn excuses aan dat hij hun dochter en zus van hen ontnam. Deze tekst kan naar de letterlijke betekenis niet anders worden opgevat dan dat verdachte hier spreekt over het doden van [slachtoffer] . Ook schreef verdachte in deze brieven dat hij uiteindelijk een keuze heeft gemaakt die de meest egoïstische in zijn leven is geweest, over de donkere gedachte die in hem opkwam, en dat hij het niet durfde uit te spreken omdat hij het zelf altijd heeft verafschuwd als hij het in het nieuws las. Verder heeft hij het over de ‘ravage’ die hij achterlaat, en dat het maar de vraag is of men hierna überhaupt nog een aandenken aan hem wil hebben. Voornoemde passages duiden naar oordeel van de rechtbank niet op een scenario waarin verdachte alleen zichzelf van het leven zou beroven. Het voorgaande wijst er voor de rechtbank dan ook op dat de inhoud van deze brieven niet alleen ziet op een voorgenomen zelfdoding, maar ook op het voornemen op het doden van zijn ex-partner [slachtoffer] .
Uit de inhoud van de hiervoor weergegeven brieven blijkt voor de rechtbank verder dat verdachte uitgebreid heeft nagedacht over de gevolgen van zijn handelen en de betekenis daarvan. Immers bevatten de brieven enkele bespiegelingen van verdachte over het leed dat hij met zijn daad aan de nabestaanden toebrengt, waaronder in het bijzonder de ouders en zus van [slachtoffer] . De rechtbank merkt verder op dat de afscheidsbrieven zeer gedetailleerd zijn, wat erop wijst dat verdachte in ieder geval enige tijd bezig moet zijn geweest met de inhoud daarvan. In het document ‘Sorry, aan iedereen’ wijdde verdachte aan enkele dierbaren een persoonlijke alinea, waarbij hij bijvoorbeeld ook tantes en oudtantes aanschreef. Dit wijst er voor de rechtbank op dat verdachte uitgebreid heeft nagedacht over diegenen die hij in de afscheidsbrieven wilde aanspreken. In het document ‘Code Zwart’ schreef verdachte uitgebreid en gedetailleerd een hoeveelheid praktische zaken op, kennelijk over de afhandeling van de nalatenschap van hemzelf én die van [slachtoffer] . De rechtbank wijst erop dat het opmerkelijk is dat in het document ‘Code Zwart’ een alinea is gewijd aan de betaling voor de schutting van de buren en een alinea is gewijd aan de verdeling van de opbrengst van de verkoop van het huis. Immers, als het document enkel geschreven zou zijn met het oog op de zelfdoding van verdachte (en [slachtoffer] dus nog in leven zou zijn), dan zou het logisch zijn dat verdachte er in de brief vanuit zou gaan dat zij de betaling van de schutting zou afhandelen of informatie zou verstrekken over de inleg en de hypotheek van de gezamenlijke woning. Ook is het om die reden opvallend dat verdachte in dit document de codes van zijn telefoon én de telefoon van [slachtoffer] benoemde. Het voorgaande wijst er voor de rechtbank op dat deze documenten niet geschreven zijn met het oog op alleen een voorgenomen zelfdoding van verdachte, maar ook met het oog op de voorgenomen dood van [slachtoffer] .
Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij al een week of langer bezig was met het opstellen van deze documenten. Het bestand ‘Lieve [slachtoffer] ’, dat uiteindelijk dezelfde tekst als ‘Code Zwart’ zou bevatten, werd al aangemaakt op 16 april 2025. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte reeds vanaf 19 april 2025 in een chatconversatie in Whatsapp aan zichzelf chatberichten stuurde waarvan passages later terug blijken te komen in de uiteindelijke tekst van de documenten. Zo schreef verdachte op 19 april 2025 naar zichzelf: “
Kon het jiet goedpraten, maar het enige waar ik aan dacht, een statistiek.”In de brief ‘Sorry, aan iedereen’ komen de volgende zinnen voor: “
Ik kan het niet goed praten”en
“Ik heb [slachtoffer] en mij gereduceerd tot een statistiek.”Verdachte heeft hierover in een verhoor verklaard:
“een statistiek, eh, nou, als ik, als als ik, ik haar wat aan zou doen, eh, wat ik uiteindelijk heb gedaan, dan, dan is gewoon, (…) eh, In de relationele sfeer zeg maar.” [30] Daaruit blijkt voor de rechtbank dat verdachte zich in ieder geval vanaf 19 april 2025 reeds aan het beraden was op het scenario waarin hij een einde zou maken aan het leven van [slachtoffer] .
