Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1094

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
11773536 \ CV EXPL 25-1970
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 22 RvArt. 130 lid 1 RvArt. 194 e.v. Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding zaak inzake onttrekking en terugvordering van gelden door voormalig werknemer

De voormalige werkgevers, bestaande uit drie verbonden ondernemingen, vorderen schadevergoeding van een voormalig werknemer en haar partner wegens het onttrekken van ruim €108.000 van hun bankrekeningen en het storten daarvan op de rekening van hun minderjarige zoon. De werknemer was als financial controller belast met de administratie en werd op staande voet ontslagen nadat de onttrekkingen aan het licht kwamen.

De werkgevers hebben diverse beslagen gelegd op bankrekeningen en onroerend goed van de gedaagden. Zij vorderen onder meer betaling van de onttrokken bedragen, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten. De werknemer erkent de onttrekkingen maar stelt niet in staat te zijn deze terug te betalen. Haar partner betwist kennis en verrijking.

Tijdens de procedure is kort voor de mondelinge behandeling een akte ingediend met aanvulling van de grondslag, wijziging en vermeerdering van de eis, waarop de kantonrechter het bezwaar van de partner toewijst en de zaak aanhoudt om hem in de gelegenheid te stellen te reageren. Ook de voorwaardelijke reconventionele vordering van de partner tot opheffing van beslagen wordt aangehouden.

De kantonrechter wijst erop dat de inzage in bankafschriften van belang is voor de onderbouwing van de vorderingen en dat de werknemer geen bezwaar heeft tegen inzage in haar en de rekening van de minderjarige zoon. De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling na reactie op de eiswijziging.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden om de partner in de gelegenheid te stellen te reageren op de late eiswijziging en inzage in bankafschriften; verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11773536 \ CV EXPL 25-1970
Vonnis van 23 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

2.
AGORA THEATER EXPLOITATIE B.V.,
3.
[eiser 3],
allen gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partijen in conventie,
gedaagde partijen in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. M.M.A. Timmermans,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
gemachtigde: mr. M.F.M. Groot Kormelink,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. P.J.A. Plattel.
Partijen zullen hierna enerzijds [eiser 1] , Agora en [eiser 3] , tezamen [gezamenlijke eisers] , worden genoemd en anderzijds [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 juli 2025;
- de akte eiswijziging in reconventie namens [gedaagde 2] ;
- de akte eisvermeerdering, tevens overleggen productie, namens [gezamenlijke eisers] ;
- de akte aanvulling grondslag, wijziging van eis en vermeerdering van eis namens [gezamenlijke eisers] ;
- het per e-mail ingediende bezwaar van mr. Plattel tegen de akte aanvulling grondslag, wijziging van eis en vermeerdering van eis.
1.2.
De zaak is mondeling behandeld op 9 december 2025. Namens [gezamenlijke eisers] zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door mr. Timmermans. [gedaagde 1] is verschenen, bijgestaan door mr. Groot Kormelink, en [gedaagde 2] is verschenen, bijgestaan door mr. Plattel. Mr. Timmermans heeft pleitaantekeningen voorgedragen en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De bedrijfsactiviteiten van [eiser 1] bestaan voornamelijk uit de exploitatie van een theater en schouwburg, die van Agora uit het exploiteren van het Agora theater in [vestigingsplaats] en die van [eiser 3] uit het bieden van studiebegeleiding, vorming en onderwijs. De bestuurder van [eiser 3] ( [eiser 3] Holding B.V.) is ook bestuurder van [eiser 1] en Agora.
2.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn geregistreerd partners van elkaar en hebben partnerschapsvoorwaarden met elkaar gesloten. In die voorwaarden is onder andere opgenomen dat tussen hen geen wettelijke gemeenschap van goederen bestaat. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben samen een nu nog minderjarig kind.
2.3.
[gedaagde 1] is op 1 juli 2022 in dienst getreden bij [eiser 3] als financial controller. Op basis van de arbeidsovereenkomst werd zij ook uitgeleend aan onder meer [eiser 1] en Agora en hierdoor was zij belast met het verzorgen van de gehele administratie voor [gezamenlijke eisers]
2.4.
In de periode april 2023 tot eind november 2024 heeft [gedaagde 1] in totaal een bedrag van € 108.678,59 aan de bankrekeningen van [gezamenlijke eisers] onttrokken en op de rekening van de minderjarige zoon van gedaagden gestort. Nadat [gezamenlijke eisers] daarachter is gekomen (eind 2024), heeft [eiser 3] [gedaagde 1] op 12 december 2024 op staande voet ontslagen.
2.5.
[gezamenlijke eisers] hebben op 12 december 2024 verlof verzocht en gekregen voor het leggen van bankbeslagen ten laste van gedaagden en hebben vervolgens diverse bankbeslagen gelegd. Op 13 november 2025 hebben [gezamenlijke eisers] - na verkregen verlof van de voorzieningenrechter - conservatoir loonbeslag doen leggen onder de toenmalige werkgever van [gedaagde 1] en op 30 november 2025 op de aan [gedaagde 2] toebehorende onroerende zaak aan het [adres] .

