ECLI:NL:RBGEL:2025:9475

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
AWB 25/4916
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Sluiting van een woning op grond van artikel 13b Opiumwet door de burgemeester van West Betuwe

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland wordt het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld in het kader van een besluit van de burgemeester van de gemeente West Betuwe. De burgemeester heeft besloten om de woning van verzoekers voor de duur van zes maanden te sluiten op basis van artikel 13b van de Opiumwet, omdat er aanwijzingen zijn dat er vanuit de woning drugs worden verhandeld. Verzoekers zijn het niet eens met dit besluit en hebben bezwaar gemaakt, waarbij zij om een voorlopige voorziening vragen. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en of de sluiting van de woning in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de sluiting van de woning niet onevenwichtig is en dat de burgemeester bevoegd is om tot sluiting over te gaan. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, waarbij ook rekening wordt gehouden met de omstandigheden van de verzoekers, zoals hun rol als mantelzorger en de impact op hun bedrijfsvoering. De burgemeester heeft voldoende onderbouwd dat er verzwarende omstandigheden zijn die een langere sluiting rechtvaardigen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de sluiting geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is, en dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4916

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker] en [verzoekster], uit [plaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. I. de Gram),
en

de burgemeester van de gemeente West Betuwe

(gemachtigden: mr. J.R. Leegsma en mr. E.R.A. Franklin MSc).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoekers aan de [locatie] in [plaats] met ingang van 4 november 2025 voor de duur van zes maanden te sluiten.
1.1.
Verzoekers zijn het niet mee eens met het besluit van de burgemeester. Zij hebben bezwaar gemaakt en verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voeren zij een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat sluiting van de woning in de gegeven omstandigheden niet onevenwichtig is. Daarom zal het besluit van de burgemeester naar verwachting in bezwaar in stand blijven
.De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek daarom af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2025 heeft de burgemeester besloten de woning van verzoekers voor de duur van zes maanden te sluiten
.Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker], bijgestaan door zijn gemachtigde en de gemachtigden van de burgemeester. Op de zitting heeft de burgemeester aangegeven bereid te zijn met sluiting te wachten tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoekers wonen samen met hun meerderjarige kinderen [naam kind 1] ([naam kind 1]) en [naam kind 2] ([naam kind 2]) in de woning aan de [locatie] in [plaats].
3.1.
Uit opsporingsonderzoek van de politie is naar voren gekomen dat een bij de politie bekende persoon, nader te noemen X, betrokken zou zijn bij de (internationale) handel in verdovende middelen. Gebleken is dat [naam kind 1] een rol had bij deze handel. Uit het onderzoek blijkt dat hij één van de loopjongens is binnen het netwerk van X en zich bezig hield met het verpakken van verdovende middelen, dealen en onderhouden van stash. Af en toe ging hij ook mee bij de aankoop van de blokken door X. Tijdens het onderzoek is ook een mobiele telefoon van een medeverdachte in beslag genomen. Op de telefoon heeft de politie een filmpje aangetroffen waarop is te zien dat de medeverdachte en vermoedelijk [naam kind 1] in de woning aan de [locatie] te [plaats] (vermoedelijk) drugs aan het afwegen en verpakken zijn. Verder blijkt dat [naam kind 1] vanaf augustus 2023 van meerdere personen ronde bedragen (€10, €20, €25, €50, etc.) krijgt overgemaakt op zijn bankrekening. Uit onderzoek blijkt dat deze personen hebben gebeld met een telefoonnummer dat bij de politie bekend is als dealersnummer.
3.2.
In het kader van het onderzoek zijn op 17 juni 2025 verschillende personen aangehouden en meerdere woningen doorzocht. Ook de woning van verzoekers is doorzocht. Niemand was thuis op het moment van de doorzoeking.
3.3.
In de slaapkamer aan de achterzijde van de woning (de vermoedelijke slaapkamer van [naam kind 1]): heeft de politie het volgende aangetroffen:
- In een bakje op de grond: een postzegel met mogelijk LSD
- Op een schapplankje aan de muur: een gripzakje met daarin wit poeder (indicatief getest: 2MMC, ten tijde van de doorzoeking viel 2MMC nog niet onder de Opiumwet) en twee mobiele telefoons
- Op de vensterbank bij een raam: een spaarpot met daarin een hoeveelheid contant geld (biljetten van voornamelijk €20, maar ook €10 en €5).