Dat het schrijven van de afscheidsbrieven voor verdachte slechts het van zich afschrijven van negatieve gevoelens was en er (dus) geen plan was om [slachtoffer] van het leven te beroven, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat de brieven in de verleden tijd zijn geschreven en onder meer gedetailleerd ingaan op veel praktische (rand-) zaken. Alleen al deze mate van detail maakt het lastig voorstelbaar dat verdachte met het schrijven slechts probeerde te visualiseren wat er in een dergelijke situatie zou gebeuren. Maar zelfs al zou dit -aanvankelijk- zo zijn geweest, dan maakt de inhoud van de brieven in combinatie met de tijdlijn zowel die betreffende dag als de dagen ervoor, dat de rechtbank niet aannemelijk vindt dat er geen plan was om [slachtoffer] van het leven te beroven.
Verdachte heeft zich enige dagen op het scenario waarin hij [slachtoffer] van het leven zou beroven beraden en is uiteindelijk ook overgegaan tot de uitvoering hiervan. Dat verdachte eerder dan 29 april 2025 bezig was met de uitvoering van dit plan, blijkt voor de rechtbank uit het feit dat verdachte op 25 april 2025 al waardevolle spullen ter bewaring naar een vriend liet brengen. Ook uit de gebeurtenissen op 29 april 2025 blijkt dat verdachte bezig was met de uitvoering van een plan. Om 15:36 uur had verdachte een mapje aangemaakt met de titel ‘afscheid’. Om 15:57:53 uur verstuurde verdachte het volgende berichtje naar [slachtoffer] : “Hey [slachtoffer] , ben je wakker?”. Uit de tijdlijn op 29 april 2025 is gebleken dat de twee documenten ‘Code Zwart’ en ‘Sorry, aan iedereen’ voor het laatst werden gewijzigd en opgeslagen om respectievelijk 16:06 uur en 17:30 uur. Uit de tijdlijn is gebleken dat verdachte om 17:03 uur op internet opzocht hoe hij e-mails met een uitgesteld bezorgmoment kon versturen. Uit de tijdlijn is ook gebleken dat [slachtoffer] om 17:34:53 uur vanaf haar telefoon een berichtje naar verdachte verstuurde, waarin zij liet weten wakker te zijn. Dit bleek haar laatste appbericht te zijn. Om 17:35 uur ging de laptop van verdachte in slaapstand tot 18:38 uur. De documenten werden om 18:42 uur (Nederlandse tijd) per e-mail aan [naam] bezorgd. Verdachte belde om 19:37 uur [naam] op en liet hem toen weten dat hij [slachtoffer] om het leven had gebracht. De rechtbank leidt uit deze tijdlijn af dat verdachte de documenten ‘Code Zwart’ en ‘Sorry, aan iedereen’, zoals [naam] die uiteindelijk heeft ontvangen, voor het laatst heeft gewijzigd korte tijd voor het moment waarop [slachtoffer] die middag wakker werd en het laatste teken van leven op haar telefoon zichtbaar was. Zij was op het moment waarop deze documenten voor het laatst zijn gewijzigd dus nog in leven, terwijl de inhoud van de betreffende documenten naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan worden gelezen dan als een plan van verdachte om zowel [slachtoffer] als zichzelf om het leven te brengen. Nadat [slachtoffer] om het leven was gebracht, ontving [naam] de betreffende documenten.
