Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1013

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
12022027
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 lid 2 BWArt. 7:653 lid 3 BWArt. 7:663 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing concurrentiebeding na overgang onderneming en opzegging arbeidsovereenkomst

Eiser was sinds augustus 2022 in dienst bij De Fonteyn in een commerciële functie met een concurrentiebeding. Na mededeling van overdracht van een deel van de onderneming aan Lugarde en zijn opzegging in oktober 2025, wilde eiser in dienst treden bij Roemra, een producent van tuinhuizen. De Fonteyn stelde dat het concurrentiebeding handhaafbaar was vanwege bescherming van bedrijfsbelangen.

De kantonrechter oordeelde dat het concurrentiebeding formeel geldig was, maar dat het belang van De Fonteyn onvoldoende was onderbouwd, mede omdat het commerciële gedeelte was overgegaan naar Lugarde en eiser bij De Fonteyn geen verkoopactiviteiten meer verrichtte. Ook was onvoldoende aangetoond dat eiser strategische informatie zou misbruiken.

Daarom werd het concurrentiebeding geschorst, zodat eiser bij Roemra mocht werken totdat in een bodemprocedure definitief over het beding is beslist. De Fonteyn werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het concurrentiebeding wordt geschorst zodat eiser bij Roemra mag werken totdat definitief in een bodemprocedure is beslist.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 12022027 \ VV EXPL 25-84
Vonnis in kort geding van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J. Peute,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE FONTEYN B.V.,
te Uddel,
gedaagde partij,
hierna te noemen: De Fonteyn,
gemachtigde: mr. M.F.M. Groot Kormelink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 30 december 2025 met producties 1 tot en met 13.
1.2.
Op 7 januari 2026 vond de mondelinge plaats in het gerechtsgebouw van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen. [eiser] verscheen met zijn gemachtigde mr. Peute. Namens De Fonteyn verscheen de heer [naam 1] (algemeen manager) en gemachtigde mr. Groot Kormelink. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, spreekaantekeningen overgelegd en door de griffier zijn aantekeningen gemaakt.
1.3.
Tot slot is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] was sinds 15 augustus 2022 in dienst bij De Fonteyn in een commerciële functie op de afdeling tuinhuizen. Op 10 oktober 2025 heeft [eiser] zijn arbeidsovereenkomst opgezegd, omdat een deel van de onderneming zou worden overgedragen. [eiser] wil nu in dienst treden bij een producent van onder meer tuinhuizen en vordert in deze procedure daarom primair schorsing van het concurrentiebeding. Subsidiair vordert [eiser] een vergoeding voor de duur dat het concurrentiebeding geldt. Tot slot vordert [eiser] proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. De Fonteyn voert gemotiveerd verweer. De (primaire) vorderingen van [eiser] zullen worden toegewezen en hierna wordt uitgelegd waarom.

3.De relevante feiten

3.1.
[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is op 15 augustus 2022 bij De Fonteyn in dienst getreden in een commerciële functie op de afdeling tuinhuizen op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar. De arbeidsovereenkomst is schriftelijk verlengd tot 1 september 2024 en is vervolgens stilzwijgend verlengd. De arbeidsomvang bedroeg 40 uren per week tegen een, volgens de laatste schriftelijke arbeidsovereenkomst, netto basissalaris van € 2.120,00 per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.
3.2.
In de schriftelijk overeengekomen arbeidsovereenkomsten van [eiser] is in artikel 6 een Pro concurrentiebeding opgenomen. Het artikel bepaalt – voor zover relevant – het volgende:

