ECLI:NL:RBGEL:2026:1085

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
11709953
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:750 BWArt. 7:755 BWArt. 6:52 BWArt. 6:74 BWArt. 6:86 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling en opschorting bij aanneming van werk met meerwerk en lekkagevloerverwarming

In deze civiele bodemzaak tussen een aannemer en opdrachtgever staat de betaling van meerwerk en een opschortingsrecht centraal. De aannemer vordert betaling van een factuur voor meerwerk, terwijl de opdrachtgever een tegenvordering heeft wegens een lekkage in de vloerverwarming die door de aannemer is veroorzaakt.

De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst een aanneming van werk betreft en beoordeelt per meerwerkpost of deze toewijsbaar is. Diverse posten worden toegewezen, zoals extra elektrawerk, verlengen van deuren, dubbele wand in badkamer, aflassen staal, steigerkosten en extra gewerkte uren van een onderaannemer. Andere posten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of omdat geen meerwerk is vastgesteld.

De opdrachtgever heeft terecht de betaling van de factuur van 24 september 2024 deels opgeschort vanwege de lekkage in de vloerverwarming. De aannemer heeft het verzuim op 23 oktober 2025 gezuiverd door een coulancevergoeding toe te zeggen. De vordering van de aannemer wordt toegewezen tot een bedrag van €4.041,92, met wettelijke rente over de juiste perioden. De tegenvordering van de opdrachtgever voor schadevergoeding is afgewezen omdat partijen een regeling troffen die nog niet opeisbaar is. De vordering tot herstel van een sensor in de vloerverwarming wordt eveneens afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Beide partijen worden veroordeeld in hun proceskosten, waarbij de aannemer de hogere kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering van de aannemer wordt deels toegewezen tot €4.041,92 met rente, de opschorting van betaling door de opdrachtgever wordt erkend, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11709953 \ CV EXPL 25-1423
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiser in conv.],
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. L. Wissink,
tegen
[gedaagde in conv.],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. L. Rodenburg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 augustus 2025,
- de conclusie van antwoord in reconventie en akte indienen producties van de zijde van [eiser] ,
- de voorafgaande aan de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde aanvullende producties,
- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 25 juli 2024 heeft [eiser] een offerte aan [gedaagde] uitgebracht. Daarin is het volgende vermeld:
“(…)
Omschrijving
(…)
(…)
(…)
Subtotaal
BTW
Installatie werk badkamer mark
€ 2.400,00
Hoog 21%
Installatie keuken en afvoer verleggen kruipruimte mark
€ 1.125,00
Hoog 21%
werkuren [onderaannemer 1] +- 14 dagen
€ 4.200,00
Hoog 21%
kraan 1 dagen
€ 125,00
Hoog 21%
CAR verzekering aan vraag
woningen 2,5 miljoen incl rapport opbouwen voor en naar
verbouwing
€ 750,00
Hoog 21%
Totaal excl. BTW
€ 8.600,00
BTW Hoog 21%
€ 1.806,00
Totaal
€ 10.406,00
(…)”
2.2.
[gedaagde] is akkoord gegaan met de offerte.
2.3.
Begin augustus 2024 is [eiser] gestart met de uitvoering van de werkzaamheden.
2.4.
Bij facturen van 8 augustus 2024 en 13 september 2024 heeft [eiser] bedragen van achtereenvolgens € 4.265,25 (incl. btw) en € 2.904,00 (incl. btw) aan [gedaagde] in rekening gebracht voor de eerste en tweede deelbetaling van de geoffreerde aanneemsom. [gedaagde] heeft deze factuurbedragen betaald.
2.5.
Op 13 september 2024 heeft [eiser] de werkzaamheden in de woning van [gedaagde] afgerond.
2.6.
Op 14 september 2024 heeft [gedaagde] een bedrag van € 2.000,00 contant aan [eiser] betaald.
2.7.
Bij factuur van 24 september 2024 heeft [eiser] een bedrag van € 10.356,71 (incl. btw) aan [gedaagde] in rekening gebracht. [gedaagde] heeft dit factuurbedrag onbetaald gelaten.
2.8.
Bij creditfactuur van 9 november 2024 heeft [eiser] een bedrag van € 993,71 (incl. btw) aan [gedaagde] gecrediteerd.
2.9.
In de vloerverwarming is een lekkage ontstaan. Op 29 januari 2025 heeft [gedaagde] deze lekkage laten onderzoeken door CMG Vochtinspecties (hierna: CMG). In de daarvan opgestelde rapportage d.d. 31 januari 2025 heeft CMG onder meer het volgende vermeld:
“(…)
OORZAAK VAN DE LEKKAGE EN DE ONBRUIKBAARHEID VLOERVERWARMING
De vastgestelde lekkage wordt direct veroorzaakt door de gemaakte koppeling van de verwarmingsgroep nadat uw aannemer deze had onderbroken. De 2 verschillende materiaalsoorten (de knijpkoppeling en de kunststofbuis) bevatten verschillende uitzet coëfficiënten waardoor deze altijd eerst getest dienen te worden alvorens deze koppeling in de massa van de vloer te laten verdwijnen. Met grote zekerheid lekt een dergelijke koppeling tijdens een test en zal deze dan nagetrokken moeten worden en/of bij geknepen, deze actie heeft niet plaatsgevonden. (…)”
2.10.