Door de brieven op deze wijze te schrijven en [slachtoffer] vervolgens om het leven te brengen, heeft verdachte de daad bij het woord gevoegd. Het voornemen om de daad bij het woord te voegen blijkt voor de rechtbank ook uit de zin: “
Nouja, ik heb deze brief meerdere malen doorgelezen, en toch heb ik door gezet”uit de brief ‘Sorry, aan iedereen’. Dat een deel van deze afscheidsbrief aan [slachtoffer] gericht was, betekent voor de rechtbank niet dat verdachte er daarmee vanuit ging dat zij nog leefde. Immers blijkt dit niet uit de overige inhoud van de brief, waarin verdachte over [slachtoffer] schreef alsof zij er niet meer is. De rechtbank wijst er in dat verband ook op dat de brief ‘Code Zwart’ gericht is aan zijn vrienden [naam] en [naam] , en niet aan [slachtoffer] – de persoon die op dat moment nog steeds het dichtst bij hem stond.
Verdachte heeft verklaard dat hij die dag in een gesprek over de gezamenlijke woning tegen [slachtoffer] vertelde een einde te willen maken aan zijn leven, waarop [slachtoffer] naar zijn moeder had willen bellen. Verdachte verklaarde dat hij in paniek raakte toen hij besefte dat hij dan geen zelfmoord zou kunnen plegen. Er zou een spontane worsteling zijn ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer] , waarbij hij [slachtoffer] uiteindelijk heeft gewurgd. De rechtbank schuift deze verklaring van verdachte, dat hij [slachtoffer] wurgde in een plotseling opkomende staat van paniek, op grond van het hiervoor overwogene als niet aannemelijk en ongeloofwaardig terzijde.
De verdediging heeft erop gewezen dat hetgeen naar voren komt uit de rapportages van de psychiater en de psycholoog een contra-indicatie zou kunnen zijn tegen voorbedachten rade en meer past bij het ontstaan van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling bij verdachte waarna hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Uit de rapportages van de psychiater en de psycholoog komt naar voren dat het handelen van verdachte lijkt te zijn ontstaan doordat hij overspoeld raakte door angsten en razernij die de relatiebreuk bij verdachte veroorzaakte. De rechtbank overweegt hierover dat hetgeen de deskundigen hebben overwogen ten aanzien van de krenking en de gevoelens van razernij en angst die verdachte ervoer, niet enkel past binnen het scenario van het ontstaan van een hevige gemoedsopwelling en dus geen contra-indicatie vormt tegen de voorbedachten rade. Ook de door verdachte gedane uitlating
‘I lost it’vormt voor de rechtbank geen contra-indicatie, nu deze uitlating de voorbedachten rade niet uitsluit. Gezien de betekenis die de rechtbank hecht aan de hierboven beschreven teksten van verdachte, zijn er ook overigens geen contra-indicaties, die erop zouden wijzen dat er geen sprake was van voorbedachten rade, aannemelijk geworden.
De rechtbank concludeert dat uit het bovenstaande blijkt dat verdachte zich enige tijd heeft beraden en heeft nagedacht over de gevolgen en betekenis van zijn besluit. Desondanks heeft hij zijn plan uitgevoerd en heeft hij [slachtoffer] om het leven gebracht door haar te verwurgen. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde moord.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op smoren, nu er uit het dossier onvoldoende aanknopingspunten volgen dat verdachte afdrukkend geweld heeft gebruikt.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 29 april 2025 te Arnhem [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] bij de hals te verwurgen
en/of te stranguleren, althans (samen)drukkend geweld uit te oefenen op de hals van die [slachtoffer] , en/of die [slachtoffer] te smoren, althans (af)drukkend geweld uit te oefenen op de mond en de neus van die [slachtoffer] ,ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
moord

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van de straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De officier van justitie heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het tenlastegelegde volledig aan verdachte moet worden toegerekend.