In de slaapkamer aan de voorzijde van de woning (de vermoedelijke slaapkamer van [naam kind 2]) heeft de politie aangetroffen:
- In een kastje aan het voeteneinde van het bed: een kluis. In de kluis bevinden zich de volgende goederen:
a. Meerdere gripzakjes met daarin vermoedelijk verdovende middelen. Een aantal gripzakjes is indicatief getest, positief op ketamine, MDMA en 2-MMC
b. €2.500 (2 x €100, 20 x €50, 15 x €20)
c. Een Colt M1991A1 (imitatiewapen, dat zodanig op een wapen lijkt, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt is) [1] ;
d. Een alarmpistool [2] ;
e. Een rood tasje met daarin €1.005,20. (2x €200, 4 x €100, 4 x €50), twee gripzakjes met daarin witte substantie en 1 zakje met daarin een bruine substantie. Indicatief getest, positief op ketamine en 2-MMC.
f. Drie mobiele telefoons
- Een stilettomes
In de garderobekamer op de eerste verdieping is aangetroffen:
- In de jaszak van een jas van het merk Moncler: diverse drugs, namelijk:
a. 2 gripzakjes met witte substantie, indicatief getest: 2-MMC
b. 1 ponypack met witte substantie, indicatief getest: cocaïne
c. 1 gripzakje met daarin een bruine substantie, indicatief getest: uitkomst onduidelijk
d. 1 roze kleurige afgebroken pil, indicatief getest: uitkomst onduidelijk
- Verschillende stuks dure merkschoenen en dure merkkleding, en een tas met opschrift “Rolex”.
Verder trof de politie in de auto van [naam kind 1] vermoedelijk drugs aan. [naam kind 1] had de auto uitgeleend.
3.4.
[naam kind 1] heeft tegenover de politie – voor zover van belang - verklaard dat hij de eigenaar is van de postzegel met vermoedelijk LSD, de mobiele telefoons (aangetroffen op zijn slaapkamer), het gripzakje met wit poeder, (aangetroffen op zijn slaapkamer), de goederen die zijn aangetroffen in de garderobekamer/inloopkast, en het geld dat in de kluis op de kamer van zijn broer is aangetroffen. Hij heeft ook verklaard dat hij ook in de kamer van zijn broer komt.
3.5.
De politie heeft de burgemeester hier op 9 september 2025 met een bestuurlijke rapportage van op de hoogte gesteld
3.6.
De burgemeester heeft hierin aanleiding gezien de woning van verzoekers voor de duur van zes maanden te sluiten. Omdat er sprake is van verzwarende omstandigheden stelt de burgemeester dat er aanleiding is om af te wijken van het geldende beleid [3] (dat een sluiting van drie maanden voorschrijft) en dat een sluiting voor de duur van zes maanden gerechtvaardigd is.
De bevoegdheid van de burgemeester
4. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang (het bevel tot sluiting van de woning) als in een woning een middel als bedoeld in lijst I of lijst II, behorend bij de Opiumwet (hierna kortweg: drugs, harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans houdt de last in dat de woning voor een bepaalde periode wordt gesloten.
4.1.
De burgemeester kan artikel 13b van de Opiumwet toepassen als er in of vanuit een woning in drugs wordt gehandeld (verkopen, afleveren, verstrekken) of als drugs met het oog op die handel in de woning aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs, 5,0 g softdrugs of vijf (hennep)planten (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
4.2.
Verzoekers betwisten dat de burgemeester bevoegd is de woning te sluiten. Uit de bestuurlijke rapportage, waar de burgemeester zich op baseert, kan niet worden afgeleid hoeveel drugs is aangetroffen. Onduidelijk is dan ook of meer dan 0,5 gram harddrugs is aangetroffen. Het is aan de burgemeester om zijn besluit op dit punt nader te motiveren. Er is ook slechts gebruik gemaakt van indicatieve testen. Dat sprake is van een handelshoeveelheid drugs kan dan ook niet uit de bestuurlijke rapportage worden afgeleid.
4.3.
