ECLI:NL:RBGEL:2026:1149

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
C/05/437420 / HA ZA 24-323
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 FwArt. 51 lid 1 FwArt. 51 lid 3 FwArt. 6:127 BWArt. 6:212 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging koopovereenkomst faillissement en verrekening huurpenningen

De curator in het faillissement van een onderneming heeft de koopovereenkomst van een bedrijfsgebouw met gedaagde buitengerechtelijk vernietigd op grond van faillissementspauliana (artikel 42 Fw Pro). Hierdoor is gedaagde geen eigenaar van het pand en kan de curator aanspraak maken op terugbetaling van huurinkomsten die de boedel zijn misgelopen.

De rechtbank bevestigt dat zowel failliet als gedaagde wetenschap hadden van benadeling, waardoor de vernietiging rechtsgeldig is. De vernietiging werkt terug tot het moment van de koop en leidt tot onverschuldigde betaling van de koopsom en huurpenningen. De curator vordert betaling van huurpenningen over zes maanden, inclusief btw, maar de rechtbank beperkt dit tot de periode van benadeling conform artikel 51 Fw Pro.

Gedaagde voert een verrekeningsverweer aan met zijn vordering op de boedel wegens onverschuldigde betaling van de koopsom. De rechtbank oordeelt dat de boedel hierdoor is gebaat en dat verrekening van de vorderingen slaagt, waardoor de curator’s vordering tot betaling van huurpenningen en buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de koopovereenkomst, bevestigt eigendom bij failliet en wijst de vordering tot huurpenningen af wegens geslaagd verrekeningsverweer.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/437420 / HA ZA 24-323
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[naam eiser] q.q., in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van
[eisend bedrijf] B.V.,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. J.M. van den Berkmortel,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.H. Mouthaan-van Dieren.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 mei 2025 (hierna: het tussenvonnis)
- de akte na tussenvonnis van [gedaagde]
- de akte na tussenvonnis van de curator met productie 41
- de akte uitlaten productie van [gedaagde] .
1.2.
Na de akte uitlaten productie van [gedaagde] heeft de rechtbank bepaald dat vonnis wordt gewezen.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis is het volgende overwogen. De curator mocht de tussen de failliet en [gedaagde] gesloten koopovereenkomst betreffende het [naam pand] (hierna: het pand), buitengerechtelijk vernietigen (faillissementspauliana, artikel 42 Fw Pro). [1] Als gevolg van deze vernietiging was [gedaagde] geen eigenaar van het pand en kan de curator aanspraak maken op terugbetaling van de door de failliet misgelopen huurinkomsten (ongerechtvaardigde verrijking, artikel 6:212 lid 1 BW Pro). [2] De rechtbank heeft geoordeeld dat het gaat over de huurinkomsten vanaf de faillissementsdatum tot aan de datum waarop de curator het pand vanuit de boedel zou hebben verkocht, in totaal een bedrag van € 6.223,08 exclusief btw. De rechtbank heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld zich, tegen de achtergrond van de rechtsgevolgen van de vernietiging, nader uit te laten over het beroep van [gedaagde] op verrekening (artikel 6:127 BW Pro). Dit omdat [gedaagde] meende dat hij vanwege de terugwerkende kracht van de vernietiging van de koopovereenkomst een vordering op de boedel verkrijgt van € 55.809,74 wegens onverschuldigde betaling van de koopsom, terwijl de curator meende dat [gedaagde] voor dat bedrag concurrent schuldeiser wordt hetgeen volgens [gedaagde] tot onevenredige gevolgen zou leiden waarbij [gedaagde] heeft gewezen op de (objectief) relatieve werking van de vernietiging en dat de vernietiging niet verder gaat dan opheffing van het door de boedel geleden nadeel.
2.2.
Partijen hebben zich bij akte nader uitgelaten over het verrekeningsverweer; eerst [gedaagde] , daarna de curator. Omdat de curator daarbij nog een nieuwe productie in het geding heeft gebracht, is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten, wat [gedaagde] in zijn akte uitlaten productie heeft gedaan.
2.3.
