ECLI:NL:RBGEL:2026:1023

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
26/196
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijstand wegens kennelijk ongegrond

Verzoeker en zijn partner hebben een aanvraag voor bijstand ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal. Het college heeft aanvullende gegevens opgevraagd, waaronder bankafschriften en aan- en verkoopbewijzen van negen auto's. Verzoeker heeft niet alle gevraagde gegevens volledig aangeleverd, waarna het college de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld.

Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek en stelde vast dat partijen het erover eens zijn dat het besluit rechtmatig is, omdat de aanvraag op goede gronden buiten behandeling is gesteld vanwege het ontbreken van bankafschriften.

Hoewel verzoeker in bezwaar alsnog de gevraagde stukken heeft aangeleverd en het college deze kan meenemen in de bezwaarprocedure, betekent dit niet dat het bestreden besluit onrechtmatig is. De voorzieningenrechter kan niet vooruitlopen op de uitkomst van de bezwaarprocedure en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af wegens kennelijke ongegrondheid.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot buiten behandeling stellen van de bijstandsaanvraag is afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/196

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. G.A.R. Wieleman),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college de aanvraag om bijstand niet verder te behandelen (buiten behandelen te stellen). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
2. Verzoeker heeft samen met zijn partner een aanvraag gedaan voor bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Het college heeft met brieven van 6 november 2025, 24 november 2025 en 11 december 2025 aanvullende gegevens opgevraagd.
2.1.
In de brief van 11 december 2025 heeft het college gevraagd om uiterlijk 19 december 2025 bankafschriften van verzoeker en aan- en verkoopbewijzen van negen auto’s aan te leveren. Verzoeker en zijn partner hebben op 18 december 2025 per e-mail een reactie gegeven over de auto’s.
2.2.
Het college heeft de aanvraag met het besluit van 30 december 2025 buiten behandeling gesteld. Verzoeker en zijn partner hebben de onder 2.1 benoemde gegevens niet volledig aangeleverd. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 december 2025 en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter weegt bij zijn beoordeling of hij een voorlopige voorziening zal treffen mee of het bestreden besluit (naar voorlopig oordeel) rechtmatig is. De rechtmatigheid beoordeelt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bestreden besluit rechtmatig is. Verzoeker heeft in zijn aanvullende gronden van bezwaar aangegeven dat niet anders kan worden geconcludeerd dan dat de aanvraag op goede gronden buiten behandeling is gesteld vanwege het ontbreken van enkele bankafschriften.
3.2.
Verzoeker heeft in bezwaar alsnog de gevraagde bankafschriften aangeleverd en een aanvullende verklaring gegeven over de negen auto’s. Hij stelt op basis hiervan dat het college in bezwaar alsnog het recht op bijstand kan vaststellen. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat het college in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar de overgelegde stukken kan meenemen in de besluitvorming. Dit kan ertoe leiden dat het college in de beslissing op bezwaar alsnog inhoudelijk beslist op de aanvraag, maar in dit geval betekent dat niet dat daarom het bestreden besluit onrechtmatig is. In dit geval kan en wil de voorzieningenrechter niet vooruitlopen op de mogelijke uitkomst van de bezwaarprocedure.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.