De voorzieningenrechter volgt het betoog van verzoekers niet. Uit de bestuurlijke rapportage en de daarin opgenomen foto’s is af te leiden dat meerdere zakjes met verschillende soorten harddrugs zijn aangetroffen. Op de zitting heeft de burgemeester toegelicht dat één gripzakje doorgaans een hoeveelheid van 1 gram drugs bevat. Hoewel uit de bestuurlijke rapportage het gewicht van de aangetroffen drugs niet expliciet is af te leiden heeft de burgemeester aan mogen nemen dat sprake is van een handelshoeveelheid. Het is bovendien vaste rechtspraak dat in het bestuursrecht een andere bewijslast geldt dan in het strafrecht en dat in het bestuursrecht gebruik kan worden gemaakt van een indicatieve test. [4] De voorzieningenrechter is daarom voorshands van oordeel dat de burgemeester bevoegd is de woning te sluiten.
Mocht de burgemeester gebruik maken van zijn bevoegdheid tot sluiting?
5. Als de burgemeester gebruik wil maken van de bevoegdheid om een woning op grond van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat kader is beschreven in de uitspraken van 28 augustus 2019 [5] en van 6 juli 2022. [6] Hierbij moet beoordeeld worden of sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Is sluiting van de woning een geschikt middel?
6. Bij de geschiktheid wordt beoordeeld of het besluit geschikt is om het doel te bereiken, Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. In het geval de burgemeester zijn doelen nog wel kan bereiken, dient hij de noodzaak van de sluiting te beoordelen. [7] 6.1. Niet in geschil is dat de sluiting op zichzelf een geschikt middel is om het beoogde doel te bereiken.
Is er noodzaak de woning te sluiten?
7. Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
7.1
Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. Wanneer een woning ten slotte eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling, kan ook dit relevant zijn bij de beslissing om tot sluiting van de woning over te gaan, met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan en op voorkomen van nieuwe overtredingen. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan dient de burgemeester hiervan af te zien.
7.2.
Verzoekers vinden dat het niet nodig is om de woning te sluiten. De openbare orde was niet verstoord, er waren geen aanwijzingen dat de woning bekend stond als drugspand. Er was geen loop naar de woning.
Subsidiair stellen zij dat de burgemeester een lichtere maatregel had moeten opleggen. Uit het beleid van de burgemeester [8] volgt dat bij een eerste overtreding een sluiting voor de duur van drie maanden wordt opgelegd. Er is geen sprake van verzwarende omstandigheden die maken dat in afwijking van het beleid tot een sluiting voor de duur van zes maanden wordt besloten.
7.3.
De voorzieningenrechter volgt het betoog van verzoekers niet. Uit de bestuurlijke rapportage volgt genoegzaam dat de woning een rol had in een circuit van internationale drugshandel. Er zijn bovendien attributen aangetroffen die duiden op handel, zoals gripzakjes.
Verder heeft de burgemeester hierbij mogen betrekken dat sprake is van verzwarende omstandigheden. Met verzoekers is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester in het bestreden besluit onvoldoende heeft toegelicht welke verzwarende omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Op de zitting heeft de burgemeester evenwel toegelicht dat de verzwarende omstandigheden eruit bestaan uit de aanwezige wapens, de hoeveelheid drugs en het feit dat in meerdere vertrekken in de woning drugs zijn aangetroffen. Daarbij heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat hierbij de context waaronder de drugs is aangetroffen ook van belang is. De woning maakt deel uit van een internationaal drugsnetwerk en [naam kind 1] heeft zich ook met het verpakken van de drugs bezig gehouden. Hij had een zwaardere rol, en was niet alleen maar een loopjongen. Met deze toelichting heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd dat sprake is van verzwarende omstandigheden die in het licht van de beleidsregel een verlenging van de sluitingsduur rechtvaardigt. De burgemeester kan het gebrek in het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook herstellen in de te nemen beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter is bovendien van oordeel dat het tijdverloop van vier maanden sinds de doorzoeking van de woning niet zodanig is dat sluiting redelijkerwijs niet meer nodig is om het doel van de sluiting te bereiken. De burgemeester heeft sluiting dan ook noodzakelijk mogen achten om de openbare orde te herstellen en een herhaling van een verstoring van de openbare orde te voorkomen.
Is sluiting van de woning evenwichtig?