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht dat de rechtbank de conclusies van de deskundigen overneemt en bepaalt dat het feit verminderd aan verdachte kan worden toegerekend. De verdediging heeft verzocht dat de rechtbank rekening houdt met het gegeven dat verdachte zijn (ex-)partner om het leven heeft gebracht en dit voor hem reeds een levenslange straf oplevert. Nu het herhalingsgevaar wordt ingeschat als laag-matig en verdachte zelf de wens heeft om behandeld te worden, heeft de verdediging de rechtbank verzocht om geen gedwongen kader met behandeling aan verdachte op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft op 29 april 2025 zijn ex-partner [slachtoffer] gedood door haar met zijn handen te verwurgen, kennelijk omdat het voor verdachte onverteerbaar was dat hun relatie na 17 jaar definitief was beëindigd en zij zonder hem verder wilde. Uit de bestanden die teruggevonden zijn op de laptop van verdachte bleek dat hij in de uren voor haar dood, terwijl [slachtoffer] nietsvermoedend boven lag te slapen, een laatste hand legde aan afscheidsbrieven, waarin praktische zaken omtrent haar dood en de voorgenomen zelfmoord van verdachte waren opgenomen. Verdachte bood in deze afscheidsbrieven zijn excuses aan de nabestaanden aan voor het ontnemen van hun dochter en zus, terwijl [slachtoffer] op dat moment aantoonbaar nog in leven was. Vervolgens heeft verdachte haar in hun gezamenlijke woning, de plek waar [slachtoffer] zich veilig en geborgen had moeten voelen, om het leven gebracht. Daarmee heeft verdachte [slachtoffer] haar kostbaarste bezit, haar leven, ontnomen en haar vertrouwen – dat zij bij hem veilig kon zijn – op ultieme wijze beschaamd. Door zijn voornemen op planmatige wijze uit te voeren en een einde te maken aan het leven van [slachtoffer] heeft verdachte de moeder, vader en zus van [slachtoffer] en de overige nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. Uit de voorgedragen slachtofferverklaringen van familieleden is gebleken hoe enorm groot de impact is van de moord op hun geliefde [slachtoffer] . Het moet voor hen onbegrijpelijk en onverteerbaar zijn dat verdachte, die zij 17 jaar lang als hun schoonzoon en zwager kenden, haar om het leven heeft gebracht, kennelijk omdat hij niet kon verkroppen dat zij zonder hem zou verder gaan.
Moord is het meest ernstige delict dat ons Wetboek van Strafrecht kent. De rechtsorde is door het door verdachte gepleegde feit ernstig geschokt. De dood van [slachtoffer] , en de planmatige manier waarop zij is gedood moet veel beroering, afschuw en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving hebben veroorzaakt. Dergelijke delicten dienen zwaar bestraft te worden.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad), gedateerd 13 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
In de PJ-rapportage van 20 oktober 2025 is door psychiater drs. T.W.D.P. van Os beschreven dat bij verdachte sprake was van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en afhankelijke trekken. De persoonlijkheidsstoornis bestond ook ten tijde van het bewezenverklaarde en beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Verdachte had met zijn partner [slachtoffer] al jaren een relatie die symbiotische trekken vertoonde. Verdachte wist niet goed wat hij wilde, hetgeen zich uitte in zijn carrière die weinig continuïteit vertoonde. De afgelopen jaren waren er diverse life events waarbij verdachte belangrijke steunfiguren verloor. Rationeel ingesteld deelde verdachte zijn gevoelens maar beperkt. Hij had genoeg afleiding in de verbouwing van zijn huis. Toen kwamen er scheuren in de relatie. Verdachte - die niet gewend was om negatieve emoties te ervaren, maar juist gewend was om zijn negatieve emoties af te splitsen - kwam steeds meer in de problemen. De gevoelens van bedrog, jaloezie en woede probeerde hij via het schrijven op de gebruikelijke wijze af te splitsen. Echter sijpelden de negatieve gevoelens door de barrière. Hij werd venijnig, maakte statements waarmee hij [slachtoffer] kwetste en fantaseerde over zijn donkere gedachten. Er was sprake van narcistische woede (‘narcissistic rage’), een vulkaan van krenkingen en angsten om er alleen voor te staan. Door het wurgen was er al veel narcistische woede afgevloeid en was de woede daarna te gering om nog effectief de hand aan zichzelf te kunnen slaan. De psychiater heeft overwogen om een depressieve stoornis te classificeren vanwege terugkerende somberheid en suïcidaliteit, maar is tot de conclusie gekomen dat de somberheid van verdachte weliswaar terugkerend is, maar ingebed is in zijn persoonlijkheidsstoornis die onder andere tot uiting komt in stemmingswisselingen als gevolg van stress of gebeurtenissen. De GZ-psycholoog, mw. T.W.J. van Peer komt in de PJ-rapportage van augustus 2025 tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een recidiverende depressieve stoornis (matig van ernst) in combinatie met een aanpassingsstoornis. Dit was ten tijde van het bewezenverklaarde aanwezig. Deze stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde, althans ten dele. De psychiater en de psycholoog komen tot het advies om het bewezenverklaarde verminderd aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en de psycholoog over en zal het bewezenverklaarde verminderd aan verdachte toerekenen.
