ECLI:NL:RBGEL:2025:9611

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
C/05/453360 / FZ RK 25-1530
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om gecombineerde geslachtsnaam op basis van de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam

In deze zaak heeft de rechtbank Gelderland op 10 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek van een moeder om een gecombineerde geslachtsnaam voor haar kinderen. De moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. F.C. Hoogeveen, verzocht de rechtbank om het besluit van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente te vernietigen, die het verzoek om een gecombineerde geslachtsnaam had afgewezen. De reden voor de afwijzing was dat het oudste kind, geboren voor 1 januari 2016, niet onder de overgangsregeling van de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam (WIGG) valt. De rechtbank oordeelde dat de ambtenaar de wet correct had toegepast en dat de overgangsregeling niet in strijd was met fundamentele rechten. De moeder voerde aan dat de strikte toepassing van de wet in haar geval in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en het recht op identiteit, maar de rechtbank oordeelde dat de wetgever een redelijke grens had gesteld. De rechtbank concludeerde dat er geen wettelijke grondslag was voor het toewijzen van het verzoek en wees de verzoeken van de moeder af. De uitspraak benadrukt de noodzaak van duidelijke wetgeving en de rol van de wetgever in het reguleren van familienaamkeuzes.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/453360 / FZ RK 25-1530
Datum uitspraak: 10 november 2025
beschikking op een verzoek om een gecombineerde geslachtsnaam
in de zaak van
[naam moeder](de moeder),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. F.C. Hoogeveen te Rotterdam,
tegen
de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de [gemeente] ,
hierna te noemen: de ambtenaar.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[naam vader](de vader),
wonende te [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het pro forma beroepschrift van 7 februari 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 10 februari 2025;
- de brief van mr. Hoogeveen van 3 april 2025 met een uitstelverzoek;
- de aanvullende gronden van het beroep van 1 mei 2025 met producties 1 tot en met 10;
- de brief van mr. Hoogeveen van 2 mei 2025 met als bijlagen de geboorteakten;
- de brief van mr. Hoogeveen van 1 juli 2025;
- het F9-formulier van mr. Hoogeveen van 3 juli 2025.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 13 oktober 2025 zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader,
- twee ambtenaren van de burgerlijke stand van de [gemeente] .
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met zaaknummer C/05/449214 FA RK 25-1010. In die zaak waren ook drie ambtenaren van de burgerlijke stand van de [gemeente 2] aanwezig.
1.3.
De (kinder)rechter heeft voorafgaand aan de zitting gesproken met de [minderjarige 1] . Zij heeft haar mening naar voren gebracht en heeft daarnaast een brief met haar mening aan de (kinder)rechter gegeven.