Bij e-mail van 3 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] bericht:
“(…) Coulancehalve zal cliënt de schade echter conform expertiserapport vergoeden (maximaal €5.650,-). Zodra uw cliënt deze schade heeft laten herstellen door een erkend installateur dient hij de factuur met cliënt te delen, met daarbij de betaalgegevens. Cliënt zal dan tot vergoeding overgaan.
(…)”
2.11.
In reactie daarop heeft de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] bij e-mail van 13 oktober 2025 geantwoord:
“Cliënt wenst [bedrijf] in te schakelen voor het herstel conform het expertiserapport te laten uitvoeren. Graag ontvang ik uw bevestiging dat dit akkoord is en dat uw cliënt de factuur (tot een maximum van €5.650,-) binnen 14 dagen voldoet zodra de werkzaamheden zijn verricht. Daarnaast ontvang ik graag de bevestiging dat het een onvoorwaardelijke toezegging is en dus door uw cliënt voldaan zal worden ondanks dat partijen geen schikking treffen van de vermeende vordering van uw cliënt op cliënt.”
2.12.
In reactie daarop heeft de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] bij e-mail van 23 oktober 2025 geantwoord:
“Het inschakelen van [bedrijf] is akkoord. Uw cliënt dient foto’s mee te sturen van de uitgevoerde werkzaamheden. Indien deze niet worden meegestuurd, zal de verzekering niet uitkeren en zal de factuur dus niet worden vergoed. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan, zal cliënt binnen 30 dagen de betaling voldoen.
(…)”

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van in totaal € 10.206,15, vermeerderd met wettelijke rente en [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
in reconventie
3.2.
[gedaagde] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht zal verklaren dat [gedaagde] de betaling aan [eiser] terecht heeft opgeschort,
2. [eiser] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van in totaal € 6.340,00 aan [gedaagde] , vermeerderd met wettelijke rente,
3. [eiser] zal veroordelen om de sensor in de badkamer conform de handleiding van de fabrikant te herstellen binnen twee weken na het te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom,
en [eiser] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
in conventie en in reconventie
3.3.
Partijen voeren over en weer verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de wederpartij in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
[gedaagde] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij de verkeerde partij heeft gedagvaard, namelijk de eenmanszaak van [gedaagde] en niet [gedaagde] in privé.
4.2.
[gedaagde] wordt niet in dit verweer gevolgd. Een eventuele veroordeling tegen een natuurlijk persoon die handelt onder de naam van een eenmanszaak wordt namelijk tegen de natuurlijk persoon zelf uitgesproken. De vermelding van de eenmanszaak in de dagvaarding heeft dus geen gevolgen voor de hoedanigheid waarin [gedaagde] is gedagvaard. [eiser] is dus ontvankelijk in zijn vordering.
4.3.
Vooropgesteld wordt dat de overeenkomst tussen partijen moet worden aangemerkt als een overeenkomst van aanneming van werk als bedoeld in artikel 7:750 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit brengt met zich dat de bepalingen van titel 12 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in dit geval van toepassing zijn.
4.4.
[eiser] maakt aanspraak op betaling van een hoofdsom ter hoogte van € 9.363,00. Deze hoofdsom bestaat uit het factuurbedrag van € 10.356,71 van de factuur van 24 september 2024 minus een door [gedaagde] verrichte betaling van € 993,71. In voormelde factuur heeft [eiser] naar eigen zeggen de derde en tevens laatste termijn van de aanneemsom gefactureerd. Dit betreft volgens [eiser] de post
“werk uren [onderaannemer 1] ”. In de factuur heeft [gedaagde] verder diverse meerwerkposten in rekening gebracht.
Uren [onderaannemer 1] (derde deel van de vaste aanneemsom)
4.5.
