Deze uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 7 november 2025 waarbij aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning is verleend voor gevel- en dakrenovatie van huurwoningen aan een locatie in een plaats. Verzoekers, eigenaren van aangrenzende woningen, zijn het niet eens met dit besluit en hebben bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dit vereist, bijvoorbeeld bij dreiging van onomkeerbare situaties. Kort voor de zitting heeft de vergunninghouder toegezegd de werkzaamheden uit te stellen tot na de beslissing op bezwaar, hetgeen tijdens de zitting is bevestigd. Hierdoor ontbreekt het spoedeisend belang.
Daarnaast is gebleken dat er weinig overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden, wat heeft geleid tot miscommunicatie en frustraties. De voorzieningenrechter dringt er bij partijen op aan om alsnog overleg te voeren.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.