2.De feiten

2.1.
Uit de relatie tussen de ouders zijn geboren de minderjarige kinderen:
  • [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ,
  • [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ,
  • [naam minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ,
  • [naam minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
  • [naam minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] .
2.2.
De vader heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] erkend. [minderjarige 4] en [minderjarige 5] zijn niet door de vader erkend. De moeder heeft alleen het gezag over de kinderen.
2.3.
De ouders hebben de ambtenaar op
29 december 2024verzocht om de achternaam van de kinderen aan te passen naar een dubbele (gecombineerde) achternaam. De ambtenaar heeft bij
besluit van 30 december 2024het verzoek voor de drie erkende kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] afgewezen. De ambtenaar heeft de andere twee kinderen, omdat zij niet erkend zijn, niet bij het besluit betrokken.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder is tegen het besluit van de ambtenaar in beroep gekomen op de voet van artikel 1:27 Burgerlijk Wetboek (BW). Zij verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het beroep gegrond te verklaren;
II. het besluit van 29 januari 2025 (de rechtbank begrijpt: 30 december 2024) van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] te vernietigen;
III. de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] ex artikel 1:27
BW te gelasten om alsnog een akte van naamskeuze gecombineerde geslachtsnaam
op te maken voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
3.2.
De moeder wil dat de kinderen een gecombineerde geslachtsnaam krijgen zoals bedoeld in de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam. Zij erkent dat zij net buiten de overgangsregeling vallen, omdat [minderjarige 1] , de oudste dochter is geboren voor 1 januari 2016, maar vindt dat het strikt toepassen van de overgangsregeling in hun situatie in strijd is met onder meer het evenredigheidsbeginsel. Het besluit maakt volgens de moeder inbreuk op fundamentele rechten, waaronder het recht op identiteit, het recht op familie- en privéleven en het gelijkheidsbeginsel. De nadelige gevolgen voor het gezin staan niet in verhouding met het doel van de wet. Strikte toepassing van de wet heeft gevolgen die de wetgever niet heeft bedoeld. De moeder verwijst hierbij naar een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 september 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2945, r.o. 4.9.)
3.3.
De moeder heeft aangegeven dat zij en de vader bij de geboorte van de kinderen al wilden dat de kinderen een gecombineerde geslachtsnaam zouden krijgen. Dat was toen echter niet mogelijk. De moeder is hoofdverzorger van de kinderen en vindt het niet redelijk dat haar naam niet terugkomt in de geslachtsnaam van de kinderen. Om die reden heeft de vader de jongste kinderen van partijen niet erkend, zodat ook de achternaam van de moeder binnen het gezin wordt doorgegeven. De jongste kinderen ondervinden hier nadeel van. Hun recht op identiteit komt ook in het geding. De moeder heeft zich na de geboorte van [minderjarige 1] aangesloten bij een groep die actief was om een gecombineerde geslachtsnaam mogelijk te maken, onder meer door petities te overhandigen aan de Tweede Kamer. De moeder heeft zich ook actief ingezet om de regeling voor een gecombineerde geslachtsnaam met terugwerkende kracht toe te kunnen passen. De ouders en de kinderen hechten veel waarde aan een gecombineerde geslachtsnaam zodat er eenheid binnen het gezin is en de namen van beide ouders worden doorgegeven aan de kinderen. Er ontbreekt nu eenheid binnen het gezin en dat is in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Ook is volgens haar het besluit in strijd met de belangen van de kinderen en wordt het te dienen doel van de overgangsregeling in deze specifieke situatie juist gewaarborgd bij afwijking van de overgangsregeling. De kinderen gebruiken al een gecombineerde geslachtsnaam, bijvoorbeeld op school. Zij identificeren zich hier dus al mee.
3.4.
Verder heeft de moeder aangevoerd dat het risico op precedentwerking bij gegrondverklaring van het beroep klein is. De moeder verwijst hierbij naar de situatie in België waar uit onderzoek blijkt dat kinderen nauwelijks een dubbele achternaam van de ouders krijgen.

4.Het verweer

4.1.
De ambtenaar heeft ter zitting aangegeven dat hij bij het besluit de wet heeft gevolgd. De ambtenaar heeft geen ruimte om hiervan af te wijken. Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is naar zijn mening niet aan de orde.