[eiser] heeft een deel van de werkzaamheden in onderaanneming laten uitvoeren door [onderaannemer 1] (hierna: [onderaannemer 1] ). In de offerte heeft [eiser] voor de werkuren van [onderaannemer 1] een bedrag van € 5.082,00 incl. btw (€ 4.200,00 excl. btw) geoffreerd. In de factuur van 24 september 2024 heeft [eiser] dit bedrag aan [gedaagde] in rekening gebracht. [eiser] stelt dat dit geen meerwerkpost is maar dat dit kosten zijn die hij conform de offerte aan [gedaagde] in rekening heeft gebracht. Volgens [eiser] is deze post dus onderdeel van de vaste aanneemsom van € 10.406,00. Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, wordt [eiser] niet in dit standpunt gevolgd. Vast staat namelijk dat [gedaagde] met betaling van de facturen van 8 augustus 2024 en 13 september 2024 – waarin de eerste en tweede deelbetaling in rekening zijn gebracht – een bedrag van in totaal € 7.169,25 in mindering op de vaste aanneemsom van € 10.406,00 heeft betaald. Van de vaste aanneemsom resteert dus een bedrag van € 3.236,75 (€ 10.406,00 -/- € 7.169,25). [eiser] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken waarom [gedaagde] naast dit bedrag nog een bedrag van € 1.845,25 (€ 5.082,00 -/- € 3.236,75) aan [eiser] is verschuldigd als de post
“werk uren [onderaannemer 1] ”, zoals [eiser] stelt, geen meerwerk is maar onderdeel uitmaakt van de vaste aanneemsom. Dit onderdeel van de vordering (€ 1.845,25) zal dan ook als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
4.6.
[eiser] heeft voor de door [onderaannemer 1] gewerkte uren een uurtarief van € 52,50 (excl. btw) in rekening gebracht. [gedaagde] betwist de hoogte van dit uurtarief. [gedaagde] is naar eigen zeggen een uurtarief van € 45,00 (excl. btw) verschuldigd voor de door [onderaannemer 1] gewerkte uren omdat [onderaannemer 1] aan [gedaagde] heeft laten weten dat hij dit uurtarief aan [eiser] in rekening brengt en [eiser] volgens de door partijen gemaakte afspraken geen marge over de gewerkte uren mag rekenen.
4.7.
[gedaagde] onderbouwt de betwisting van het uurtarief van [onderaannemer 1] niet met concrete feiten of stukken. Dit lag wel op zijn weg aangezien uit de offerte blijkt dat [eiser] een uurtarief van € 52,50 voor de inzet van [onderaannemer 1] rekent (€ 4.200 / 80 uur = € 52,50) en [gedaagde] met de offerte heeft ingestemd. Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat daarom vast dat [gedaagde] voor de door [onderaannemer 1] gewerkte uren een uurtarief van € 52,50 (excl. btw) is verschuldigd.
4.8.
[gedaagde] stelt ten slotte dat hij voor de door [onderaannemer 1] gewerkte uren een bedrag van € 1.920,00 contant rechtstreeks aan [onderaannemer 1] heeft betaald. Dit is in zoverre niet in geschil. [eiser] voert echter aan dat deze contante betaling in mindering strekt op het meerwerk dat [onderaannemer 1] heeft verricht. Zoals hierna onder rechtsoverweging 4.12.17. zal blijken, heeft [eiser] de betaling van het bedrag van € 1.920,00 al in mindering gebracht op de door [onderaannemer 1] extra gewerkte uren.
4.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering die strekt tot betaling van de door [onderaannemer 1] gewerkte 80 uren toewijsbaar is tot een bedrag van € 3.236,75.
Meerwerkposten
4.10.
[eiser] heeft in de factuur van 24 september 2024 de volgende meerwerkposten aan [gedaagde] in rekening gebracht:
levering en montage van elektra,
aanleg noodkraan meterkast,
afsluiting en verlegging leiding oude badkamer en wc beneden,
aanpassen van de deuren,
maken dubbele wand badkamer,
aflassen staal,
klein verbruik materiaal,
sleuven frees,
dichtzetten trap,
aanleg spiraalbuis.
4.11.
In artikel 7:755 BW Pro is bepaald in welke situatie en onder welke voorwaarden een aannemer een prijsverhoging kan vorderen. Daarvoor dient in de eerste plaats sprake te zijn van een door de opdrachtgever (in dit geval [gedaagde] ) gewenste toevoeging of verandering in het overeengekomen werk (meerwerk). Daarnaast is vereist dat de aannemer de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.
4.12.
De door [eiser] in rekening gebrachte meerwerkposten zullen hierna afzonderlijk aan de orde komen.
a)
levering en montage van elektra
4.12.1.
[eiser] heeft op verzoek van [gedaagde] extra elektrakabels en stopcontacten geleverd en laten aanleggen in de woonkamer van [gedaagde] door onderaannemer [onderaannemer 2] (hierna: [onderaannemer 2] ). [gedaagde] betwist niet dat in dit geval sprake is van meerwerk en dat hij de daaruit voortvloeiende prijsverhoging aan [eiser] is verschuldigd. Partijen verschillen van mening over de hoogte van deze prijsverhoging.
4.12.2.
Uit de factuur van 24 september 2024 blijkt dat [gedaagde] voor dit onderdeel de volgende meerwerkposten in rekening heeft gebracht:
- extra spullen kabels en inbouwdozen woonkamer meterkast ad € 544,85 (incl. btw),
- werk uren [onderaannemer 2] installatie ad € 1.306,80 (incl. btw),
- rapport opstellen ad € 122,51 (incl. btw).
4.12.3.
