Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1068

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
05/132161-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs poging doodslag en zware mishandeling met mes

Op 29 april 2025 ontstond een conflict tussen verdachte en het slachtoffer in hun woning te Ede, waarbij het slachtoffer een klaplong opliep. Verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag, zware mishandeling en poging zware mishandeling met een mes. De officier van justitie stelde dat verdachte met een mes had gestoken en/of gesneden, maar de rechtbank kon dit niet vaststellen op basis van de verklaringen en het ontbreken van objectief bewijs.

De verklaringen van verdachte en slachtoffer waren inconsistent en wisselend, en er ontbrak onafhankelijk bewijs over de precieze toedracht. Een letselinterpretatie liet meerdere mogelijke oorzaken van het letsel zien, waaronder een val op een mes of toebrenging door een derde. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk met een mes in de borst van het slachtoffer had gestoken.

De rechtbank overwoog ook dat het enkel pakken van een mes en het zich daarmee in een fysieke confrontatie begeven niet voldoende bewijs is voor het aannemen van opzet of voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel. Er waren onvoldoende betrouwbare gegevens over de omstandigheden die nodig zijn om een aanmerkelijke kans op zwaar letsel aan te nemen. De algemene gevaarzetting door het ter hand nemen van een mes rechtvaardigt geen veroordeling.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Tevens werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven en werd het slachtoffer niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot materiële schade en smartengeld.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging doodslag en zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/132161-25
Datum uitspraak : 13 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan [adres] .
Raadsvrouw: mr. E.K.A. van den Bos, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 april 2025 te Ede, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
meermalen, in ieder geval éénmaal, met een mes, althans een dergelijk scherp steek- en/of snijvoorwerp, met kracht in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 april 2025 te Ede, althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en/of een of meerdere steek- en/of snijwonden op en/of aan en/of in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] voornoemd, heeft toegebracht door:
- meermalen, in ieder geval éénmaal, met een mes, althans een dergelijk scherp steek- en/of snijvoorwerp, met kracht in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden, althans eenmaal en/of meermalen in de richting van voornoemd lichaamsdeel te steken
en/of snijdende bewegingen te maken;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 april 2025 te Ede, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, in ieder geval éénmaal, met een mes, althans een dergelijk scherp steek- en/of snijvoorwerp, met kracht in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek, waarvan 205 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
De verdediging heeft voor integrale vrijspraak gepleit.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Niet ter discussie staat dat verdachte en aangever [slachtoffer] op 29 april 2025 ruzie hebben gehad in hun woning in Ede. [slachtoffer] heeft daarbij letsel opgelopen in de vorm van een klaplong. Het dossier omvat meerdere verklaringen van zowel aangever als verdachte. De verklaringen van zowel aangever als verdachte lopen uiteen en zijn op wezenlijke punten wisselend en daardoor inconsistent, terwijl objectief steunbewijs (zoals onafhankelijke verklaringen van getuigen of technisch bewijs over de precieze toedracht) ontbreekt. De rechtbank kan op basis van de verklaringen van aangever en verdachte daarom niet vaststellen wat zich daadwerkelijk in de woning heeft afgespeeld en hoe het letsel bij [slachtoffer] is ontstaan. Een letselinterpretatie zou in sommige gevallen duidelijkheid over de toedracht van de verwonding kunnen verschaffen. In het dossier bevindt zich echter een letselinterpretatie waaruit blijkt dat het letsel zowel kan zijn ontstaan na een val op een mes (verklaring verdachte) als door toebrenging door een derde (verklaring aangever).
De rechtbank kan op basis van het voorgaande niet vaststellen dat verdachte met een mes in de borst van [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden. Anders dan door de officier van justitie is gesteld, is de rechtbank hiermee van oordeel dat verdachte van zowel het primair, subsidiair als meer subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. In alle drie de ten laste gelegde vormen heeft de officier van justitie namelijk opgenomen dat verdachte met een mes heeft gestoken en/of gesneden.
Dit betekent dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van al het tenlastegelegde.
De rechtbank overweegt ten overvloede als volgt.
Het pakken van een mes en/of vervolgens het duwen en/of vechten met het mes in zijn hand, wat volgens de officier van justitie zoals zij ter zitting naar voren heeft gebracht te bewijzen is, is niet aan verdachte tenlastegelegd.
Ook indien zou worden uitgegaan van de door de officier van justitie ter terechtzitting geschetste lezing, inhoudende dat verdachte op enig moment een mes heeft gepakt en zich vervolgens met dat mes in de hand in een fysieke confrontatie met aangever heeft begeven, kan op grond van de thans voorliggende bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat verdachte daarmee een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever in het leven heeft geroepen en die kans bewust heeft aanvaard.
Voor het aannemen van (voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel in de zin van poging tot zware mishandeling is vereist dat sprake is van een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke – dat wil zeggen reële en niet slechts theoretische – kans dat dergelijk letsel zal intreden en dat verdachte die kans willens en wetens op de koop toe heeft genomen. Of van een dergelijke aanmerkelijke kans sprake is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waaronder de wijze waarop het mes is vastgehouden en bewogen, de onderlinge afstand tussen partijen, hun lichaamshouding, de duur en intensiteit van de fysieke confrontatie, de ruimte waarin deze plaatsvond en de vraag of het mes (gericht) in de richting van vitale of anderszins kwetsbare delen van het lichaam is bewogen.
In het dossier bevinden zich onvoldoende betrouwbare en consistente gegevens over deze essentiële omstandigheden. De verklaringen van zowel aangever als verdachte lopen uiteen en zijn op wezenlijke punten wisselend, terwijl objectief steunbewijs over de precieze toedracht ontbreekt. Tegen deze achtergrond kan niet worden vastgesteld dat de gedragingen van verdachte, bestaande uit het zich met een mes in de hand begeven in een fysieke confrontatie met aangever, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel waren gericht dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard.
Dat verdachte, door in een conflictsituatie een mes ter hand te nemen en zich daarmee in een fysieke confrontatie te begeven, in algemene zin een gevaarzettende situatie heeft gecreëerd, is daarvoor onvoldoende. Een dergelijke algemene gevaarzetting rechtvaardigt op zichzelf nog niet de conclusie dat sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in de hiervoor bedoelde strafrechtelijke zin, laat staan dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Ook indien het openbaar ministerie deze lezing uitdrukkelijk ten laste zou hebben gelegd onder de kwalificatie poging zware mishandeling, zou de rechtbank daarom op basis van het thans voorliggende bewijsmateriaal niet tot een bewezenverklaring van (voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel zijn gekomen.
De ernst van het daadwerkelijk opgetreden letsel (klaplong) maakt dit niet anders, nu de vraag naar het opzet moet worden beantwoord aan de hand van de concrete gedragingen van verdachte ten tijde van het incident, en juist over die gedragingen onvoldoende betrouwbare informatie beschikbaar is.

4.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Bril (voorzitter), mr. A.P. Sno en mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2026.
Mr. A. bril is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.