8. Als de conclusie is dat de burgemeester zijn beoogde doelen niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning voor een bepaalde duur kan bereiken en een woningsluiting dus het aangewezen middel is, betekent dit nog niet dat hij hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet hij zich ervan vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is. Ook als een sluiting van een woning noodzakelijk is, mag die in het licht van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden niet onredelijk bezwarend zijn. Het is als het ware een weegschaal waarin het algemeen belang dat de burgemeester behartigt aan de ene zijde en de belangen van verzoekers aan de andere zijde tegen elkaar worden afgewogen. Als de balans in het voordeel van verzoekers uitslaat, kan de burgemeester in redelijkheid niet langer gebruik maken van zijn bevoegdheid om de woning te sluiten. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
8.1.
Verzoekers hebben aangevoerd dat de sluiting van de woning niet alleen hen als gezin raakt, maar ook de bedrijfsvoering van het bedrijf van verzoeker. Hij exploiteert het bedrijf vanuit de woning en ontvangt hier ook klanten. Hij vreest ook voor imagoschade en financiële schade als hij (verlenging van) opdrachten misloopt. Bovendien passen verzoekers iedere week een aantal keer op hun kleindochter en ondersteunt verzoeker zijn gehandicapte broer die op korte afstand woont. Hij is mantelzorger van zijn broer. Verzoekers vrezen ook dat hun naam en reputatie geschaad wordt door het sluiten van de woning.
8.2.
De voorzieningenrechter heeft hiervoor al vastgesteld dat de sluiting noodzakelijk is. Daaruit volgt reeds dat de burgemeester een zwaarwegend belang heeft om de woning te sluiten. Dit betekent dat er heel wat tegenover moet staan om de balans toch in het voordeel van verzoekers te doen doorslaan.
8.2.1.
Het belang van verzoekers bestaat allereerst uit de exploitatie van het bedrijf vanuit de woning en de reputatieschade als gevolg van de sluiting. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende is aangetoond dat verzoeker zijn bedrijf niet tijdelijk vanuit een andere woning kan exploiteren. Zo zijn er geen bijzondere voorzieningen in de woning aanwezig die verzoeker voor zijn bedrijf nodig heeft. Ook is niet onderbouwd dat de reputatieschade dermate groot zal zijn dat het verzoekers onevenredig schaadt. Dit maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet dat het belang van de burgemeester om de woning te sluiten aan gewicht verliest.
8.2.2.
Het belang van verzoekers is verder gelegen in de opvang van hun kleindochter en de mantelzorg voor de broer van verzoeker. Hoewel het invoelbaar is dat verzoekers de zorg voor familieleden willen kunnen voortzetten hebben zij hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aangetoond dat zij hun kleindochter niet tijdelijk elders kunnen opvangen en dat de (mantel)zorg voor de broer van verzoeker niet vanuit een tijdelijk onderkomen kan worden voortgezet. Ook deze belangen maken naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet dat het belang van de burgemeester om tot sluiting over te gaan aan gewicht verliest.
8.3. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat sluiting van de woning in de gegeven omstandigheden niet onevenwichtig is.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter is concluderend van oordeel dat de burgemeester bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan en dat sluiting in de gegeven omstandigheden geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Het bestreden besluit zal daarom naar verwachting in bezwaar in stand blijven.
9.1.
Op de zitting heeft de gemachtigde van verzoekers toegelicht dat de (schoon)moeder van verzoekers op sterven ligt. Hij heeft verzocht hier met het vaststellen van de sluitingsdatum rekening mee te houden en sluiting in ieder geval met vier weken uit te stellen. De burgemeester heeft op de zitting aangegeven dat de datum van sluiting in overleg zal worden bepaald, maar dat uitstel van de sluiting met een termijn van vier weken te lang is. Het uitstellen van de sluiting voor de duur van twee weken is volgens de burgemeester redelijk.
9.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat een termijn van twee weken niet onredelijk is. Omdat de burgemeester heeft toegezegd deze termijn in acht te nemen en de sluitingsdatum in overleg te bepalen ziet de voorzieningenrechter geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9.3.
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Een wapen als bedoeld in de zin van art. 2, categorie I, onder 7 WWM
2.Een wapen als bedoeld in de zin van art. 2, categorie III, onder 4 WWM
3.Beleidsregel Bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet West Betuwe
4.ABRvS 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2625 en 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922
5.ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.
6.ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1911.
8.De beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet, inclusief nuloptiebeleid coffeeshops, hierna: de beleidsregel