Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1032

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/05/457615 / FA RK 25-3316
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:31 BWArt. 1:251 BWArt. 3 Haags KinderbeschermingsverdragArt. 5 Haags KinderbeschermingsverdragArt. 23 Haags Kinderbeschermingsverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezag en vaststelling begeleide omgangsregeling na echtscheiding met verblijfplaats Nederland

De rechtbank Gelderland behandelde een zaak over het gezag en de omgangsregeling van twee minderjarige kinderen, geboren binnen een in Marokko gesloten en erkend huwelijk. Na de echtscheiding in Marokko werd het eenhoofdig gezag aan de moeder toegekend, maar de rechtbank oordeelde dat deze beslissing in Nederland niet erkend kan worden omdat de Marokkaanse rechter niet bevoegd was, aangezien de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland was.

De rechtbank stelde vast dat de ouders na de scheiding gezamenlijk het gezag uitoefenen, maar wijzigde dit naar eenhoofdig gezag voor de moeder. Dit vanwege het gebrek aan betrokkenheid van de vader sinds de scheiding, de ernstige traumaklachten en gedragsproblemen van de kinderen, en het risico dat zij klem en verloren raken bij gezamenlijk gezag.

De omgangsregeling werd vastgesteld als begeleide omgang om de week gedurende één uur, onder begeleiding van een instantie als Tugra, met een voorwaarde dat de vader eerst met de hulpverleners van de kinderen in gesprek gaat. De regie over eventuele uitbreiding van de omgang ligt bij de begeleidende instantie. De moeder kreeg het eenhoofdig gezag en het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag en verklaring voor recht werd afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag voor de moeder en stelt een begeleide omgangsregeling voor de vader vast.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/457615 / FA RK 25-3316
Datum uitspraak: 13 februari 2026
beschikking gezag en zorgregeling
in de zaak van
[naam vader], hierna de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. I.B.N. Huisman te Arnhem,
tegen
[naam moeder], hierna de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. W.G. Kuster-van de Ven te Nijmegen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 13 oktober 2025 een eerdere beschikking gegeven. In deze beschikking is de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om een provisionele voorziening te treffen. De beslissing in de hoofdzaak is aangehouden.
1.2.
Daarna heeft de rechtbank nog ontvangen:
- het verweerschrift van de moeder met zelfstandige verzoeken, ontvangen op 12 januari 2026 .
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling van 16 januari 2026 zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. I.B.N. Huisman;
- de moeder, bijgestaan door mr. W.G. Kuster-van de Ven;
- een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

2.De verdere beoordeling

Waar gaat het over?
2.1.
De procedure gaat over de minderjarige kinderen:
  • [kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , en
  • [kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
De vader heeft de kinderen erkend.
2.2.
De rechtbank moet nog een beslissing nemen over de volgende verzoeken van de vader:
I.
primair:te bepalen dat de zorgregeling als volgt wordt vastgesteld:
  • de eerste maand: de kinderen verblijven iedere zondag bij de vader van 10.00 tot 17.00 uur;
  • de tweede maand: de kinderen verblijven iedere zaterdag en zondag bij de vader van 10.00 tot 17.00 uur;
  • de derde maand: de kinderen verblijven van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader;
  • vanaf de vierde maand: de kinderen verblijven een weekend in de veertien dagen bij de vader van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur;
II.
subsidiair:te bepalen dat de zorgregeling zoals vastgesteld in de Marokkaanse beschikking van [datum] dient te worden nagekomen door de moeder op straffe van een dwangsom van € 500 met een maximum van € 50.000 althans een dwangsom als de rechtbank juist acht, voor iedere dag of dagdeel dat de moeder daarmee na betekening van de beschikking in gebreke zou blijven;
III.
primair:voor recht te verklaren dat partijen gezamenlijk met het gezag zijn belast over de kinderen die tijdens het huwelijk zijn geboren, dan wel te bepalen dat partijen gezamenlijk met het gezag zijn belast op grond van het huwelijk dat is gesloten in [huwelijksjaar] in Marokko;
IV.
subsidiair:te bepalen dat partijen gezamenlijk belast worden met het ouderlijk gezag.
2.3.