De psychiater is van oordeel dat er een laag tot matig (op lange termijn) risico op herhaling is, en dat kan worden volstaan met een intensieve ambulante psychotherapie die gericht is op de afgrenzing van anderen en het uitrijpen van zijn identiteit. Eventueel kan deze psychotherapie gecombineerd worden met een lichaamsgerichte psychotherapie. Een behandeling in een klinische setting wordt niet nodig geacht. Gezien de ernst van het bewezenverklaarde heeft de psychiater twee opties vanuit gedragskundig perspectief overwogen. De eerste optie is om onderzochte af te straffen en kaders te stellen binnen een VI (voorwaardelijke invrijheidsstelling) traject met intensieve ambulante behandeling en toezicht van de reclassering. Deze straf zou kunnen worden aangevuld met een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (GVM) conform artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. De tweede optie is een tbs-maatregel met voorwaarden, waarbij de vraag is of dat juridisch haalbaar is gezien de ernst van het bewezenverklaarde. Een tbs-kader met dwangverpleging wordt door de psychiater niet nodig geacht.
De psycholoog is eveneens van oordeel dat het risico op toekomstig gewelddadig gedrag, laag tot matig is. Om het recidiverisico te beperken wordt een poliklinische behandeling geïndiceerd, gericht op het verbeteren van copingvaardigheden en het vergroten van inzicht in de disfuncties in de emotieregulatie van verdachte. Gelet op het laag-matige risico is het opleggen van een maatregel niet geïndiceerd. Bijzondere voorwaarden gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel zouden kunnen volstaan. Omdat de psycholoog zich realiseert dat, gelet op het ten laste gelegde feit, het mogelijk is dat bijzondere voorwaarden juridisch niet meer tot de mogelijkheden behoren, kan ook worden gedacht aan het stellen van kaders binnen een VI-traject.
De rechtbank zoekt bij haar beslissing over de hoogte van de straf doorgaans aansluiting bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en jurisprudentie. Ten aanzien van moord en doodslag zijn er geen landelijke oriëntatiepunten. Daarom kijkt de rechtbank naar straffen die rechters in soortgelijke zaken hebben opgelegd. Daaruit kan worden afgeleid dat voor een enkelvoudige moord een gevangenisstraf tussen de 15 en 20 jaren passend en geboden is.
Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank uit een oogpunt van vergelding een vrijheidsbeneming van zeer lange duur op zijn plaats. De rechtbank zal wel een kortere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank uitgaat van een verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De rechtbank zal, alles overwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 18 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Gelet op de duur van deze gevangenisstraf, is een tbs-maatregel met voorwaarden dan wel een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, wettelijk gezien niet mogelijk. Er zullen (zoals ook door de deskundigen geopperd) te zijner tijd kaders kunnen worden gesteld binnen een VI-traject.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Op te leggen maatregel
De reclassering (Reclassering Nederland) heeft in haar rapportage van 13 november 2025 geadviseerd tot het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM, artikel 38z Sr), zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de gevangenisstraf. In de rapportage beschrijft de reclassering het recidiverisico als laag, maar benoemt dat risicofactoren zullen ontstaan bij instabiliteit door bijvoorbeeld verlies van werk en inkomen en dat ook het omgaan met negatieve gevoelens en gedachtes risico's met zich kunnen meebrengen als verdachte een nieuwe partnerrelatie aan gaat. De reclassering adviseert tot oplegging van de maatregel, nu het feit een ernstig geweldsdelict betreft en bescherming van de slachtoffers voor de toekomst mogelijk geïndiceerd blijft. De psychiater heeft in de PJ-rapportage benoemd dat verdachte met deze maatregel na afloop van de detentie in een forensisch kader kan worden ondersteund, begeleid en gemonitord door de reclassering, ook op lange termijn. Dit aanvullende kader biedt samen met de detentie een ruimer forensisch vangnet richting resocialisatie.