5.De beoordeling

Bevoegdheid en ontvankelijkheid

5.1.
Een belanghebbende kan tegen een besluit van een ambtenaar die weigert een akte op te maken, een latere vermelding aan de akte toe te voegen of aan een verrichting mee te werken binnen
zes weken na de verzending van dat besluiteen verzoek indienen bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar de standplaats van de ambtenaar van de burgerlijke stand is gelegen. [1]
5.2.
Aangezien het gaat om een besluit van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] , is deze rechtbank bevoegd om kennis te nemen van het verzoek.
5.3.
Het besluit van de ambtenaar dateert van 30 december 2024. Het verzoek van de moeder dateert van 7 februari 2025 en is op 10 februari 2025 ontvangen bij de rechtbank. Dat is dus tijdig binnen zes weken ingediend. De moeder is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
De zaak gaat over de achternaam van de kinderen. De moeder (en ook de vader) wil dat de kinderen een gecombineerde achternaam krijgen in die zin dat zij [achternaam vader] [achternaam moeder] zullen heten en dus zowel de naam van de vader als die van de moeder gaan dragen. Bij de geboorte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] was nog in de wet geregeld dat ouders kunnen kiezen voor de achternaam van de vader of die van de moeder. [2] De ouders hebben destijds ervoor gekozen om [minderjarige 1] de achternaam van de vader te geven, te weten ‘ [achternaam vader] ’. Kinderen in het gezin die daarna worden geboren en die in dezelfde familierechtelijke betrekking staan, krijgen op grond van de wet dezelfde achternaam als het oudste kind, zodat er eenheid is binnen het gezin. Zodoende hebben [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ook de achternaam [achternaam vader] gekregen. Omdat [minderjarige 4] en [minderjarige 5] niet door de vader zijn erkend dragen zij de achternaam [achternaam moeder] .
5.5.
Op 1 januari 2024 is de wet gewijzigd en is de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam (WIGG) in werking getreden. Door deze wet is het voor ouders mogelijk geworden om voor hun kinderen te kiezen voor een gecombineerde geslachtsnaam, waarbij het kind dus zowel de geslachtsnaam van de vader als van de moeder krijgt. Deze wet geldt voor kinderen die op of na 1 januari 2024 zijn geboren.
5.6.
De WIGG kent een overgangsregeling voor kinderen geboren op of na 1 januari 2016. Ouders kunnen in dat geval tot 1 januari 2025 kiezen voor een gecombineerde geslachtsnaam. In artikel IIIb is het volgende opgenomen:
“1. Tot en met een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet kunnen kinderen van dezelfde ouders de geslachtsnaam van beide ouders in een door hen te bepalen volgorde verkrijgen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de ouders verklaren gezamenlijk dat de kinderen een geslachtsnaam behoren te krijgen die bestaat uit een combinatie van de geslachtsnamen van beide ouders in een door hen eensluidend gekozen volgorde;
b. het oudste kind dat in familierechtelijke betrekking tot beide ouders staat,
is geboren op of na 1 januari 2016en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet;
c. de verklaring betreft alle kinderen van dezelfde ouders.
2. […]
3. Een gemeenschappelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid onder a, kan worden afgelegd ten overstaan van iedere ambtenaar van de burgerlijke stand. Van deze verklaring maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van naamskeuze op.
4. […]”
5.7.
In dit geval wensen de ouders dat de kinderen de gecombineerde geslachtsnaam [achternaam vader] [achternaam moeder] krijgen en hebben zij tijdig voor 1 januari 2025 een gemeenschappelijke verklaring hiervoor afgelegd bij de ambtenaar. De ambtenaar heeft het verzoek afgewezen, omdat het oudste kind geboren is voor 1 januari 2016 en de overgangsregeling dus niet van toepassing is.
5.8.
Vast staat dat het oudste kind, [minderjarige 1] , geboren is op [geboortedatum] 2015. Dat is dus voor 1 januari 2016 waardoor de overgangsregeling niet van toepassing is op [minderjarige 1] en op [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De ambtenaar heeft de regeling dus juist toegepast. Er bestond geen verplichting om een akte van naamskeuze op te maken.
