ECLI:NL:RBGEL:2025:9935

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
ARN 24/7506
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag omgevingsvergunning voor uitweg garage in achtertuin

In deze zaak heeft eiser een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een uitweg voor de garage in zijn achtertuin. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard heeft deze aanvraag afgewezen. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank Gelderland heeft de zaak op 3 oktober 2025 behandeld. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank legt uit dat de aanvraag niet voldoet aan de vereisten van de Algemene plaatselijke verordening (APV) en het Uitwegenbeleid van de gemeente Lingewaard. De rechtbank concludeert dat het college in redelijkheid kon besluiten tot afwijzing van de aanvraag. Eiser krijgt geen gelijk en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter G.A. van der Straaten, in aanwezigheid van griffier J. van Oosterhout.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7506

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: K. Huiskens),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard

(gemachtigde: mr. R. Pennekamp).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats].

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Op 3 april 2022 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een uitweg bij zijn woning aan de [locatie] te [plaats].
2.1.
Het college heeft deze aanvraag afgewezen. In de beslissing op bezwaar van 23 februari 2023 heeft het college het bezwaar van eiser gegrond verklaard, de weigering herroepen en alsnog een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van de uitweg.
2.2.
Hiertegen hebben omwonenden (de derde-partij) beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de uitspraak van 6 augustus 2024 [1] het besluit van 23 februari 2023 vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. In de nieuwe beslissing op bezwaar van 9 september 2024 is de aangevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 3 april 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Beoordelingskader
4. Op grond van artikel 2.2. eerste lid, onder e, van de Wabo is het verboden om een uitweg te maken zonder omgevingsvergunning als in een gemeentelijke verordening, zoals in dit geval de Algemene plaatselijke verordening gemeente Lingewaard 2022 (APV), is bepaald dat daarvoor een vergunning of ontheffing nodig is. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening. [2]
4.1.
In artikel 12, eerste lid, van de APV is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Uit artikel 2:12, tweede lid, van de APV volgt dat een vergunning slechts wordt geweigerd:
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; of
in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving.
4.2.
Bij de beoordeling of de in artikel 2:12, tweede lid, van de APV opgenomen weigeringsgronden zich voordoen, komt het college beoordelingsruimte toe. De toetsingscriteria zijn nader uitgewerkt in hoofdstuk 4 van het Uitwegenbeleid gemeente Lingewaard 2022 (Uitwegenbeleid). [3]
4.3.
Het college handelt overeenkomstig dit beleid, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. [4] Het college ziet in dit geval geen aanleiding om artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen en af te wijken van het Uitwegenbeleid. De rechtbank zal beoordelen of het college deze afweging op juiste wijze heeft gemaakt.
Achtergrond van deze procedure
4. In december 2020 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijgebouw (garage) in de achtertuin en het realiseren van een uitweg ten dienste van dat bijgebouw. Het college heeft bij besluit van 25 februari 2021 de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijgebouw verleend en de omgevingsvergunning voor het realiseren van de uitweg geweigerd. De door eiser aangewende rechtsmiddelen hebben niet tot een omgevingsvergunning voor het realiseren van een uitweg geleid.
4.1.
Op 3 april 2022 heeft eiser een hernieuwde aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van de uitweg. Eiser stelt dat op grond van het nieuwe Uitwegenbeleid [5] de aangevraagde omgevingsvergunning verleend moet worden. In het nu bestreden besluit van 9 september 2024 heeft het college de aanvraag afgewezen omdat de aangevraagde tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats [6] en niet voldoet aan de gestelde afmetingen [7] . In het kader van een algehele heroverweging heeft het college ook geoordeeld dat de uitweg niet passend is binnen de eenduidige ruimtelijke inrichting van de woonbuurt [8] . Het college is van mening dat er geen sprake is van een situatie waarbij het handelen overeenkomstig het Uitwegenbeleid gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het Uitwegenbeleid te dienen doelen.