De werknemer zal binnen de termijn van 12 maanden niet in dezelfde branche (spa baden, tuinhuizen, veranda’s, sauna’s, zwembaden, tuinmeubelen, buitenkeukens) gaan werken en geen zaken doen met klanten, concurrenten of leveranciers van werkgever binnen een straal
van 200 kilometer. In dienst van de werkgever leert de werknemer over de werkwijze, leveranciers, klanten, unieke producteigenschappen, de methode van verkoop en marketing, die speciaal door werkgever zijn ontwikkeld en samengesteld. Als de mix en timing van deze methoden bij concurrentie komt is dit een economische bedreiging voor werkgever. Bij overtreding zal werknemer door werkgever een boete opgelegd worden van 10.000 Euro.”
3.3.
In oktober 2025 heeft De Fonteyn medegedeeld dat de bepaalde activiteiten van de afdeling tuinhuizen zouden worden overgedragen aan Lugarde B.V. (hierna: Lugarde). [eiser] heeft te kennen gegeven dat hij niet wilde overgaan naar Lugarde. Op
8 oktober 2025 heeft Lugarde per e-mail – voor zover relevant het volgende – ter ondertekening aan [eiser] gestuurd:

Hierbij verklaar ik, [eiser] dat ik niet wens mee te gaan in de overgang van onderneming van De Fonteyn B.V. naar Lugarde B.V., per datum van de overgang, naar het nu uitziet 10 oktober 2025.
Ik ben door mijn huidige werkgever geïnformeerd over de gevolgen van deze beslissing, heb ik mij over deze beslissing juridisch laten informeren en begrijp dat mijn arbeidsovereenkomst met De Fonteyn B.V. hierdoor in principe eindigt per de datum van de overgang, conform artikel 7:663 BW Pro.”
3.4.
Op 8 oktober 2025 heeft [eiser] zijn arbeidsovereenkomst met De Fonteyn schriftelijk opgezegd per 10 oktober 2025.
3.5.
[eiser] heeft met Roemra Buitenleven B.V. (hierna: Roemra) gesprekken gevoerd over het aangaan van een arbeidsovereenkomst. Roemra is – kort gezegd – producent van tuinhuizen en overkappingen.
3.6.
Op enig moment heeft Roemra op haar website geplaatst dat [eiser] daar in dienst is getreden. Op 19 november 2025 heeft De Fonteyn [eiser] en Roemra per e-mail gewezen op het concurrentiebeding en [eiser] gesommeerd de arbeidsovereenkomst met Roemra te beëindigen en beëindigd te houden.
3.7.
Op 27 november 2025 heeft Roemra per e-mail – voor zover relevant – het volgende aan De Fonteyn gestuurd:

Wij hebben de heer [eiser] een arbeidsovereenkomst aangeboden met een voorgestelde
ingangsdatum van 1 december 2025. Over dit voorstel waren wij nog in onderhandeling, omdat de heer [eiser] eerst juridisch wilde laten uitzoeken wat de precieze impact en reikwijdte was van het concurrentiebeding bij zijn (vorige) werkgever voordat hij een nieuwe verbintenis met ons aanging. Er was derhalve op geen enkel moment sprake van een definitieve of ondertekende overeenkomst.
Dat de heer [eiser] reeds op onze website vermeld stond, berustte op een interne miscommunicatie tussen ons team en de websitebouwer.”