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[gezamenlijke eisers] vorderen - samengevat en na vermeerdering van eis - dat de kantonrechter bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling:
I. Aan [eiser 1] van een bedrag van € 99.645,25, te vermeerderen met de wettelijke rente.
II. Aan Agora van een bedrag van € 7.253,34, te vermeerderen met de wettelijke rente.
III. Aan [eiser 3] van een bedrag van € 1.780,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
IV. Aan [eiser 1] van een bedrag van € 2.143,46 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
V. Aan Agora van een bedrag van € 892,58 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
VI. Aan [eiser 3] van een bedrag van € 323,07 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
VII. Aan [eiser 1] van een bedrag van € 2.094,56, te vermeerderen met de wettelijke rente.
VIII. Van de proceskosten.
IX. Aan [eiser 1] van een bedrag van € 1.482,61, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Ten aanzien van [gedaagde 2] vorderen [gezamenlijke eisers] subsidiair om hem te veroordelen tot betaling van de helft van de onttrokken bedragen, dat wil zeggen een bedrag van € 49.822,61 aan [eiser 1] , € 3.626,67 aan Agora en € 890,00 aan [eiser 3] , te vermeerderen met de wettelijke rente en met hoofdelijke veroordeling in de buitengerechtelijke incassokosten en de beslag- en proceskosten.
3.2.
Ter onderbouwing van hun vorderingen stellen [gezamenlijke eisers] - samengevat - primair
dat [gedaagde 1] een onrechtmatige daad heeft gepleegd tegen hen, subsidiair dat zij toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen tegenover haar voormalig werkgeefster [eiser 3] , en daarmee ook tegenover [eiser 1] en Agora, door het wegsluizen van de gelden. [gezamenlijke eisers] hebben hierdoor schade geleden en [gedaagde 1] moet de onttrokken bedragen als schadevergoeding aan hen terug te betalen. Ten aanzien van [gedaagde 2] stellen [gezamenlijke eisers] dat ook hij moet worden veroordeeld tot terugbetaling van de bedragen, primair omdat hij een onrechtmatige daad heeft gepleegd tegenover hen door de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde 1] in stand te houden en niet in te grijpen, subsidiair omdat hij ongerechtvaardigd is verrijkt door de onttrekkingen.
3.3.
In de op 5 december 2025 door hen ingediende akte hebben [gezamenlijke eisers] een tweede vermeerdering van eis ingesteld, die inhoudt dat zij, naast de hiervoor genoemde vorderingen, ook inzage en afschrift ex artikel 194 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vorderen. Zij vorderen in dat kader - samengevat - dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] wordt veroordeeld binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis inzage in en afschrift van alle bankafschriften te verstrekken:
  • die op hun naam staan en waarvan zij rekeninghouder zijn, beperkt tot de periode van 3 april 2023 tot en met primair 1 juli 2025, subsidiair tot en met 12 december 2024, meer subsidiair tot en met 29 november 2024;
  • waarvan zij mede rekeninghouder zijn (en/of rekening), beperkt tot de periode van 3 april 2023 tot en met primair 1 juli 2025, subsidiair tot en met 12 december 2024, meer subsidiair tot en met 29 november 2024;
  • van hun minderjarige zoon, beperkt tot de periode van 3 april 2023 tot en met primair 12 december 2024 en subsidiair tot en met 29 november 2024,
steeds afzonderlijk op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00.
3.4.
Ter onderbouwing van hun aanvullende vorderingen stellen [gezamenlijke eisers] dat zij voor de onderbouwing van hun subsidiaire vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking inzage nodig hebben in de rekeningafschriften van gedaagden en hun minderjarige zoon. Op basis daarvan kan worden vastgesteld waar de onttrokken bedragen aan zijn besteed en voor welk deel van die bedragen [gedaagde 2] is verrijkt, aldus [gezamenlijke eisers]
3.5.
[gedaagde 1] erkent de aan haar gemaakte verwijten. Zij weet dat zij de door haar onttrokken bedragen, die volgens haar zijn opgegaan aan dagelijkse uitgaven, moet terugbetalen, maar stelt dat zij daartoe op dit moment financieel gezien niet in staat is.
3.6.