In zijn akte na tussenvonnis verzoekt [gedaagde] de rechtbank allereerst om terug te komen van de bindende eindbeslissing dat bij hem sprake was van wetenschap van benadeling en dientengevolge ook terug te komen van de eindbeslissing dat de koop rechtsgeldig is vernietigd. [3] De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding en overweegt daartoe als volgt.
2.4.
In rov. 4.1. van het tussenvonnis heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat zowel bij de failliet als bij [gedaagde] wetenschap van benadeling in de zin van artikel 42 Fw Pro [4] bestond. Daarmee heeft de rechtbank een eindbeslissing gegeven waarvan in beginsel niet kan worden terugkomen, behoudens in geval van bijzondere omstandigheden. [gedaagde] voert aan dat de rechtbank een andere invulling had moeten geven aan het wetenschapscriterium [5] omdat door verrekening van (het restant van) de koopprijs [6] met de openstaande leningen [7] , door de failliet een opeisbare schuld van [gedaagde] werd voldaan. Als gevolg daarvan had de rechtbank volgens [gedaagde] het wetenschapscriterium van artikel 47 Fw Pro [8] moeten toepassen. Met dit betoog gaat [gedaagde] eraan voorbij dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de koopovereenkomst als onverplicht verrichtte rechtshandeling in de zin van artikel 42 Fw Pro moet worden aangemerkt [9] en dat deze koopovereenkomst door de curator is vernietigd, derhalve niet de verrekening [10] .
[gedaagde] laat nadrukkelijk onbesproken dat de koopovereenkomst een onverplichte rechtshandeling is. [11] Nu niet de verrekening maar de koopovereenkomst de vernietigbare, onverplichte rechtshandeling betreft, is met de toepassing van het wetenschapscriterium in de zin van artikel 42 Fw Pro niet gebleken van een evidente feitelijke of juridische misslag van de rechtbank. Omdat de door [gedaagde] aangevochten beslissing evenmin blijkt te berusten op een, niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag, doen zich naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden voor. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om terug te komen van de beslissing dat bij [gedaagde] wetenschap van benadeling bestond en dientengevolge ook niet van de beslissing dat de koop rechtsgeldig door de curator is vernietigd. [12]
2.5.
Vervolgens is de vraag wat de rechtsgevolgen zijn van de vernietiging van de koopovereenkomst. De vernietiging van de koopovereenkomst werkt terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht (artikel 3:53 lid 1 BW Pro). De prestaties die op basis van de vernietigde koopovereenkomst zijn verricht, te weten de levering van het pand en de (deels door verrekening) betaalde koopsom, zijn onverschuldigd verricht en moeten terug (artikel 51 lid 1 Fw Pro en lid 3 Fw).
2.6.
Het is tussen partijen niet in geschil dat door de vernietiging een geldige titel voor overdracht van het pand ontbreekt zodat de failliet ( [eiser] ) altijd eigenaar van het pand is gebleven. [13] De curator meent thans [14] dat [gedaagde] behalve tot afgifte van het pand ook verplicht is tot afgifte van de vruchten daarvan, te weten de door [gedaagde] tot op heden ontvangen huurpenningen. Dit gaat om dezelfde huurpenningen die de curator bij dagvaarding op grond van ongerechtvaardigde verrijking vorderde. In het tussenvonnis is overwogen [15] dat de rechtbank er op grond van de stellingen van partijen vanuit gaat dat de boedel pas huurinkomsten is gaan mislopen vanaf de faillissementsdatum en dat levering van het pand zes maanden na de faillietverklaring zou hebben plaatsgevonden, zodat de curator aanspraak kan maken op zes maanden huurpenningen. De curator verzoekt de rechtbank niet om van dit oordeel terug te komen, maar beroept zich op aanvulling van de rechtsgronden (artikel 25 Rv Pro) waarbij de curator verwijst naar de artikelen 51 lid 1 Fw juncto 6:206 BW juncto 3:121 BW. De curator tracht op deze manier alsnog alle door [gedaagde] ontvangen huurpenningen voor het pand in de boedel te krijgen. Hierin gaat de rechtbank niet mee. De faillissementspauliana is alleen bedoeld om de boedel in de toestand te brengen waarin deze zou hebben verkeerd zonder de paulianeuze rechtshandeling. Artikel 51 Fw Pro geeft de grenzen van de vernietiging in een faillissement en vernietiging strekt niet verder dan ter opheffing van het geleden nadeel (objectief relatieve werking). In het tussenvonnis is reeds geoordeeld dat de benadeling van de boedel ten aanzien van het mislopen van huurinkomsten is beperkt tot een periode van zes maanden. Ieder oordeel dat [gedaagde] méér dan zes maanden huurinkomsten aan de curator zou moeten teruggeven, zoals de curator nu betoogt op een andere grondslag, zou daarom leiden tot bevoordeling van de boedel. Een dergelijk oordeel past niet in de faillissementspauliana en zou in strijd zijn met de strekking van artikel 51 Fw Pro.