Is er sprake van een tweede uitweg?
5. Eiser voert aan dat hij het er niet mee eens is dat hij aan de achterzijde van zijn perceel geen uitweg kan krijgen omdat het pad in zijn voortuin als eerste uitweg wordt aangemerkt. Eiser stelt dat het niet redelijk is om de voortuin als uitweg aan te merken. Hoewel het aanmerken van het wandelpad als uitweg aansluit bij de begripsbepaling van het Uitwegenbeleid, wordt daarbij voorbijgegaan aan het feit dat dit de realisatie van een uitweg voor gebruik met een auto vrijwel onmogelijk maakt. Het in gebruik nemen van de voortuin ten behoeve van het parkeren van een auto is uit ruimtelijke overwegingen niet wenselijk en bovendien een praktische onmogelijkheid. Eiser ziet hierin een bijzondere omstandigheid waarbij directe toepassing van het beleid onevenredig zou zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het aanmerken van het pad in de voortuin als uitweg aansluit bij de begripsbepaling van het Uitwegenbeleid: “Ook een smalle uitgang van het perceel via een tuinpoort, een voetpad of een opening in de afrastering of haag van het perceel valt onder dit begrip.” Er is daarnaast geen sprake van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college zou moeten afwijken van deze beleidsregel. De bijzondere omstandigheid die eiser aanvoert, namelijk dat een voetpad niet geschikt is om een auto te laten parkeren, betreft een situatie waarmee in het Uitwegenbeleid al rekening is gehouden.
5.2.
In het Uitwegenbeleid is vervolgens bepaald dat een tweede uitweg wordt geweigerd indien deze ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. Dit geldt, gelet op de begripsomschrijving in het Uitwegenbeleid, ook voor de situatie die hier aan de orde is. Het staat namelijk vast dat een parkeerplaats zal verdwijnen als de uitweg wordt vergund. Dat, zoals eiser stelt, hij dan zijn eigen auto op eigen terrein in zijn garage kan parkeren doet daar niet aan af. Op de vraag of die stelling reden is om van het beleid af te wijken gaat de rechtbank hierna nog in. Het voorgaande betekent dat de aanvraag niet voldoet aan artikel 2:12, tweede lid, onder d, van de APV.
Ruimtelijke belevingswaarde
6. Eiser stelt verder dat ingebruikname van de garage niet afdoet aan de ruimtelijke indeling van de wijk. Volgens eiser leidt het verdwijnen van de openbare parkeerplaats niet tot een breuk met ‘de heldere opzet’. De vergunde afmeting in het besluit voorafgaand aan de uitspraak van de rechtbank maakte dat het groen op geen enkele wijze hoeft te worden aangepast; wellicht is enkel een markering noodzakelijk om te voorkomen dat voor de garagedeur wordt geparkeerd. In aanvulling op het bovenstaande stelt eiser dat sprake zou zijn van een bescherming van een fictieve eenduidigheid in de wijk, aangezien er in het verleden al meerdere uitwegen zijn gerealiseerd die over voormalige openbare parkeerplaatsen lopen.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het realiseren van een uitweg op de plek van een openbare parkeerplaats de ruimtelijke inrichting zou aantasten. De uitweg is volgens het college niet passend binnen de eenduidige ruimtelijke inrichting van de woonbuurt; bij ruimtelijke ontwikkelingen mag de planmatige opzet niet worden aangetast. [9] Het college stelt dat de uitweg tot gevolg heeft dat er een “gat” of “uitwegsituatie” ontstaat in de huidige opzet van aaneengesloten haakse parkeerplaatsen, die aan weerszijden worden begrensd door groen. Dat er in de woonwijk op sommige locaties al een uitwegsituatie is gerealiseerd ten koste van een parkeerplek, betekent niet dat het college daarom niet meer kan vasthouden aan deze opzet of dat er geen sprake meer is van een eenduidige ruimtelijke inrichting. Daarbij heeft het college toegelicht dat veel van deze uitwegen dateren uit een periode van voor aanscherping van de APV zodat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. Het voorgaande betekent dat de aanvraag niet voldoet aan artikel 2:12, tweede lid, onder e, van de APV.
Is er sprake van een bijzondere omstandigheid?