5.9.
De moeder vindt ook niet dat de ambtenaar de wet niet juist heeft toegepast. Zij is - kort samengevat - van mening dat het strikt toepassen van de overgangsregeling in de situatie van haar gezin in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, het recht op family life, het recht op identiteit en het gelijkheidsbeginsel.
5.10.
De rechtbank overweegt dat in principe de wet geldt, tenzij deze in het concrete geval strijd zou opleveren met fundamentele rechten, zoals de bepalingen uit het EVRM/het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dan wel in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
5.11.
Het uitgangspunt is dat de wetgever regels kan stellen ter bevordering van ordening in de samenleving. De wetgever kan en hoeft daarbij niet met ieder afzonderlijk en individueel geval rekening te houden. In dit geval gaat het om een regeling om familiebanden tot uitdrukking te brengen door het gebruik van geslachtsnamen. De vraag is of deze regeling en de overgangsregeling onevenredig belastend zijn voor het gezin van de moeder. De moeder heeft met name bezwaar tegen de leeftijdsgrens die in de overgangsregeling is bepaald en die tot gevolg heeft dat deze regeling voor haar gezin niet van toepassing is omdat het oudste kind is geboren voor 2016.
5.12.
Uit de stukken van de Tweede Kamer blijkt dat de leeftijdsgrens voor de overgangsregeling onderdeel is geweest van discussie. In de Tweede Kamer waren er praktische bezwaren om de overgangsregeling te laten gelden met terugwerkende kracht voor iedereen. Daarbij werd opgemerkt dat hoe ouder iemand is, hoe meer een achternaam al betekenis heeft in het sociale en juridisch verkeer. Uit het wetsvoorstel van 1 juli 2022 blijkt dat de overgangsregeling in eerst instantie zou gelden voor gezinnen waarbij het oudste kind is geboren op of na 29 januari 2019. De leeftijdsgrens lag toen dus op 5 jaar. De minister heeft ter onderbouwing van die leeftijd aangegeven dat de achternaam onderdeel is van iemands identiteit en dat met het wijzigen van de achternaam van een kind daarom terughoudend moet worden omgegaan, ook in de rechtspraak. De gedachte bij een leeftijdsgrens van 5 jaar was dat kinderen zich op die leeftijd nog niet zo bewust zijn van hun achternaam.
5.13.
Uiteindelijk is de overgangsregeling na een amendement uitgebreid naar een leeftijdsgrens van 8 jaar. [3] Ergens moet een grens liggen en de grens van 1 januari 2016 komt tegemoet aan de belangen van vrije keuze enerzijds en de bezwaren anderzijds. Een verdere uitbreiding in leeftijd achtte de minister niet wenselijk. Hierbij is meegewogen dat oudere kinderen zich al bewust zijn van hun naam en een wijziging daarvan zou voor hen ingrijpend kunnen zijn. Bovendien zouden kinderen ouder dan acht jaar door de kinderrechter moeten worden gehoord, wat belastend voor hen kan zijn en hen mogelijk zelfs in een loyaliteitsconflict kan brengen.
5.14.
In deze concrete situatie gebruiken de kinderen in het dagelijks leven feitelijk al een gecombineerde geslachtsnaam. Dat zij net buiten de overgangsregeling vallen, terwijl de ouders zich in de politiek juist hard hebben gemaakt om te komen tot een wetswijziging, betekent echter nog niet dat de huidige regeling ten opzichte van hen onevenredig is. Ergens moet een grens gesteld worden en de wetgever heeft die vrijheid ook. De wetgever heeft goed nagedacht over een leeftijdsgrens en heeft deze objectief en zorgvuldig onderbouwd. Het doel van wetgeving is ook om kaders te stellen in de samenleving. Het risico daarvan is dat er altijd mensen zullen zijn die net buiten de regeling vallen. Dat maakt echter nog niet dat de wet onevenredig is.
5.15.