De moeder voert verweer en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vader af te wijzen. Zij verzoekt zelfstandig:
I. voor zover nodig de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen;
II. voor zover nodig de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen;
althans een beslissing te nemen zoals de rechtbank juist acht.
Het gezag
2.4.
De vader verzoekt primair voor recht te verklaren dat de ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over de kinderen. Subsidiair verzoekt hij te bepalen dat de ouders gezamenlijk belast worden met het ouderlijk gezag. De moeder wil het eenhoofdig gezag over de kinderen houden dan wel krijgen.
2.5.
De ouders zijn met elkaar getrouwd in Marokko. Zij hebben hun huwelijk niet in Nederland ingeschreven. De rechtbank in Marokko heeft op [datum] de echtscheiding uitgesproken.
2.6.
De rechtbank moet eerst beoordelen of er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. De rechtbank stelt voorop dat Marokko geen lidstaat is van het Verdrag inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken. De rechtbank zal daarom beoordelen of het huwelijk in Nederland erkend kan worden op grond van artikel 10:31 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van het eerste lid van dit artikel is het uitgangspunt dat een buiten Nederland gesloten huwelijk in Nederland wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden. Het vierde lid van artikel 10:31 BW Pro bevat een vermoeden van rechtsgeldigheid. Een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn indien een verklaring hierover is afgegeven door een bevoegde autoriteit. Het is niet in geschil dat sprake is van een rechtsgeldig huwelijk.
2.7.
De rechtbank stelt vast dat de kinderen zijn geboren binnen een rechtsgeldig huwelijk dat in Nederland kan worden erkend. Dat betekent dat de ouders gelet op het bepaalde in artikel 1:251, eerste lid, BW, door hun huwelijk gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Op grond van artikel 1:251 van Pro het Burgerlijk Wetboek blijven de ouders na de scheiding gezamenlijk het gezag uitoefenen.
De gezagsbeslissing van de Marokkaanse rechter
2.8.
In de Marokkaanse echtscheidingsbeschikking is het eenhoofdig gezag aan de moeder toegekend (in de vertaling van de echtscheidingsbeschikking vermeld als voogdij).
2.9.
De rechtbank moet beoordelen of de in de Marokkaanse echtscheidingsbeschikking gegeven gezagsbeslissing in Nederland kan worden erkend. Artikel 10:31 BW Pro heeft slechts betrekking op (de erkenning van) de ontbinding van het huwelijk en niet op de getroffen nevenvoorzieningen, waaronder de voorziening in het gezag over een minderjarige.
2.10.
Marokko en Nederland zijn beide partij bij het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen van
19 oktober 1996 (Haags Kinderbeschermingsverdrag). Op 1 december 2002 is dit verdrag voor Marokko in werking getreden. Gezien artikel 3, aanhef en onder b. van het Haags Kinderbeschermingsverdrag is dat verdrag ook van toepassing op maatregelen over het gezag.
2.11.
Ingevolge artikel 23 lid 1 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag worden door de autoriteiten van een verdragsluitende staat genomen maatregelen van rechtswege in alle andere verdragsluitende staten erkend. Erkenning kan op grond van lid 2 van dit artikel echter worden geweigerd indien de maatregel is genomen door een autoriteit wiens bevoegdheid niet was gebaseerd op een van de in hoofdstuk II bedoelde gronden. Het van hoofdstuk II deel uitmakende artikel 5 lid 1 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag bepaalt dat de rechterlijke en administratieve autoriteiten van de verdragsluitende staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd zijn de in artikel 3 bedoelde Pro maatregelen te nemen.
2.12.
Zowel de ouders als de kinderen hadden op het moment van de scheiding hun gewone verblijfplaats in Nederland; dat is ook niet in geschil. Dit betekent dat de Marokkaanse rechter niet bevoegd was om beslissingen over de kinderen te nemen. Dat betekent dat de beslissing dat de moeder de voogdij krijgt over de kinderen, in Nederland niet erkend wordt. De ouders hebben dus na de scheiding gezamenlijk het gezag gehouden.
Wijziging gezag
2.13.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders na de echtscheiding gezamenlijk belast zijn gebleven met het gezag. De rechtbank komt nu toe aan de beoordeling van het verzoek van de moeder om dit te wijzigen naar eenhoofdig gezag. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen en uitleggen waarom.
2.14.