4.De beoordeling

[eiser] heeft een spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij per direct in dienst kan treden bij Roemra en heeft hiertoe een concept arbeidsovereenkomst overgelegd. Het is voor [eiser] van belang om te weten of het met De Fonteyn overeengekomen concurrentiebeding van kracht is en daarmee is het spoedeisend belang van de vordering gegeven.
Het concurrentiebeding voldoet aan de formele vereisten
4.2.
Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat tussen hen inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestond, zijn partijen het concurrentiebeding aanvankelijk overeengekomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Daarom moet allereerst worden bezien of is voldaan aan de formele vereisten voor de geldigheid van dat beding. Uit artikel 7:653 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) volgt dat een concurrentiebeding schriftelijk overeen moet worden gekomen met een meerderjarige werknemer. Tevens moet uit de schriftelijke motivering van het beding blijken dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen.
4.3.
In dat verband voert [eiser] allereerst aan dat het concurrentiebeding nietig is, omdat het slechts in de eerste twee arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd schriftelijk is overeengekomen en niet bij de stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter overweegt dat bij voortzetting van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd het eerder overeengekomen concurrentiebeding in beginsel zijn geldigheid behoudt. [1] [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het voorgaande anders maken. Dat betekent dat voorshands aannemelijk is dat het concurrentiebeding schriftelijk is overeengekomen.
4.4.
Ook stelt [eiser] dat De Fonteyn een deugdelijke motivering bij het concurrentiebeding achterwege heeft gelaten en het beding in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd derhalve nietig is. Dit betoog faalt. De Fonteyn heeft namelijk schriftelijk gemotiveerd waarom zij het concurrentiebeding noodzakelijk acht (zie punt 3.2.). Dat maakt dat het beding hoe dan ook niet nietig is, maar mogelijk vernietigbaar. Die vernietigbaarheid volgt niet reeds uit het feit dat ook werknemers in hele andere functies dit concurrentiebeding in hun arbeidsovereenkomst hebben staan. Opgemerkt wordt verder dat bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geen motivering is vereist en een eventueel ontoereikende motivering van het beding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet meer tot vernietiging van het beding kan leiden indien inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.
4.5.
Kortom, voorshands moet worden aangenomen dat aan de formele vereisten voor het overeenkomen van het concurrentiebeding is voldaan.
Het concurrentiebeding zal worden geschorst
4.6.
Vervolgvraag is of het concurrentiebeding gelet op de wederzijdse belangen van [eiser] en De Fonteyn in stand moet blijven. Het concurrentiebeding treft een werknemer in een zwaarwegend belang omdat het de werknemer beperkt in de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud voorziet. Daartegenover staat het belang van de werkgever om diens bedrijfsbelangen te beschermen. In dit verband bepaalt artikel 7:653 lid 3 BW Pro dat de (bodem)rechter een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan vernietigen indien in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Gelet op het voorlopige karakter van de kort gedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op de feiten die erkend of onweersproken zijn of die voorshands aannemelijk zijn geworden.
4.7.
[eiser] stelt dat De Fonteyn geen belang meer heeft bij het concurrentiebeding, omdat het commerciële gedeelte van de afdeling tuinhuizen is overgegaan naar Lugarde en [eiser] bij De Fonteyn de functie van adviseur tuinhuizen bekleedde. Daarnaast stelt [eiser] dat hij zich bij De Fonteyn niet veel bezighield met inkoopprijzen en dat hij per direct in dienst kan treden bij Roemra.
4.8.
De Fonteyn voert aan dat indiensttreding van [eiser] bij Roemra schadelijk zou zijn omdat [eiser] strategische informatie van De Fonteyn zou kunnen inzetten bij Roemra. Met het concurrentiebeding beoogt De Fonteyn te voorkomen dat concurrenten profiteren van haar methoden en opgebouwde goodwill, alsmede dat klanten en leveranciers ‘weglekken’. Daarnaast voert De Fonteyn aan dat [eiser] niet eerlijk is geweest bij het opzeggen van zijn arbeidsovereenkomst. De Fonteyn was verrast, omdat [eiser] had aangegeven bij een schoonmaakbedrijf aan de slag te gaan, maar vervolgens op de website van Roemra verscheen. Verder voert De Fonteyn aan dat de overgang naar Lugarde niet afdoet aan het door het concurrentiebeding beschermde belang, nu dit belang verder strekt dan het vervreemde onderdeel van de onderneming. De commerciële verkoopaanpak binnen De Fonteyn vormt volgens haar het wezenlijke element, welke nog altijd onderdeel uitmaakt van de huidige verkoopstrategie, aldus De Fonteyn.