[gedaagde] betwist de hoogte van het bedrag dat [eiser] in rekening heeft gebracht voor de extra geleverde materialen (€ 544,85). Hij voert daartoe aan dat [eiser] tegen de gemaakte afspraken in toch een marge heeft berekend over de aangeschafte materialen. Uit onderzoek op het internet blijkt dat [eiser] op de materialen een marge van gemiddeld 35% heeft gerekend.
4.12.4.
[eiser] brengt tegen het verweer van [gedaagde] in dat hij de materialen heeft ingekocht bij Plieger en niet op het internet heeft gezocht naar de goedkoopste prijzen voor de materialen. De prijzen die Plieger heeft berekend, zijn aan [gedaagde] doorberekend en daarbij is geen marge berekend, aldus [eiser] .
4.12.5.
Niet in geschil is dat partijen hebben afgesproken dat [eiser] geen marge over de door hem aangeschafte materialen aan [gedaagde] in rekening zou brengen. Uit deze afspraak blijkt niet dat op [eiser] ook de verplichting rustte om op internet de meest goedkope prijzen voor de materialen te zoeken. Uitgangspunt is dan ook dat [eiser] de prijzen die hij daadwerkelijk heeft betaald aan de leverancier (in dit geval Plieger) in rekening mag brengen aan [gedaagde] , zonder daarover een marge te berekenen. Uit de door [eiser] overgelegde facturen van Plieger (productie 12 van [eiser] ) blijkt dat daarin door Plieger een aantal materialen aan [eiser] in rekening is gebracht dat [eiser] ook in de factuur van 24 september 2024 voor voormelde meerwerkpost in rekening heeft gebracht. Het gaat daarbij om de volgende materialen “INBOUWDOOS 40/50MM 1X16/19” en “LASDOOS UNIVERSEEL”. Wanneer de prijzen van deze materialen in de factuur van Plieger (inclusief korting) worden vergeleken met de aan [gedaagde] in rekening gebrachte prijzen, blijkt daaruit dat [gedaagde] geen hogere maar juist lagere bedragen heeft doorberekend aan [gedaagde] . Niet gebleken is dan ook dat [eiser] een marge van 35% heeft berekend over de materialen. Het verweer van [gedaagde] op dit punt faalt. [gedaagde] is voor de materialen een bedrag van € 544,85 aan [gedaagde] verschuldigd. Dit onderdeel van de vordering is toewijsbaar.
4.12.6.
[gedaagde] betwist verder dat hij nog een bedrag voor de door [onderaannemer 2] gewerkte uren is verschuldigd. Hij voert daartoe aan dat [onderaannemer 2] voor de door hem gewerkte uren een rechtstreekse factuur heeft verzonden voor een bedrag van € 993,71 en dat hij dit factuurbedrag aan [onderaannemer 2] heeft betaald. [eiser] heeft tegenover deze betwisting niets ingebracht. In het licht van deze omstandigheden valt niet in te zien waarom [gedaagde] voor de door [onderaannemer 2] gewerkte uren naast het bedrag van € 993,71 – welk bedrag [eiser] later heeft gecrediteerd en welk bedrag in de dagvaarding in mindering is gebracht op de hoofdsom, nog een bedrag van € 313,09 (€ 1.306,80 -/- € 993,71) voor de door [onderaannemer 2] gewerkte uren is verschuldigd. De vordering die strekt tot de door [onderaannemer 2] gewerkte uren is dus in zijn geheel niet toewijsbaar.
4.12.7.
[gedaagde] voert geen verweer tegen het gevorderde bedrag van € 122,51 voor het opstellen van een rapport. Dit onderdeel van de vordering is dan ook toewijsbaar.
b)
aanleg noodkraan meterkast
4.12.8.
[eiser] heeft een noodkraan in de meterkast aangelegd. Volgens [eiser] levert dit meerwerk op omdat [gedaagde] zich niet aan de planning hield en de noodkraan daardoor toch nodig was. Gelet op de betwisting van deze stelling door [gedaagde] , had het op de weg van [eiser] gelegen deze stelling verder te onderbouwen. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Uit de door [gedaagde] overgelegde planning (productie 1 van [gedaagde] ) blijkt bovendien dat in de periode waarin [eiser] de werkzaamheden in de woning van [gedaagde] heeft uitgevoerd ook andere door [gedaagde] ingeschakelde aannemers werkzaam zouden zijn. Niet in geschil is dat [eiser] deze planning heeft ontvangen voorafgaand aan het opstellen van de offerte. [eiser] had dus op dat moment kunnen voorzien dat hij een maatregel moest treffen voor het afsluiten van het water omdat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ook andere aannemers in de woning werkzaam zouden zijn. [gedaagde] heeft dus bij het opstellen van de offerte ten onrechte geen rekening gehouden met de hieruit voortvloeiende kosten. Van een toevoeging of verandering in het overeengekomen werk als bedoeld in artikel 7:755 BW Pro is dus geen sprake. De in dit verband gevorderde meerwerkkosten zullen daarom worden afgewezen.
c)
afsluiting en verlegging leiding oude badkamer en wc beneden
4.12.9.