Het uitgangspunt is dat beide ouders de belangrijke beslissing nemen in het leven van hun kind, ook als zij geen relatie meer met elkaar hebben. Dat kan anders zijn als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind bij gezamenlijk gezag klem en verloren raakt tussen ouders of een wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.15.
Sinds het verbreken van de relatie in 2023 heeft de vader nauwelijks contact gehad met de moeder en de kinderen en heeft hij weinig betrokkenheid getoond. De vader heeft daardoor weinig inzicht in wat de kinderen nodig hebben en in welke beslissingen er in hun belang genomen moeten worden. Er is veel hulpverlening betrokken rondom de kinderen. Vooral over [kind 2] zijn de zorgen groot. Uit het verslag van Praktijk A+ blijkt dat [kind 2] ernstige traumaklachten heeft ontwikkeld als gevolg van de gebeurtenissen in de thuissituatie voor en tijdens de scheiding. [kind 2] laat intense en ongereguleerde driftbuiten zien, heeft agressieve ontladingen wanneer hij zich afgewezen voelt, er is sprake van verhoogde waakzaamheid en hij is snel getriggerd bij spanning en laat zich moeilijk troosten of reguleren door volwassenen. Door zijn gedragsproblemen heeft hij veel onderwijs gemist als gevolg van verwijderingen en schorsingen. Sinds zijn overgang naar speciaal onderwijs en de inzet van 1-op-1 begeleiding gaat het gelukkig beter. Volgens Praktijk A+ is het gedrag van [kind 2] kenmerkend voor kinderen die langdurig in een onvoorspelbare of onveilige situatie hebben geleefd. Ook over [kind 1] zijn zorgen. Hij heeft angst om in slaap te vallen, verlatingsangst, verhoogde spanning bij veranderingen of conflicten en hij ontregelt ’s nachts.
2.16.
De moeder stelt dat er tijdens de relatie sprake was van dwingende controle en huiselijk geweld. De vader ontkent dit stellig. Volgens hem is er niets gebeurd. Hij wijst op de mogelijkheid dat de klachten van de kinderen komen door gedrag van de zus van moeder. De rechtbank is van oordeel dat uit de verslagen van de hulpverlening duidelijk blijkt dat het trauma gerelateerde gedrag van de kinderen wordt gekoppeld aan de spanningsvolle ervaringen die de kinderen hebben opgedaan tijdens de relatie van hun ouders. De vader geeft hier geen enkele erkenning voor, wat de rechtbank niet het vertrouwen geeft dat hij ziet wat de kinderen nodig hebben, hierover constructief overleg kan voeren met de moeder en hij onverwijld toestemming zal geven. Dit terwijl het dus wel de verwachting is dat regelmatig gezagsbeslissingen genomen moeten worden, omdat de kinderen hulp nodig hebben voor de zorgen die er over hen zijn. De rechtbank vreest dan ook dat de kinderen bij gezamenlijk gezag klem en verloren raken tussen de ouders en dat is niet in het belang van deze kwetsbare kinderen.
Omdat de moeder met het eenhoofdige gezag zal worden belast, heeft zij geen belang meer bij haar verzoek om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. Dat zal dus worden afgewezen.
Geen verklaring voor recht
2.17.
De vader heeft verzocht om middels een verklaring voor recht vast te stellen dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over de kinderen. Een verklaring voor recht moet strekken tot het op bindende wijze vaststellen van het bestaan of het preciseren van een rechtsverhouding. Volgens vaste jurisprudentie moet voor het uitspreken van een verklaring voor recht voldoende belang zijn.
2.18.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader af. De vader heeft geen belang meer bij dit verzoek, omdat de rechtbank het gezamenlijk gezag dat is ontstaan door het huwelijk wijzigt naar eenhoofdig gezag. De vader heeft geen belang (gesteld) bij een verklaring voor recht dat hij belast is geweest met het ouderlijk gezag.
De omgangsregeling
2.19.
Voor de omgangsregeling geldt, net als voor de beslissing over het gezag, dat de Marokkaanse rechter niet bevoegd was om hier een beslissing over te nemen omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland was. Partijen zijn het daar ook over eens. De rechtbank zal daarom een regeling vaststellen.
2.20.