2.7.
De curator betoogt in haar akte na tussenvonnis verder dat [gedaagde] over de huurpenningen ook btw verschuldigd is, zodat het nadeel van de boedel niet € 6.223,08 exclusief btw maar € 7.529,93 inclusief btw bedraagt. [16] Kennelijk verzoekt de curator de rechtbank om op dit punt wel terug te komen van een eindbeslissing. De rechtbank overweegt dat de toe te wijzen vordering tot betaling van de huurpenningen berust op ongerechtvaardigde verrijking. Dit betreft een schadevergoeding waarover geen btw verschuldigd is. De rechtbank begrijpt thans dat de curator betoogt dat de failliet gehouden is btw aan de fiscus af te dragen over de huurpenningen. In de dagvaarding heeft de curator onweersproken gesteld dat de huurprijs op grond van de huurovereenkomst € 1.254,99
inclusiefbtw bedraagt. [17] In dat geval is de door de failliet af te dragen btw ook schade. Ter voorkoming van een feitelijke misslag ziet de rechtbank daarom aanleiding terug te komen van haar eerdere oordeel. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de boedel voor een bedrag van € 7.529,94 (6 x € 1.254,99) is verarmd. [gedaagde] moet dit bedrag in beginsel aan de boedel betalen, te vermeerderen met de gevorderde en niet inhoudelijk betwiste wettelijke rente over de periode van 1 november 2023 (datum buitengerechtelijke vernietiging koopovereenkomst) tot 4 september 2024 (datum verrekeningsverklaring) als het verrekeningsverweer van [gedaagde] slaagt.
2.8.
[gedaagde] beroept zich bij wijze van verweer op verrekening van de aan de boedel verschuldigde huurpenningen met hetgeen de curator als gevolg van de vernietiging van de koopovereenkomst aan [gedaagde] zal moeten teruggeven, te weten de koopprijs. Anders dan [gedaagde] betoogt [18] dient niet de omvang van de benadeling te worden vastgesteld, maar moet worden vastgesteld in hoeverre de boedel na teruggave van het pand is gebaat (artikel 51 lid 3 Fw Pro).
2.9.
Partijen zijn het er over eens dat de boedel in ieder geval is gebaat voor € 46.493,82, te weten het deel van de door [gedaagde] betaalde koopsom dat is aangewend om de hypotheekschuld van de failliet aan de eerste hypotheekhouder (Direktbank) af te lossen. [19] Dat de boedel is gebaat voor € 55.809,74 of € 68.412.50 zoals [gedaagde] betoogt [20] , wordt door de curator weersproken en is door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Beantwoording van de vraag of de boedel voor een hoger bedrag is gebaat, is bovendien niet relevant voor een geslaagd beroep op verrekening. [gedaagde] heeft een concurrente
boedelvordering van tenminste € 46.493,82 en een
boedelschuld voor de huurpenningen van € 7.529,94. Die mogen met elkaar verrekend worden (artikel 6:127 BW Pro). Omdat de schuld van [gedaagde] aan de boedel ruimschoots lager is dan zijn vordering op de boedel, slaagt het verrekeningsverweer en zijn beide vorderingen (tot de hoogte van het laagste bedrag) teniet gegaan op 4 september 2024 [21] .
2.10.
Daarbij overweegt de rechtbank dat de door de curator gevorderde buitengerechtelijke kosten dit niet anders maken. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat namelijk geen aanleiding voor vergoeding van die kosten omdat de curator deze niet in redelijkheid heeft kunnen maken (artikel 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder c BW). De curator wist bij de vernietiging van de koopovereenkomst dat de koopsom aan [gedaagde] moet worden teruggegeven voor zover de boedel daarbij is gebaat. De curator had erop bedacht moeten zijn dat [gedaagde] zich op verrekening zou beroepen voor zover de boedel een vordering op hem had.
