ECLI:NL:RBGEL:2026:1072

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
25_4123
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:57 AwbArt. 6.2 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling beslistermijn en dwangsom bij niet tijdig beslissen herstelregeling kinderopvangtoeslag

Eiser diende op 17 juni 2024 een aanvraag in voor aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag. De dienst Toeslagen besloot niet binnen de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken, inclusief een verlenging van zes maanden, waarop eiser de dienst op 18 juni 2025 in gebreke stelde. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen is gegrond verklaard.

De rechtbank legt in deze uitspraak een vaste lijn vast voor de nadere beslistermijn en de hoogte van de dwangsom bij dergelijke zaken. Gezien de toenemende werkvoorraad en doorlooptijd bij de dienst, stelt de rechtbank een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn vast. Indien deze termijn al is verstreken, geldt een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de bedenktijd en wachttijd van ouders mee te tellen bij het bepalen van de nadere beslistermijn, omdat dit tot onduidelijkheid en vertraging leidt. De dwangsom wordt vastgesteld op €100 per dag met een maximum van €15.000, conform het landelijke beleid. De dienst wordt opgedragen uiterlijk op 12 augustus 2026 een besluit te nemen, onder dreiging van de dwangsom. Tevens wordt het griffierecht en een proceskostenvergoeding van €934 aan eiser toegekend.

Uitkomst: De rechtbank stelt een nadere beslistermijn van 60 weken en een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 vast en draagt de dienst op uiterlijk 12 augustus 2026 te beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4123

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. S. Ouald Chaib),
en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat de dienst volgens hem niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag voor aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag. Het beroep is gegrond, omdat de dienst niet binnen de beslistermijn heeft beslist.
1.1.
De rechtbank legt in deze uitspraak haar lijn vast die zij vanaf deze uitspraak zal hanteren bij het bepalen van de nadere beslistermijn en de op te leggen dwangsom bij beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen voor aanvullende schadevergoeding bij de CWS in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag. Deze lijn wordt uiteengezet in deze uitspraak. De rechtbank past vervolgens die lijn toe in het beroep dat eiser heeft ingesteld. De rechtbank stelt een nadere beslistermijn vast van 60 weken na het einde van de wettelijke beslistermijn en verbindt hieraan een dwangsom.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 juni 2024 een aanvraag voor aanvullende schadevergoeding ingediend in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag.
2.1.
Met de brief van 18 juni 2025 heeft eiser de dienst in gebreke gesteld. De rechtbank heeft op 11 september 2025 het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit ontvangen. Eiser stelt dat de dienst niet binnen de beslistermijn en ook niet binnen twee weken na de ingebrekestelling op zijn aanvraag heeft beslist.
2.2.
De dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De dienst heeft op 25 augustus 2025 de maximale dwangsom van € 1.442 aan eiser toegekend wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de dienst deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten, het onderzoek vervolgens met de beslissing van 9 februari 2026 heropend en de behandeling van het beroep verwezen naar een meervoudige kamer. Met toestemming van partijen heeft er niet nogmaals een zitting plaatsgevonden. [1]