7. Eiser stelt dat in dit geval van het beleid kan worden afgeweken omdat zonder problemen een parkeerplaats kan worden opgeheven gelet op de hoeveelheid beschikbare parkeerplaatsen, en omdat hij zijn garage niet zal kunnen gebruiken zonder uitweg.
Ten aanzien van de parkeerbehoeften in de wijk
7.1.
Eiser stelt dat de parkeerbehoefte in de wijk onjuist is afgewogen. Het verlenen van de vergunning zou leiden tot het verdwijnen van een openbare parkeerplaats ten behoeve van een privéparkeerplaats. Volgens eiser blijkt echter niet dat dit zou leiden tot een materieel slechtere parkeersituatie. De krappe parkeerruimte in de wijk speelt vooral een rol in de avonduren. Eiser zou onder normale omstandigheden dan eveneens thuis zijn en een parkeerplaats in gebruik nemen. Dit betekent dat de daadwerkelijke gevolgen voor de beschikbaarheid van parkeerplaatsen gering zijn en dat er geen sprake is van een zwaarwegend belang. Bovendien blijkt volgens eiser niet dat het college een daadwerkelijk beeld heeft van de hoge parkeerdruk in de wijk.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Het Uitwegenbeleid ziet onder andere op het reguleren van de parkeerdruk; het college zal dus gewicht moeten toekennen aan de parkeerdruk in de omgeving, die door het verlenen van de vergunning iets zal toenemen. Het verdwijnen van een openbare parkeerplaats kan namelijk niet worden weggestreept tegen een privéparkeerplaats. Een openbare parkeerplaats kan door iedereen worden gebruikt, in tegenstelling tot een privéparkeerplaats die alleen door de eigenaar mag worden gebruikt. Publiekrechtelijk heeft eiser bovendien niet de plicht om een parkeerplek op zijn eigen perceel te realiseren. Hij kan daar dus ook niet aan worden gehouden wanneer de uitweg is gerealiseerd. Als eiser zijn woning verkoopt of verhuurt, kan dit ook niet van de volgende bewoner worden afgedwongen. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij een bijzonder belang heeft bij de parkeerplaats op eigen terrein, noch aangetoond dat sprake is van een structureel overschot aan openbare parkeerplaatsen in de wijk.
Ten aanzien van de omgevingsvergunning voor het bijgebouw
7.3.
Eiser stelt dat de in-/uitwegvergunning nodig is voor de uitvoering van de op 25 februari 2021 verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een bijgebouw (de garage) aan de achterzijde van het perceel. Om gebruik te kunnen maken van deze verleende vergunning is de in-/uitwegvergunning noodzakelijk. Dit creëert volgens eiser een praktisch belang, aangezien hij in de gelegenheid moet worden gesteld om van zijn verkregen vergunning gebruik te kunnen maken.
7.4.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat voor het verlenen van de in-/uitwegvergunning moet worden getoetst aan het kader van de APV en het Uitwegenbeleid. Eiser heeft dus geen recht op een in-/uitwegvergunning enkel omdat hij gebruik wil maken van zijn eerder verkregen omgevingsvergunning voor het realiseren van een garage. Bovendien is het niet zo dat eiser geen gebruik kan maken van zijn garage enkel omdat deze geen uitrit heeft.
7.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende deugdelijk gemotiveerd dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die maakt dat het handelen overeenkomstig het Uitwegenbeleid tot onevenredige gevolgen zou leiden in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college in redelijkheid kon besluiten tot afwijzing van de aanvraag. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. van Oosterhout , griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Procedure met zaaknummer 23/1930, ECLI:NL:RBGEL:2024:5201, niet gepubliceerd
2.Artikel 2.18 van de Wabo.
3.Uitwegenbeleid gemeente Lingewaard 2022 | Lokale wet- en regelgeving.
4.Artikel 4:84 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
5.Uitwegenbeleid gemeente Lingewaard 2022 | Lokale wet- en regelgeving.
6.Artikel 2:12, tweede lid, onder d, van de APV in samenhang met artikel 15 van het Uitwegenbeleid.
7.Artikel 2.12 tweede lid, onder e, van de APV in samenhang met artikel 16, onder c, van het Uitwegenbeleid.
8.Artikel 2.12 tweede lid, onder e, van de APV in samenhang met artikel 16, onder e, van het Uitwegenbeleid.
9.Het college heeft in het kader van een algehele heroverweging geoordeeld dat de aanvraag in strijd is met artikel 2.12, lid 2, onder e, van de APV, gelezen in samenhang met artikel 16, onder e, van het Uitwegenbeleid