[eiser] heeft de leiding van de oude badkamer en de wc afgesloten en verlegd. Partijen verschillen ook hier van mening over de vraag of dit meerwerk oplevert. Waar het [eiser] is die stelt dat deze werkzaamheden aanvankelijk door een ander bedrijf uitgevoerd zouden worden en [eiser] daarom geen rekening had hoeven houden met deze werkzaamheden in de offerte, lag het, gelet op de betwisting van die stelling door [gedaagde] , op de weg van [eiser] om die stelling verder te onderbouwen. [eiser] heeft dat nagelaten. Van meerwerk is daarom niet gebleken. De in dit verband gevorderde meerwerkkosten zullen worden afgewezen.
d)
aanpassen van de deuren
4.12.10.
[eiser] heeft op verzoek van [gedaagde] vier deuren verlengd met een onderlat. [gedaagde] erkent dat dit meerwerk is en dat hij de hiervoor door [eiser] in rekening gebrachte kosten van € 294,42 (incl. btw) is verschuldigd. Dit onderdeel van de vordering is daarom toewijsbaar.
e)
maken dubbele wand badkamer
4.12.11.
[eiser] stelt dat [gedaagde] na het uitbrengen van de offerte heeft gevraagd of [eiser] een dubbele wand in de badkamer wilde maken om op deze wijze een diepere nis te kunnen creëren. [gedaagde] betwist deze stelling niet. Daarmee staat vast dat sprake is van meerwerk. Het spreekt voor zich dat [eiser] dit meerwerk niet op eigen kosten gedaan zou hebben. [gedaagde] had dan ook moeten begrijpen dat [eiser] hiervoor extra kosten in rekening zou brengen. De door [eiser] in rekening gebrachte kosten ter hoogte van € 710,03 (incl. btw), waarvan [gedaagde] de hoogte niet heeft betwist, zijn dan ook toewijsbaar.
f)
aflassen en ophalen staal
4.12.12.
[eiser] heeft op verzoek van [gedaagde] staal opgehaald in Winterswijk en dit staal afgelast voor de doorgang van de keuken. Vast staat dat dit meerwerk betreft en dat [gedaagde] de daaruit voortvloeiende prijsverhoging aan [eiser] is verschuldigd. [eiser] heeft voor het materiaal € 24,20 gefactureerd en voor het ophalen en aflassen van het staal een bedrag van 317,62 (incl. btw), bestaande uit vijf werkuren. [gedaagde] voert verweer tegen de hoogte van de in rekening gebrachte werkuren. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] vijf uur besteed aan het ophalen van het staal door een miscommunicatie en kan [eiser] hiervoor maximaal twee uur in rekening brengen. [gedaagde] wordt niet in deze stelling gevolgd. [eiser] brengt de vijf werkuren namelijk niet alleen in rekening voor het ophalen van het staal maar ook voor het aflassen daarvan. Door [gedaagde] is niet betwist dat [eiser]
in totaalvijf werkuren heeft besteed om deze beide werkzaamheden te verrichten. De in dit verband gevorderde meerwerkkosten ter hoogte van € 341,82 (€ 24,20 + € 317,62) zijn dan ook toewijsbaar.
g)
klein verbruik materiaal
4.12.13.
[eiser] heeft kosten in rekening gebracht voor de post
“klein werkmateriaal”. [gedaagde] betwist dat [eiser] deze kosten heeft gemaakt, dan wel dat deze kosten voor rekening van [gedaagde] komen. [eiser] stelt en onderbouwt niet waarop deze kosten zien en waarom dit meerwerk betreft. Dit onderdeel van de vordering zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
h)
Sleuven frees
4.12.14.
[eiser] heeft voor deze meerwerkposten het volgende in rekening gebracht:
“ sleuven frees (…) € 75,00
steiger [onderaannemer 1] (…) € 150,00
restant uren [onderaannemer 1] uren die niet betaald zijn
1920 euro voldaan contant (…) € 311,25”
4.12.15.
[gedaagde] betwist allereerst de verschuldigdheid van het bedrag van € 75,00 (excl. btw) voor de post
“sleuven frees”. Gelet hierop, lag het op de weg van [eiser] om de stelling dat [gedaagde] deze kosten is verschuldigd, toe te lichten en verder te onderbouwen. [eiser] heeft dat niet gedaan. Uit niets blijkt dat en waarom [gedaagde] het bedrag van € 75,00 (excl. btw) is verschuldigd. Dit onderdeel van de vordering is onvoldoende door [eiser] onderbouwd en daarom niet toewijsbaar.
4.12.16.
[gedaagde] erkent dat hij voor de steiger een bedrag van € 181,50 (incl. btw) is verschuldigd (zie in dit verband productie 3 van [gedaagde] ). Dit onderdeel van de vordering is daarmee toewijsbaar.