De rechtbank is gelet op de rapportages van de psychiater en de reclassering van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om verdachte, ook na de detentie, onder toezicht te stellen noodzakelijk is om toezicht over verdachte te houden in de periode na zijn detentie. Aan de wettelijke voorwaarden voor de oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel is voldaan. De oplegging is namelijk in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
De rechtbank zal daarom aan verdachte de maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 17.500,- aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente.
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 17.500,- aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente.
De benadeelde partijen [benadeelde] en [benadeelde] hebben samen een bedrag van € 22.625,94 aan materiële schade gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente.
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 17.500,- aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente.
Door de benadeelde partijen om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank; de vorderingen zijn niet betwist.
Overweging van de rechtbank
Algemene overweging
De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte een strafbaar feit heeft begaan als gevolg waarvan het slachtoffer, [slachtoffer] , is overleden. Verdachte is tot vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade gehouden, voor zover naar burgerlijk recht in een schadevergoedingsplicht is voorzien.
De rechtbank stelt voorop dat nabestaanden op grond van artikel 51f, tweede lid, Sv in samenhang met artikel 6:108 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zich als benadeelde partij kunnen voegen in het strafproces indien het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden. Uit artikel 6:108, eerste en tweede lid, BW blijkt dat onder meer schade door het derven van levensonderhoud en, voor zover in overeenstemming met de omstandigheden van de overledene, kosten van lijkbezorging voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Op grond van lid 3 en 4 komt de zogenaamde affectieschade eveneens voor vergoeding in aanmerking.
Affectieschade [benadeelde] en [benadeelde]
De benadeelde partijen [benadeelde] en [benadeelde] zijn de ouders van het slachtoffer [slachtoffer] . Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van voor vergoeding in aanmerking komende affectieschade.
Gelet op het bepaalde in het Besluit affectieschade heeft een ouder van een meerderjarige uitwonende persoon die door een misdrijf om het leven komt recht op € 17.500,- aan affectieschade. De rechtbank ziet geen redenen om van dit bedrag dat uit het Besluit voortvloeit, af te wijken. De rechtbank zal dan ook de gevorderde bedragen van € 17.500,- aan affectieschade aan beide ouders toewijzen.
Affectieschade [benadeelde]
Op grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Indien een vordering niet onder één van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (categorie g van artikel 6:108 lid 4 BW Pro), als een persoon meent als naaste in de zin van deze wet te kunnen worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten stellen en bij betwisting bewijzen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden ten tijde van dat overlijden.
De vordering van [benadeelde] , de zus van het slachtoffer, valt niet onder (één van) de genoemde categorieën uit de wet. Het uitgangspunt in de wet is namelijk (vooralsnog) dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Alleen in heel bijzondere gevallen, waarin sprake is van een hechte affectieve relatie, die (zeer) uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben, is ook ruimte voor vergoeding van affectieschade aan een broer of zus (de hierboven genoemde hardheidsclausule).
Uit de toelichting bij de vordering van [benadeelde] en hetgeen naar voren is gekomen uit het spreekrecht ter terechtzitting is voldoende gebleken dat sprake was van een bijzondere band tussen haar en [slachtoffer] . [benadeelde] heeft verklaard dat zij en [slachtoffer] niet alleen zussen, maar ook beste vriendinnen waren. Bovendien wonen de ouders van [benadeelde] en [slachtoffer] op Curaçao, en zij allebei in Nederland. Dit betekende dat [slachtoffer] het enige nabije familielid was dat [benadeelde] in Nederland had en dat zij in grote mate op elkaar waren aangewezen. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een uitzonderingsgeval als bedoeld in de wet. De feitelijke grondslag is door [benadeelde] gesteld in de toelichting bij haar vordering en nader verduidelijkt bij haar toelichting ter zitting. De rechtbank zal de vordering toewijzen, in de vorm van affectieschade tot het gevorderde bedrag van € 17.500,-.