2.11.
Omdat het verrekeningsverweer slaagt, komt de rechtbank niet toe aan hetgeen partijen verder hebben aangevoerd over het al dan niet herleven van het hypotheekrecht van [gedaagde] . [gedaagde] heeft hierover bovendien geen tegenvorderingen ingesteld.
2.12.
Voor zover [gedaagde] in zijn akte na tussenvonnis bij wijze van verweer nog een beroep doet op artikel 3:53 lid 2 BW Pro, is dit tardief. [gedaagde] verzoekt de rechtbank in zijn akte om de werking aan de vernietiging te ontzeggen omdat ongedaanmaking van de koopovereenkomst bezwaarlijk is gelet op geringe benadeling van de boedel. [22] De rechtbank heeft in het tussenvonnis echter al een oordeel gegeven over de vernietiging van de koopovereenkomst en uitlatingen gedaan over de gevolgen daarvan. Het is in strijd met de goede procesorde om na dit oordeel alsnog een beroep te doen op het ontzeggen van de werking daarvan.
2.13.
Mede gelet op hetgeen in het tussenvonnis is overwogen zal de rechtbank voor recht verklaren dat de koopovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd door de curator en dat de failliet ( [eiser] ) eigenaar is van het pad. Omdat het verrekeningsverweer van [gedaagde] slaagt, wordt de vordering van de curator tot betaling van een vergoeding voor de huurpenningen afgewezen. Ook de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen.
2.14.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom wel de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
112,37
- griffierecht
1.325,00
- salaris advocaat
3.225,00
(2,5 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.851,37
2.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat de koopovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] bij brief van 1 november 2023 op grond van artikel 42 Fw Pro rechtsgeldig door de curator buitengerechtelijk is vernietigd,
3.2.
verklaart voor recht dat [eiser] eigenaar is van [naam pand] bestaande uit:
A het (bedrijfs)pand plaatselijk bekend als het [adres] , kadastraal bekend als [naam pand] , [nummer] en kadastrale objectidentificatie [nummer] , en
B het perceel grond met parkeerplaatsen en toebehoren gelegen aan het [adres] ) te [plaatsnaam] , kadastraal bekend als [naam pand] , [nummer] , en
C het veertig/honderdtwaalfde onverdeelde aandeel in het recht van eigendom met betrekking tot een perceel grond bestemd tot toegangsterrein gelegen aan het [adres] ) te [plaatsnaam] , kadastraal bekend als [naam pand] , [nummer] ,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.851,37, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis zijn betaald,
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
871

Voetnoten

1.Tussenvonnis 4.22.
2.Tussenvonnis 4.27.
3.Akte na tussenvonnis van [gedaagde] 4-12
4.te weten; de wetenschap dat het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien
5.Akte na tussenvonnis van [gedaagde] 7
6.€ 140.000,00 -/- € 46.493,82 (het door de failliet van [gedaagde] geleende bedrag) = € 93.506,18
7.in totaal € 177.162,50
8.de wetenschap van de faillissementsaanvraag
9.Tussenvonnis 4.6.
10.Tussenvonnis 4.22.
11.Akte na tussenvonnis van [gedaagde] 4
12.Akte na tussenvonnis van [gedaagde] 4-12
13.Akte na tussenvonnis van [gedaagde] 18 en 21 + akte na tussenvonnis van de curator 4.2.
14.Akte na tussenvonnis van de curator, 10
15.Tussenvonnis 4.27.
16.Akte na tussenvonnis van de curator 12.1
17.Dagvaarding 8.2.6 en 3.3.3
18.Akte na tussenvonnis van [gedaagde] 15
19.Akte na tussenvonnis van [gedaagde] 19 + Akte na tussenvonnis van de curator 7.4
20.Conclusie van antwoord 108 + akte na tussenvonnis van [gedaagde] 21-23
21.Conclusie van antwoord 108
22.Akte na tussenvonnis van [gedaagde] 27-30