Dat de kinderen in het dagelijks leven al een gecombineerde geslachtsnaam gebruiken maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De ouders hebben sinds de geboorte van de kinderen in feite een situatie gecreëerd die niet strookte met de toen geldende regelgeving door feitelijk een gecombineerde geslachtsnaam te gebruiken. Daarnaast hebben zij ervoor gekozen de jongste twee kinderen niet door de vader te laten erkennen. Hierdoor hebben deze twee kinderen formeel een andere achternaam en is er nu geen eenheid binnen het gezin. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de wens van de moeder om beide achternamen door te geven aan de kinderen, strookt dit niet met de toen geldende wetgeving over de geslachtsnamen van kinderen. De ouders waren het dus in beginsel al niet eens met de bestaande wetgeving waarbij ouders één geslachtsnaam aan kinderen konden geven. Dat maakt niet dat achteraf kan worden gesteld dat de nieuwe wet voor het gezin onevenredig is omdat zij buiten de overgangsregeling vallen. Het spreekt voor zich dat de wetgever deze situatie niet had kunnen voorzien, maar dat is logisch omdat het vertrekpunt binnen het gezin (waarin de namen van beide ouders worden doorgegeven) niet aansloot bij de toen geldende regelingen. Dat de kinderen zich nu identificeren met een gecombineerde geslachtsnaam is een gevolg van de keuze van de ouders. Dat geldt ook voor het feit dat de kinderen in het gezin formeel verschillende achternamen hebben.
5.16.
De moeder doet daarnaast een beroep op artikel 8 van het EVRM en vindt dat sprake is van een onrechtmatige inmenging in het recht op identiteit van de kinderen. In artikel 8 EVRM is geregeld dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. In lid 2 is geregeld dat inmenging onder voorwaarden toegestaan is. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) valt de keuze voor de geslachtsnaam binnen de sfeer van artikel 8 EVRM.
5.17.
De rechtbank is van oordeel de inmenging in dit geval rechtmatig is. Tijdens de geboorte van de kinderen konden de ouders een keuze maken voor een geslachtnaam van één van de ouders. Die hebben zij ook gemaakt. Hun wens voor een gecombineerde geslachtsnaam was destijds op grond van de wet niet mogelijk. Het EHRM heeft eerder geoordeeld dat wetgeving waarin de ouders konden kiezen uit één geslachtsnaam niet in strijd was met artikel 8 EVRM. [4] De discussie in die zaak ging weliswaar over de vraag of de wet, waarin is bepaald dat het kind de geslachtsnaam van de vader krijgt als ouders geen keuze maken, tot ongelijke behandeling leidt, maar het EHRM wijst in die uitspraak er ook op dat de wetgever beoordelingsvrijheid heeft. Die vrijheid houdt in dat de overheid nu eenmaal keuzes moet maken om zaken te reguleren. De oude wet, die beperkter was dan de WIGG, is dus niet in strijd met artikel 8 EVRM. De wetgever heeft met de WIGG een uitgebreidere regeling getroffen naar aanleiding van veranderende opvattingen in de
samenleving. Daartoe bestond geen verplichting vanuit internationale regelgeving, zoals het EVRM. Dat maakt ook dat de rechtbank van oordeel is dat de terugwerkende kracht, die is beperkt tot een bepaalde leeftijd, niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De oude, beperktere, regeling volstond immers ook. Zoals eerder overwogen heeft de wetgever een weloverwogen keuze gemaakt met betrekking tot de leeftijdsgrens. De jurisprudentie waarnaar de moeder verwijst gaat in dit geval dan ook niet op, omdat die situaties niet vergelijkbaar zijn.
5.18.
Verder doet de moeder een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Volgens haar wordt nu onderscheid gemaakt tussen ouders die een huwelijk/geregistreerd partnerschap aangaan en ouders die dit niet doen. Ouders die trouwen kunnen namelijk wel aan hun kinderen, ook als zij zijn geboren voor 2016, een gecombineerde geslachtsnaam geven. De rechtbank overweegt dat het gelijkheidsbeginsel met zich brengt dat mensen in vergelijkbare situatie op dezelfde manier worden behandeld. Het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap heeft bepaalde rechtsgevolgen. Die rechtsgevolgen zijn soms ook de reden dat mensen trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan. Dat betekent echter niet dat die bepaalde rechtsgevolgen leiden tot ongerechtvaardigde ongelijkheid. Het gelijkheidsbeginsel betekent immers niet dat alle gevallen op dezelfde manier moeten worden behandeld. Het beginsel houdt in dat alle gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld en dat verschillende gevallen verschillend mogen worden behandeld naar mate van hun verschillen. Dit argument gaat dan ook niet op.
5.19.