4.12.17.
[eiser] heeft een bedrag van in totaal € 2.231,25 in rekening gebracht voor de door [onderaannemer 1] extra gewerkte uren. Het gaat hierbij dus om – naast de in de offerte begrote 80 werkuren – 42,50 extra door [onderaannemer 1] gewerkte uren (€ 2.231,25 / € 52,50). [gedaagde] erkent in de conclusie van antwoord dat [onderaannemer 1] extra uren heeft gewerkt, namelijk in totaal 125,50 uur. Daarmee staat vast dat sprake is van meerwerk en dat [gedaagde] de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging heeft begrepen, althans behoorde te begrijpen. Aan de vereisten van artikel 7:755 BW Pro is dus voldaan. Dit betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 2.231,25 is verschuldigd voor de extra gewerkte uren door [onderaannemer 1] . Op dit bedrag strekt de betaling van het bedrag van € 1.920,00 door [gedaagde] in mindering. [eiser] heeft dit ook gedaan in de factuur van 24 september 2024. De gevorderde betaling van het bedrag van € 376,61 (incl. btw) ((€ 2.231,25 -/- € 1.920,00) + 21% btw) voor de extra door [onderaannemer 1] gewerkte uren is dan ook toewijsbaar.
i)
dichtzetten trap
4.12.18.
[eiser] stelt dat hij de trap heeft dichtgezet en dat dit aanvankelijk door een andere aannemer zou worden gedaan.
4.12.19.
[gedaagde] brengt tegen de stellingen van [eiser] in dat [eiser] de trap heeft moeten dichtzetten door zijn eigen toedoen. Volgens [gedaagde] zou [eiser] een stopcontact achter de trap monteren voor de trapverlichting maar was dit niet tijdig gereed. [eiser] heeft vervolgens zelf aangegeven de trap te zullen dichtzetten met een plank zodra het stopcontact was gemonteerd, aldus [gedaagde] .
4.12.20.
[eiser] heeft de stellingen van [gedaagde] niet gemotiveerd weersproken. Daarmee staat vast dat [eiser] tijd heeft moeten besteden aan het dichtzetten van de trap omdat hij het stopcontact achter de trap niet tijdig gereed had en hij zelf heeft aangeboden om de trap te zullen dichtzetten. Niet gesteld of gebleken is dat hij [gedaagde] daarbij tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging. Ook zijn geen omstandigheden naar voren gebracht of gebleken waaruit blijkt dat [gedaagde] die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Aan de vereisten van artikel 7:755 BW Pro is dus niet voldaan. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
j)
aanleg spiraalbuis
4.12.21.
[eiser] stelt dat [gedaagde] na het uitbrengen van de offerte de opstelling van de badkamer heeft gewijzigd en dat daardoor het oude ventilatiekanaal niet meer gebruikt kon worden. Om deze reden heeft [eiser] naar eigen zeggen een nieuw gat voor de ventilatie moeten boren. [gedaagde] heeft deze stellingen op zijn beurt niet gemotiveerd betwist. Daarmee staat vast dat sprake is van meerwerk. [gedaagde] had moeten begrijpen dat [eiser] hiervoor extra kosten in rekening zou brengen. Het spreekt immers voor zich dat [eiser] dit meerwerk niet op eigen kosten gedaan zou hebben.
4.12.22.
[eiser] heeft voor deze meerwerkpost naast 1,5 werkuren een aantal materialen in rekening gebracht. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling als verweer aangevoerd dat [eiser] voor een aantal materialen van deze meerwerkpost toch een marge heeft berekend. Dit verweer slaagt. Wanneer de factuur van 24 september 2024 en de facturen van Plieger (productie 12 van [eiser] ) met elkaar worden vergeleken, zijn de volgende verschillen te zien:
Omschrijving
Factuur [eiser]
Factuur Plieger
MONTAGEBEUBEL
€ 37,80
€ 22,68
RVS SLANGKLEM
€ 3,40
€ 1,90
GLADDE BOCHT
€ 23,80
€ 11,90
Totaal (excl. btw)
€ 65,00
€ 36,48
Totaal (incl. btw)
€ 78,65
€ 44,14
4.12.23.
Voor deze in het schema genoemde materialen is [gedaagde] een bedrag van € 44,14 (incl. btw) aan [eiser] verschuldigd in plaats van het gevorderde bedrag van € 78,65. Voor zover de vordering van [eiser] ziet op betaling van voormelde materialen, is dit onderdeel van de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 44,14 (incl. btw).
4.12.24.
Voor de overige door [eiser] gefactureerde materialen van deze meerwerkpost heeft [eiser] dezelfde kosten als Plieger in rekening gebracht. [gedaagde] betwist verder de verschuldigdheid van de in rekening gebrachte werkuren (1,5 uur) niet. Dit betreft in totaal een bedrag van € 189,29 (incl. btw). Dit bedrag is eveneens toewijsbaar.
Tussenconclusie
4.13.
Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat [gedaagde] in beginsel een hoofdsom aan [eiser] is verschuldigd ter hoogte van € 6.041,92 incl. btw (€ 3.236,75 + € 544,85 + € 122,51 + € 294,42 + € 710,03 + € 341,82 + € 181,50 + € 376,61 + € 44,14 + € 189,29).
Contante betaling
4.14.
Partijen verschillen van mening over de vraag of op de hoofdsom een contante betaling van € 2.000,00 in mindering strekt. [eiser] betwist niet dat hij deze betaling van [gedaagde] heeft ontvangen maar lijkt te stellen dat hij de contante betaling al in mindering heeft gebracht op de geoffreerde posten die zien op de installatie van de keuken, de kraan en de CAR-verzekering. Uit de offerte van 25 juli 2024 blijkt dat de kosten van deze posten onderdeel uitmaken van de vaste aanneemsom. Niet in geschil is dat [eiser] deze onderdelen van de offerte al in rekening heeft gebracht in de facturen van 8 augustus 2024 en 13 september 2024. Deze facturen maken dus geen onderdeel uit van deze procedure. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij de facturen van 8 augustus 2024 en 13 september 2024 via de bank op 9 augustus 2024 en 14 september 2024 heeft betaald en dat de contante betaling dus niet op die facturen betrekking heeft. [eiser] heeft deze stelling vervolgens niet (gemotiveerd) weersproken. Daarom moet op de hoofdsom van € 6.041,92 nog een betaling van € 2.000,00 in mindering worden gebracht. Daarmee bedraagt de hoofdsom € 4.041,92.
Opschorting
4.15.
[gedaagde] beroept zich ten slotte op opschorting met een tegenvordering die hij stelt te hebben op [eiser] .
4.16.
Op grond van het algemene opschortingsrecht van artikel 6:52 BW Pro is een schuldenaar (in dit geval [gedaagde] ) bevoegd om de nakoming van zijn verbintenis op te schorten als:
- hij een opeisbare tegenvordering heeft op de schuldeiser (in dit geval [eiser] ) en
- tussen die vordering en de verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen.
Als een beroep op opschorting slaagt, kan de schuldenaar de nakoming van zijn verbintenis gerechtvaardigd uitstellen totdat de schuldeiser het verzuim zuivert.
4.17.
Allereerst moet worden beoordeeld of [gedaagde] een tegenvordering heeft op [eiser] . [eiser] voert in dit verband aan dat [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst omdat hij (i) een lekkage in de vloerverwarming heeft veroorzaakt en (ii) een sensor verkeerd in de vloerverwarming heeft geplaatst. In reconventie vordert hij in dit verband betaling van een schadevergoeding van € 5.650,00 en herstel van de plaatsing van de sensor. Deze twee vorderingen komen hierna afzonderlijk aan de orde.
(i) lekkage vloerverwarming
4.17.1.
De stelplicht en (bij voldoende gemotiveerde betwisting) de bewijslast van de stelling dat [eiser] tijdens de uitvoering van de werkzaamheden een lekkage in de vloerverwarming heeft veroorzaakt, rusten op [gedaagde] omdat hij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept. [gedaagde] heeft in dit verband de rapportage van CMG van 29 januari 2025 (zie hiervoor 2.9.) overgelegd. De bevindingen van CMG in deze rapportage zijn niet gemotiveerd door [eiser] weersproken. Daarom wordt als vaststaand aangenomen dat de lekkage is ontstaan omdat [eiser] de verwarmingsgroep heeft onderbroken en vervolgens twee materiaalsoorten met elkaar heeft gekoppeld waarna de koppeling is gaan lekken. Dit levert een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van [eiser] op. Niet in geschil is dat [eiser] in verzuim verkeert.
4.17.2.
[eiser] is op grond van artikel 6:74 BW Pro gehouden om de schade die [gedaagde] als gevolg van de tekortkoming lijdt, te vergoeden. [gedaagde] stelt de hoogte van de herstelkosten onder verwijzing naar de rapportage van CMG op een bedrag van € 5.650,00. [eiser] betwist de hoogte van deze schade niet. Daarmee wordt als vaststaand aangenomen dat [gedaagde] een tegenvordering op [eiser] heeft (gehad) van € 5.650,00.
4.17.3.
Vervolgens is de vraag aan de orde of tussen de vordering van [eiser] en de tegenvordering van [gedaagde] voldoende samenhang bestaat. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord aangezien de vorderingen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding (artikel 6:52 lid 2 BW Pro).
4.17.4.