[gedaagde 2] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de tegen hem ingestelde vorderingen, met hoofdelijke veroordeling van [gezamenlijke eisers] in de proceskosten. [gedaagde 2] voert kort gezegd aan dat hij niets wist van de gedragingen van [gedaagde 1] . Pas nadat het ontslag op staande voet aan [gedaagde 1] was verleend, is hij op de hoogte geraakt van wat er is gebeurd. [gedaagde 2] stelt zich op het standpunt dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [gezamenlijke eisers] en betwist dat hij heeft geprofiteerd van de aan [gedaagde 1] verweten gedragingen.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.8.
In (voorwaardelijke) reconventie vordert [gedaagde 2] , na wijziging van zijn eis, alle ten laste van hem gelegde beslagen onder de Rabobank en op de aan hem toebehorende onroerende zaak in [vestigingsplaats] binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 voor het geval [gezamenlijke eisers] daarmee in gebreke blijven, met hoofdelijke veroordeling van [gezamenlijke eisers] in de proceskosten. Ter onderbouwing van deze vordering stelt [gedaagde 2] kort gezegd dat [gezamenlijke eisers] ten onrechte beslagen ten laste van hem hebben gelegd.
3.9.
[gezamenlijke eisers] voeren gemotiveerd verweer tegen de voorwaardelijke vorderingen in reconventie en concluderen tot afwijzing van die vorderingen, met voorwaardelijk van [gedaagde 2] in de proceskosten.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
[gezamenlijke eisers] heeft op 5 december 2025 nog een akte aanvulling grondslag, wijziging van eis en vermeerdering van eis ingediend. Namens [gedaagde 2] is bezwaar gemaakt tegen het late moment van indiening. Mr. Plattel heeft subsidiair verzocht om eerst nog te mogen reageren op deze akte. De kantonrechter zal hem daartoe in de gelegenheid stellen en overweegt daarover het volgende.
4.2.
Artikel 130 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt - kort gezegd - dat, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, de eiser bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen en dat de gedaagde daartegen bezwaar kan maken op de grond dat de vermeerdering in strijd is met een goede procesorde. Van strijd met een goede procesorde is onder meer sprake als de eisvermeerdering of -verandering leidt tot een onredelijke vertraging van het geding en/of tot de bemoeilijking van de verdediging van de gedaagde.
4.3.
In dit geval is de akte namens [gezamenlijke eisers] pas enkele dagen vóór de mondelinge behandeling ingediend waardoor mr. Plattel is bemoeilijkt in de verdediging van [gedaagde 2] . Daartegenover staat dat de stukken waarvan inzage wordt gevorderd voor [gezamenlijke eisers] van belang kunnen zijn voor de onderbouwing van hun vorderingen. Ook de kantonrechter wil voor een goede beoordeling van de vorderingen tegen met name [gedaagde 2] meer weten over de geldstromen en de besteding van de onttrokken bedragen. Van belang is immers (onder andere) in hoeverre [gedaagde 2] heeft geweten en geprofiteerd van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde 1] . Daarvoor kunnen de stukken waarvan inzage wordt gevorderd relevant zijn. Mede gelet op de substantiëringsplicht van artikel 21 Rv Pro en de discretionaire bevoegdheid van de rechter om te bevelen stukken te overleggen (artikel 22 Rv Pro) zal de kantonrechter [gedaagde 2] nu eerst in de gelegenheid stellen om bij antwoordakte te reageren op de namens [gezamenlijke eisers] op 5 december 2025 ingediende akte.
4.4.
Namens [gedaagde 1] is tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen het geven van inzage in haar bankrekeningen en die van de minderjarige zoon van gedaagden als gevorderd. De kantonrechter merkt op dat, hoewel de zaak nu zal worden aangehouden in afwachting van de antwoordakte namens [gedaagde 2] , [gedaagde 1] uiteraard in de tussentijd de stukken waarvan tegenover haar inzage wordt gevorderd al in het geding kan brengen om de voortgang van de procedure te bespoedigen.
4.5.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
in (voorwaardelijke) reconventie
4.6.
In afwachting van het verdere verloop van de procedure in conventie (de reactie van de zijde van [gedaagde 2] op de eisvermeerdering en de inzage in de bankrekeningen) wordt iedere verdere beslissing op de (voorwaardelijke) eis in reconventie aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
vrijdag 13 februari 2026voor het nemen van een antwoordakte door [gedaagde 2] op de op 5 december 2025 namens [gezamenlijke eisers] ingediende akte aanvulling grondslag, wijziging van eis en vermeerdering van eis, zoals hiervoor overwogen in 4.3,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in (voorwaardelijke) reconventie
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.
41245 \ 560