De rechtbank volgt het advies van de Raad en bepaalt dat:
  • er om de week omgang is tussen de kinderen en de vader gedurende één uur, onder begeleiding van Tugra (of een soortgelijke instantie);
  • dat
  • dat in overleg met de hulpverlener(s) van de kinderen en Tugra (of een soortgelijke instantie) een startmoment wordt gekozen;
  • de regie over de eventuele uitbreiding in duur, vorm of frequentie bij de begeleidende instantie ligt.
De rechtbank zal deze beslissing uitleggen.
2.21.
De moeder beroept zich op het Verdrag van Istanbul. Dit verdrag (voluit het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld), is op 1 maart 2016 voor Nederland in werking getreden. Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om intra familiaal geweld te voorkomen en te bestrijden. Verdragspartijen moeten wetgevende of andere maatregelen nemen om te waarborgen dat bij de omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag (artikel 31 van Pro het Verdrag van Istanbul). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft duidelijke richtlijnen gegeven voor situaties van huiselijk geweld en drie noodzakelijke stappen voorgeschreven: onmiddellijke actie, adequate inschatting van de risico’s (ook voor de kinderen) en het op basis van die inschatting nemen van adequate en proportionele maatregelen.
2.22.
In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet genoemd dat huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel moet doen. De veiligheid van de kinderen zal centraal moeten staan bij de vraag welke regeling in het belang van de kinderen is.
2.23.
Vast staat dat de kinderen forse trauma gerelateerde gedragsproblemen laten zien. Bij [kind 2] uit dit zich in agressie en woede, terwijl het bij [kind 1] naar binnen keert en hij last heeft van (verlatings)angst. Door de hulpverlening wordt dit gedrag gekoppeld aan de afwezig en onvoorspelbare rol die de vader heeft. Na een lange periode van intensieve hulp en ondersteuning, gaat het nu wat beter met de kinderen en ontstaat er meer rust. De hulpverlening adviseert om alleen te starten met begeleide omgang als de vader dit kan nakomen en het contact pas uit te breiden als de kinderen aantoonbaar stabiel blijven.
De vader heeft verder sinds de scheiding geen stabiele plek in het leven van de kinderen kunnen innemen. De moeder stelt dat zij zich hiervoor heeft ingespannen en dat zij steeds heeft aangedrongen op een duidelijke en structurele regeling, maar dat de vader hierin niet heeft willen of kunnen voorzien. Zij onderbouwt dit met correspondentie tussen de advocaten en tussen de ouders.
2.24.
Er zijn dus signalen dat de kinderen onveiligheid hebben ervaren in het contact met hun vader en het ontbreken hiervan na de scheiding. Daar komt bij dat de vader onvoorspelbaar is geweest in het contact; er zijn dus risico’s verbonden aan het opstarten van het contact. Gelet op deze problematiek (van de kinderen), acht de rechtbank het noodzakelijk dat het contact begeleid zal zijn en dat de vader eerst met de hulpverlener(s) van de kinderen in gesprek gaat over wat zij nodig hebben in het contact. Als de vader start met begeleide omgang, dan moet hij dat ook kunnen volhouden. Als de kinderen teleurgesteld worden, zal dit een terugval kunnen betekenen in hun gedrag. Als het begeleide contact goed verloopt en de vader houdt zich aan de gemaakte afspraken dan kan onder regie van de hulpverlening en de begeleidende instantie de omgang worden uitgebreid in vorm en omvang.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders en bepaalt dat de moeder voortaan alleen het gezag uitoefent over:
  • [kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , en
  • [kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
3.2.
stelt de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vast als volgt:
  • er is om de week omgang tussen de kinderen en de vader gedurende één uur, onder begeleiding van Tugra (of een soortgelijke instantie);
  • vóór de start van de begeleide omgang moet de vader in gesprek met de betrokken hulpverlener(s) van de kinderen om geïnformeerd te worden over wat de kinderen nodig hebben in het contact;
  • in overleg met de hulpverlener(s) van de kinderen en Tugra (of een soortgelijke instantie) een wordt moment wordt gekozen om te starten met de begeleide omgang;
  • de regie over de eventuele uitbreiding in duur, vorm of frequentie ligt bij de begeleidende instantie;
3.3.
verklaart onderdeel 3.1 en 3.2 uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.H. Bovy, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Cox-Weber als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2025.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.