Beoordeling door de rechtbank

3. Als een bestuursorgaan niet tijdig beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaarschrift (de zogenoemde ingebrekestelling). Als het bestuursorgaan na die twee weken nog steeds geen besluit heeft genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
4. De dienst moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit nemen. [3] De dienst mag deze termijn één keer – zonder overleg met of toestemming van eiser – verlengen met zes maanden. Uit de brief van 18 november 2024 blijkt dat de dienst van deze verlengingsmogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Uit die brief volgt ook dat de dienst de aanvraag op 18 juni 2024 heeft ontvangen. Dit betekent dat de beslistermijn eindigde op 18 juni 2025.
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat de dienst niet binnen de beslistermijn heeft beslist. Eiser heeft de dienst op 18 juni 2025, dus voor het verstrijken van de beslistermijn, in gebreke gesteld. Uit de rechtspraak volgt dat een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend, wel als geldig kan worden beschouwd. [4] Dit betekent dat de ingebrekestelling van eiser, die op de laatste dag van de beslistermijn door de dienst is ontvangen, als een geldige ingebrekestelling kan worden aangemerkt. Dat wordt ook niet door de dienst betwist. Het beroepschrift heeft de rechtbank meer dan twee weken en een dag daarna ontvangen. Omdat de dienst niet binnen twee weken en een dag na ontvangst van de ingebrekestelling op de aanvraag heeft beslist, en nog altijd niet heeft beslist, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn moet aan de dienst worden opgelegd?
5. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit bekendgemaakt heeft, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [5]
5.1.
De dienst heeft nog (steeds) geen besluit genomen. De dienst moet dit alsnog doen. De dienst heeft in het verweerschrift verzocht een termijn van 60 weken te hanteren, zoals de rechtbank dat ook doet in zaken over het niet tijdig beslissen op een bezwaar tegen besluiten in het kader van de hersteloperatie. Op de zitting heeft de dienst toegelicht dat het aantal aanvragen en de doorlooptijd toenemen en dat er meer tijd nodig is om te beslissen. De dienst verzoekt daarom om naar analogie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2025 [6] toe te passen of (als de rechtbank dat niet doet) de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 juli 2025 [7] te volgen.
De vaste lijn van de rechtbank
5.2.
Dit verzoek van de dienst was aanleiding om dit beroep voor te leggen aan de meervoudige kamer om een lijn vast te leggen die de rechtbank in zaken als deze voor de vaststelling van de nadere beslistermijn en de op te leggen dwangsom zal hanteren. De op te leggen beslistermijn moet recht doen aan de reële mogelijkheden van de dienst om beoordelingen zorgvuldig af te handelen. Deze termijn moet ook tegemoetkomen aan het belang van ouders om binnen afzienbare tijd een dergelijk besluit te ontvangen. De rechtbank betrekt bij de vaststelling van de termijn de volgende uitgangspunten.
5.2.1.
Er is sprake van een toenemend aantal aanvragen voor aanvullende schadevergoeding bij de dienst. De dienst heeft tijdens de zitting toegelicht dat er in april 2025 6.699 aanvragen bij hem bekend waren en dat er in december 2025 ruim 9.000 aanvragen in de werkvoorraad zaten. De gemiddelde doorlooptijd was in 2025 meer dan 800 dagen, dus ongeveer 114 weken. Gelet op deze cijfers heeft de dienst 62 weken na afloop van de wettelijke beslistermijn nodig om te beslissen. Met de huidige beslistermijn die de rechtbank oplegt, redt de dienst het daarom niet om tijdig een besluit te nemen op de aanvraag. Een termijn van 60 weken na het einde van de wettelijke beslistermijn vormt volgens de dienst voldoende prikkel om te versnellen.
5.2.2.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser kort toegelicht hoe groot de impact van het wachten op een besluit van de dienst is op het leven van eiser. De rechtbank begrijpt dat een nog langere beslistermijn voor de dienst niet in het belang is van ouders. Tegelijkertijd is de huidige termijn – onbetwist – niet haalbaar voor de dienst.
5.2.3.
De rechtbank vindt, in navolging van de rechtbank Midden-Nederland [8] , een nadere beslistermijn van 60 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken, op dit moment dan ook een realistische termijn die niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is. Het stellen van een kortere termijn leidt er niet toe dat eerder op aanvragen beslist gaat worden, gegeven de beperkte capaciteit bij de dienst (met name bij de CWS). Een kortere termijn leidt juist tot verdere vertraging in het besluitvormingsproces, omdat die capaciteit dan ook ingezet moet worden voor nog meer (herhaalde) beroepen over niet tijdig beslissen. De rechtbank stelt een beslistermijn vast van 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op een aanvraag voor aanvullende schadevergoeding is verstreken.
5.2.4.
Dat geldt zowel voor een eerste beroep als voor een herhaald beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag. Is op het moment van de uitspraak van de bestuursrechter die termijn al verstreken, dan hanteert de rechtbank een termijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden.
Neemt de rechtbank de bedenktermijn en wachttijd mee in de nadere beslistermijn?
5.3.
De dienst verzoekt de rechtbank om bij het bepalen van de nadere beslistermijn twee periodes niet mee te tellen. Daarbij gaat het allereerst om de bedenktijd die ouders krijgen als zij na het indienen van een aanvraag nog niet weten welke schaderoute, via de CWS en/of een alternatief traject [9] , zij willen kiezen. De dienst heeft tijdens de zitting toegelicht dat deze bedenktijd maximaal zes maanden bedraagt, tenzij ouders de keuze voor een schaderoute eerder hebben gemaakt. De tweede periode is de periode waarin hun aanvragen niet langer in de wachtrij staan of niet langer in behandeling zijn bij de CWS, omdat hun schadeclaim is opgenomen in een andere schaderoute of omdat ouders om een alternatieve schaderoute hebben verzocht.
5.3.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om als