Materiële schade [benadeelde] en [benadeelde]
De rechtbank stelt vast dat de door de benadeelden gevorderde materiële schade op de schadeformulieren van zowel [benadeelde] als [benadeelde] is gevorderd. Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de benadeelden toegelicht dat de materiële schade door beide benadeelden gezamenlijk wordt gevorderd.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de beide benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden tot het voornoemde totaalbedrag. Dat beide partijen schade hebben geleden als gevolg van het handelen van verdachte is ook niet betwist, en evenmin is de omvang van het gevorderde bedrag betwist. Evenwel ontbreekt een nadere concretisering en/of onderbouwing wie welk deel van de schade heeft geleden, zodat de rechtbank niet kan vaststellen aan wie welk gedeelte van het totaal gevorderde bedrag kan worden toegewezen. Uit praktisch oogpunt zal de rechtbank het volledige bedrag van € 22.625,94 dan ook toewijzen aan benadeelde partij [benadeelde] en benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Verdachte is, voor wat betreft de immateriële schade van de benadeelde partijen, vanaf de overlijdensdatum van [slachtoffer] (29 april 2025) wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd. Voor wat betreft de materiële schade van [benadeelde] is verdachte vanaf de datum van de uitspraak van dit vonnis (18 februari 2026) wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd, nu niet is gesteld vanaf welke datum de wettelijke rente verschuldigd zou zijn.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Er is sprake van meerdere schadevergoedingsmaatregelen, waarbij de totale duur aan dagen gijzeling bij elkaar opgeteld meer dan 365 dagen bedraagt. Omdat de totale duur van de gijzeling ten hoogste één jaar beloopt, is het aantal dagen gijzeling naar evenredigheid over de maatregelen verdeeld.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38z en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
18 jaren;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;
  • veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 22.625,94 aan materiële schade en € 17.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade vanaf 18 februari 2026 en ten aanzien van het smartengeld vanaf 29 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 17.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [benadeelde] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
  • veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 17.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag te betalen van in totaal € 40.125,95 aan materiële schade en smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade vanaf 18 februari 2026 en ten aanzien van het smartengeld vanaf 29 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 197 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 17.500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 84 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 17.500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 84 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Jansen (voorzitter), mr. J.J.H. van Laethem en mr. M.A. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 februari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer ON4R025044, gesloten op 6 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 48a.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 55.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 64.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 91-92.
6.Rapportage Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, p. 6-7.
7.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 502.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 263 en aanvullend proces-verbaal, nr. 202502031255, p. 2.
9.Proces-verbaal van bevindingen, p. 263, en 266-271.
10.Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] , p. 143.
11.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 februari 2026.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 396-397.
13.Proces-verbaal van bevindingen, p. 360-361.
14.Proces-verbaal van bevindingen, p. 253.
15.Proces-verbaal van bevindingen, p. 407-414.
16.Proces-verbaal van bevindingen, p. 396.
17.Proces-verbaal van bevindingen, p. 133.
18.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 522.
19.Proces-verbaal van bevindingen, p. 396.397.
20.Proces-verbaal van bevindingen, p. 398.
21.Proces-verbaal van bevindingen, p. 345.
22.Proces-verbaal van bevindingen, p. 396 en 398.
23.Proces-verbaal van bevindingen, p. 345.
24.Proces-verbaal van bevindingen, p. 349.
25.Proces-verbaal van bevindingen, p. 402.
26.Proces-verbaal van bevindingen, p. 345.
27.Proces-verbaal van bevindingen, p. 403.
28.Proces-verbaal van bevindingen, p. 398.
29.Proces-verbaal van bevindingen, p. 383.
30.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 536.