Aan de vereisten van artikel 6:52 BW Pro is voldaan. In beginsel kan [gedaagde] daarom zijn betalingsverplichting naar [eiser] gerechtvaardigd opschorten. Dit zou betekenen dat de vordering van [eiser] niet opeisbaar is. Toch is dat nu niet het geval. [eiser] heeft namelijk het verzuim op 23 oktober 2025 gezuiverd (artikel 6:86 BW Pro). Op deze datum zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] de schade laat herstellen door [bedrijf] en dat [eiser] de schade tot maximaal een bedrag van € 5.650,00 zal vergoeden aan [gedaagde] na ontvangst van de factuur van [bedrijf] en ontvangst van de foto’s van de uitgevoerde werkzaamheden (zie hiervoor 2.10. t/m 2.12.). Als gevolg van de zuivering van het verzuim kan [gedaagde] zich vanaf 23 oktober 2025 niet meer met succes beroepen op zijn opschortingsrecht. Het beroep op opschorting heeft wel tot gevolg dat [gedaagde] vanaf het moment van opschorting, dat is in dit geval 27 augustus 2025, tot 23 oktober 2025 geen wettelijke rente over hoofdsom van [eiser] is verschuldigd.
(ii) verkeerde plaatsing sensor
4.17.5.
Zoals hierna uit de beoordeling in reconventie zal blijken, zal de vordering die strekt tot herstel van de plaatsing van de sensor worden afgewezen. Van een tegenvordering is in dit geval dus geen sprake, zodat het beroep op opschorting faalt.
4.18.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep op opschorting niet aan toewijzing van de vordering van [eiser] in de weg staat.
Slotsom
4.19.
De gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 4.041,92. De niet betwiste wettelijke rente daarover is op grond van artikel 6:119 BW Pro eveneens toewijsbaar met uitzondering van de gevorderde wettelijke rente over de periode vanaf 27 augustus 2025 tot 23 oktober 2025 omdat [gedaagde] zich over die periode terecht op opschorting beroept.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.20.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen omdat niet gebleken is dat in de aanmaning aan [gedaagde] (in dit geval een consument) een betalingstermijn van veertien dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals wel is vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW Pro.
Proceskosten
4.21.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld en begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,73
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.057,73
in reconventie
4.22.
In reconventie vordert [gedaagde] in de eerste plaats een verklaring voor recht dat hij de betaling terecht heeft opgeschort. Gelet op hetgeen daarover hiervoor onder rechtsoverweging 4.17.4. is overwogen, zal deze verklaring voor recht worden uitgesproken zoals hierna in de beslissing is vermeld.
4.23.
[gedaagde] maakt daarnaast aanspraak op betaling van een schadevergoeding van € 5.650,00 in verband met de schade die is ontstaan omdat [eiser] tijdens de uitvoering van de werkzaamheden een lekkage heeft veroorzaakt in de vloerverwarming. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.17.4. is gebleken, zijn partijen in verband met dit geschil op 23 oktober 2025 overeengekomen dat [gedaagde] de schade laat herstellen door [bedrijf] en dat [eiser] de schade tot maximaal een bedrag van € 5.650,00 zal vergoeden aan [gedaagde] na ontvangst van de factuur van [bedrijf] en ontvangst van de foto’s van de uitgevoerde werkzaamheden. Partijen zijn aan deze overeenkomst gebonden. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] op [eiser] op dit moment nog niet opeisbaar is en dat bovendien de hoogte van de vordering nu niet vast staat. De gevorderde schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.
4.24.
[gedaagde] maakt verder aanspraak op herstel van een door hem gesteld gebrek in de vloerverwarming. [gedaagde] stelt in dit verband dat [eiser] de sensor van de vloerverwarming niet diep genoeg in de vloer heeft geplaatst. De vloer warmt daardoor niet op zoals dat zou moeten, aldus [gedaagde] .
4.25.
[eiser] betwist dat hij de sensor niet diep genoeg in de vloer heeft geplaatst. Volgens [eiser] hebben verschillende partijen aan hem laten weten dat de sensor gewoon functioneert. Tot herstel hoeft dus niet te worden overgegaan, aldus [eiser] .
4.26.
Waar het [gedaagde] is die stelt dat [eiser] de sensor van de vloerverwarming niet diep genoeg in de vloer heeft geplaatst, lag het, gelet op de betwisting van deze stelling door [gedaagde] , op de weg van [gedaagde] om deze stelling verder te onderbouwen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Uit niets blijkt dat de vloer niet opwarmt zoals dat zou moeten omdat de sensor niet correct is geplaatst. [gedaagde] heeft zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. Van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op dit punt is dus niet gebleken. De vordering die strekt tot herstel zal daarom worden afgewezen.
4.27.
Omdat de hoofdvorderingen grotendeels zullen worden afgewezen, zullen ook de nevenvorderingen (wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten) worden afgewezen.
4.28.
[gedaagde] is in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld en begroot op:
- salaris gemachtigde
339,00
(2 punten × factor 0,5 x € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
474,00

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.041,92, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 2 oktober 2024 tot 27 augustus 2025 en te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 23 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.057,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
verklaart voor recht dat [gedaagde] de betaling van de factuur van 24 september 2024 terecht heeft opgeschort in de periode van 27 augustus 2025 tot 23 oktober 2025,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 474,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
lt