Daarnaast stelt de moeder dat zij door het verloop van de tijd en de gang van zaken van 2015 tot aan de invoering van de WIGG de hoop heeft gekregen dat de regeling voor alle kinderen in haar gezin zou gaan gelden. Deze verwachting baseert zij onder meer op uitspraken van de voormalig minister van rechtsbescherming. Ook voelde zij zich gesterkt doordat het in België, naar aanleiding van uitspraken van het EHRM, mogelijk is gemaakt om alle kinderen tot 18 jaar met terugwerkende kracht een gecombineerde geslachtsnaam te geven. De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van de moeder en de stukken niet blijkt dat zij persoonlijk en uitdrukkelijk van iemand die daartoe bevoegd was een toezegging heeft gehad dat de overgangsregeling voor alle kinderen zouden gelden. Ook is de uitspraak van het EHRM waarnaar de moeder verwijst (Cusan en Fazzo) niet vergelijkbaar, omdat die zag op de wetgeving in Italië waarbij een kind automatisch de geslachtsnaam van de vader krijgt. In Italië was het toen niet mogelijk om daarvan af te wijken en de kinderen de geslachtsnaam van de moeder te geven. Zoals eerder overwogen voldeed de eerdere beperktere wetgeving van Nederland al aan het EVRM. De rechtbank constateert dan ook dat de moeder weliswaar hoop heeft geput uit de gang van zaken, maar dat er niet zodanige verwachtingen zijn gewekt dat zij daaraan nu rechten zou kunnen ontlenen.
5.20.
Het is duidelijk dat de moeder en het gezin een emotioneel belang hebben bij de mogelijkheid om te kiezen voor een gecombineerde geslachtsnaam. Dit past bij de wijze waarop zij hun gezinsleven invulling hebben gegeven. De moeder heeft de argumenten waarom het voor het gezin van belang is om een gecombineerde geslachtsnaam te krijgen goed naar voren gebracht en ook [minderjarige 1] heeft duidelijk aangegeven waarom een gecombineerde geslachtsnaam voor haar zo van belang is. De rechtbank kan uit de stukken ook afleiden dat de moeder zich al jaren inzet om in Nederland een gecombineerde geslachtsnaam mogelijk te maken. De rechtbank begrijpt dan ook dat het, juist door haar jarenlange inzet, pijnlijk is dat hun gezin net buiten de overgangsregeling valt. De wet geldt echter als uitgangspunt en de rechtbank ziet geen vrijheid om op basis van een individuele belangenafweging de overgangsregeling terzijde te stellen.
5.21.
Daar komt bij dat een beslissing om van de regeling af te wijken - buiten het feit dat de rechtbank daar geen reden voor ziet - zal leiden tot onduidelijkheid en rechtsonzekerheid in de samenleving. Ambtenaren kunnen nu op basis van de overgangswet duidelijk bepalen welke ouders in aanmerking komen om een gecombineerde geslachtsnaam aan hun kind te geven en kunnen ouders hierover informeren. De voorwaarden zijn immers duidelijk opgenomen in de regeling. Als de rechtbank hier nu van afwijkt, zal voor niemand nog duidelijk zijn wanneer wel of niet voldaan moet worden aan de voorwaarden. De advocaat van de moeder stelt dat dit niet meer aan de orde zal zijn omdat de overgangsregeling slechts gold tot 1 januari 2025, maar ook die termijn is opgenomen in de overgangsregeling en kan dan eventueel ter discussie worden gesteld. De rechtbank acht dat niet wenselijk, zeker omdat de wetgever daarmee juist orde wil scheppen. Dat doel weegt in dit geval zwaarder dan het recht op bescherming tegen inmenging in het privéleven.
5.22.
De rechtbank heeft geen mogelijkheden om op andere gronden een geslachtsnaam te wijzigen naar een gecombineerde geslachtsnaam.
5.23.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het toewijzen van het verzoek van de moeder, omdat de WIGG en overgangsregeling niet in strijd zijn met grondrechten en/of internationale bepalingen. Het beroep van de moeder en haar verzoeken zullen dan ook worden afgewezen.

6.De beslissing

De rechtbank wijst de verzoeken van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.M. Overkamp, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Beumer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 1:27 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) juncto artikel 1:18c of 1:20c BW.
2.Artikel 1:5 BW.
3.Handelingen II, 2021/22, nr. 105, item 3.
4.EHRM 27 april 2000, nr. 42973/98, ECLI:CE:ECHR:2000:0427DEC004297398 (Bijleveld/Nederland).