algemene regelde hiervoor genoemde periodes van de bedenktijd en de wachttijd niet mee te tellen bij het bepalen van de nadere beslistermijn. Het niet meetellen van deze periodes brengt onduidelijkheid en verdere vertragingen met zich mee. De rechtbank weegt ook mee dat van de nadere beslistermijn juist een prikkel moet uitgaan om maatregelen te nemen om tot verbetering te komen en sneller besluiten op aanvragen te nemen, ook door alternatieve routes te blijven zoeken. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat aanvragers de dupe kunnen worden van hun bereidheid om een alternatieve route te proberen of te overwegen. [10]
5.3.2.
De rechtbank geeft de dienst wel mee dat hij in concrete gevallen in het verweerschrift kan vermelden wat de specifieke situatie van een ouder is en welke periode in zijn ogen uitgezonderd zou moeten worden. De rechtbank zal dan per zaak beoordelen of er bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die aanleiding geven om te bepalen dat de nadere beslistermijn in een bepaalde periode niet loopt of heeft gelopen. Als deze omstandigheden zich hebben voorgedaan meer dan een half jaar voor het einde van de termijn van 60 weken, zal de rechtbank deze omstandigheden niet snel als bijzonder aanmerken. Dit geldt met name voor de bedenktijd omdat de dienst in die beginperiode toch niet toekomt aan het inhoudelijk behandelen van een aanvraag. Ook ouders hebben de mogelijkheid om bijzondere omstandigheden naar voren te brengen waarom van de termijn afgeweken zou moeten worden.
Concrete toepassing in deze zaak
5.4.
Met betrekking tot de termijn die in dit beroep aan de dienst wordt gegeven, overweegt de rechtbank het volgende. Zoals onder 4 is overwogen, had de dienst uiterlijk
18 juni 2025 op de aanvraag van eiser moeten beslissen. De in 5.2.3 bedoelde beslistermijn van 60 weken eindigt daarom op 12 augustus 2026. De rechtbank ziet in dit individuele geval geen bijzondere omstandigheden, zodat de rechtbank de dienst daarom opdraagt om uiterlijk op 12 augustus 2026 een besluit op de aanvraag van eiser bekend te maken.
Welke dwangsom legt de rechtbank op aan de dienst?
6. In deze uitspraak stelt de rechtbank ook de lijn vast die zij zal volgen voor het vaststellen van de hoogte van de dwangsom bij eerste beroepen. Bij een gegrond beroep bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. [11] Hierover hebben de rechtbanken landelijk beleid vastgesteld. [12] In de regel wordt de dwangsom bepaald op € 100 per dag, met een maximum van € 15.000. Wanneer een sterke prikkel nodig is – bijvoorbeeld vanwege gebleken weigerachtigheid van het bestuursorgaan of vanwege het grote belang –, wordt de dwangsom bepaald op € 250 per dag, met een maximum van
€ 37.500. Het landelijk beleid biedt ruimte om in bijzondere gevallen af te wijken, bijvoorbeeld bij een zeer groot belang.
De vaste lijn van de rechtbank
6.1.
De rechtbank ziet bij eerste beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag voor aanvullende schadevergoeding via de CWS geen reden om de verhoogde dwangsom op te leggen. De rechtbank leest in de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 [13] geen toelichting waarom het nodig is om – als op het moment van de uitspraak op het beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn al 60 weken zijn verstreken – een sterkere prikkel aan de opdracht om een besluit te nemen verbonden moet worden, bestaande uit een dwangsom van € 250 per dag, met een maximum van € 37.500. De rechtbank legt daarom bij eerste beroepen in de regel een dwangsom op conform het landelijk beleid.
Concrete toepassing in deze zaak
6.2.
De rechtbank ziet in dit individuele geval geen bijzondere omstandigheden, die leiden tot een andere dwangsom. Zij legt daarom een dwangsom op van € 100 per dag waarmee de nadere beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
7. Eiser heeft verzocht om de al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast te stellen. De rechtbank komt niet toe aan beoordeling van dit verzoek van eiser, omdat de dienst bij besluit van 25 augustus 2025 al heeft beslist dat hij de maximale dwangsom van € 1.442 aan eiser is verschuldigd.
Kan de rechtbank bepalen dat de dienst het dossier aan eiser toezendt?
8. Eiser verzoekt de rechtbank om de dienst op te dragen zijn dossier aan hem toe te sturen.
8.1.
Dit verzoek gaat buiten de reikwijdte van het geding. Het beroep gaat namelijk over niet tijdig nemen van een besluit. Daartegen is beroep opengesteld en ook daadwerkelijk ingesteld. Het nog niet toezenden van het dossier aan eiser maakt geen deel uit van het niet tijdig nemen van het besluit. Gelet hierop kan de rechtbank niet bepalen dat de dienst het dossier aan eiser moet toezenden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de dienst de onder 5.4 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de dienst de onder 6.2 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de dienst het griffierecht aan eiser vergoeden. Daarbij krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 934, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en is verschenen op de zitting. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de dienst op om uiterlijk op 12 augustus 2026 alsnog een besluit op de aanvraag voor aanvullende schadevergoeding aan eiser bekend te maken;
  • bepaalt dat de dienst aan eiser een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee de dienst de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
  • bepaalt dat de dienst het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt de dienst tot betaling van € 934 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter,
mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg en mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechters, in aanwezigheid van mr. L. Beijerinck, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
De griffier is verhinderd te
tekenen
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Dit staat in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
4.Dit blijkt uit ABRvS 22, februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:724, r.o. 4.4. en paragraaf 6.1. van de Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen.
5.Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
6.ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.
7.Rechtbank Midden-Nederland 25 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3859.
8.Zie de in de vorige noot genoemde uitspraak.
9.Zoals bijvoorbeeld de schikkingsroute via de Stichting Gelijkwaardig Herstel.
10.Vergelijk rechtbank Overijssel 4 juli 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:4412.
11.Dit volgt uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
12.Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx#tabs.
13.ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301, onder 19.10.