4.9.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat het voorshands aannemelijk is dat het concurrentiebeding in een bodemprocedure (tenminste gedeeltelijk) zal worden vernietigd. Daartoe is redengevend dat het commerciële gedeelte van de afdeling tuinhuizen is overgegaan naar Lugarde en [eiser] bij De Fonteyn de functie adviseur tuinhuizen bekleedde. In dat licht heeft De Fonteyn onvoldoende onderbouwd wat haar belang is bij het concurrentiebeding indien [eiser] in dienst zou treden bij Roemra. Hoewel De Fonteyn tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat Lugarde slechts ‘de handel’ van het gedeelte tuinhuizen heeft overgenomen en de verkoopactiviteiten bij De Fonteyn zijn gebleven, heeft zij dit, mede gelet op het e-mailbericht zoals bedoeld in punt 3.3., onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft bovendien aangevoerd dat hij bij de aangekondigde overgang naar Lugarde geen verkoopactiviteiten meer zou mogen verrichten, in elk geval wat betreft de tuinhuizen hetgeen door De Fonteyn is erkend, en daarom niet wenste over te gaan naar Lugarde. Het belang tot handhaving van het beding zou dan hoogstens bij Lugarde liggen, maar met deze partij is geen concurrentiebeding overeengekomen.
4.10.
Daarnaast heeft De Fonteyn niet concreet gemaakt hoe de bij De Fonteyn gehanteerde verkoopstrategie door [eiser] bij Roemra zou kunnen worden toegepast en hoe dit, in het verlengde daarvan, het bedrijfsdebiet van De Fonteyn zou aantasten. Daarbij wordt opgemerkt dat het enkele vergroten van kennis en ervaring als gevolg van feitelijke functievervulling in het algemeen geen te rechtvaardigen belang oplevert om indiensttreding bij een concurrent tegen te houden. Hetzelfde geldt voor de vraag of [eiser] al dan niet eerlijk is geweest bij het opzeggen van de arbeidsovereenkomst. Bovendien zijn er circa 50 werknemers in vergelijkbare functie als [eiser] werkzaam bij De Fonteyn. In dit verband heeft [eiser] voldoende gemotiveerd gesteld dat de doelgroep van De Fonteyn bestaat uit niet-terugkerende klanten, zodat klanten niet aan [eiser] als persoon verbonden zijn en derhalve niet om die reden naar Roemra zouden ‘weglekken’. Het had in dit verband op de weg van De Fonteyn gelegen om haar concrete belangen en specifieke kennis waarover [eiser] door zijn functie bij De Fonteyn beschikt, nader te onderbouwen en dat heeft zij niet gedaan. Gelet op het voorgaande is voorshands voldoende aannemelijk dat – voor zover De Fonteyn (naast Lugarde) al enig belang zou hebben bij handhaving van het beding – de (verdere) belangen van De Fonteyn door de overstap van [eiser] , gelet op zijn kennis en ervaring, niet zodanig worden geschaad dat de belangenafweging in het voordeel van De Fonteyn zou moeten uitvallen.
4.11.
Kortom, de belangen van [eiser] en De Fonteyn tegen elkaar afwegende wordt voorshands aannemelijk geacht dat de bodemrechter het concurrentiebeding op grond van
artikel 7:653 lid 3 onder Pro b BW gedeeltelijk zal vernietigen. De primaire vordering van [eiser] zal dan ook worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing, zodat niet wordt toegekomen aan de subsidiaire vordering.
Proceskosten en wettelijke rente
4.12.
De Fonteyn is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
848,54.
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.14.
De beslissing zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De kantonrechter,
rechtdoende als voorzieningenrechter,
5.1.
schorst het tussen partijen geldende concurrentiebeding zoals bedoeld in artikel 6 van Pro de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst, in die zin dat het [eiser] is toegestaan in dienst te treden bij Roemra, dan wel werkzaamheden voor Roemra te verrichten, met ingang van de datum van dit vonnis, tot onherroepelijk is beslist in een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid van dat beding,
5.2.
veroordeelt De Fonteyn in de proceskosten van € 848,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als De Fonteyn niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt De Fonteyn tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
SG

Voetnoten

1.Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 7 juni 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BR4368.