ECLI:NL:RBGEL:2025:9452

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
448283
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:172 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling woning en kosten in eenvoudige gemeenschap na beëindiging samenwoning

Partijen waren samenwonend en gezamenlijk eigenaar van een woning met gelijke aandelen. Na beëindiging van de relatie en vertrek van eiseres uit de woning, bleef gedaagde de woning gebruiken en betaalde hypotheeklasten tot februari 2025. Eiseres stopte haar betalingen, maar betaalde later achterstanden en sommige maandlasten.

De woning werd verkocht en eiseres vorderde dat gedaagde de hypotheekschuld vanaf december 2024 geheel voor zijn rekening neemt, meewerkt aan de overdracht en diverse kosten vergoedt. Gedaagde voerde verweer en vorderde een andere verdeling van lasten.

De rechtbank oordeelde dat partijen een eenvoudige gemeenschap vormden en dat een afwijkende regeling gold tot augustus 2025, waarbij gedaagde alle kosten droeg. Daarna geldt de hoofdregel van gelijke verdeling, maar vanwege het exclusieve gebruik en het niet naleven van verplichtingen door gedaagde, is het redelijk en billijk dat hij ook na augustus 2025 de hypotheeklasten volledig draagt.

De rechtbank veroordeelde gedaagde tot medewerking aan de overdracht, betaling van achterstallige kosten en hypotheekrente, en wees de overige vorderingen af. Proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot medewerking aan de overdracht en betaling van achterstallige kosten en hypotheekrente, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/448283 / HA ZA 25-92
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van
[eiser],
volgens de basisregistratie personen wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F.R. Brouwer,
tegen
[gedaagde],
volgens de basisregistratie personen wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: voorheen mr. E.J.A. van den Hoogen, thans niet langer vertegenwoordigd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 juli 2025, waaraan wordt toegevoegd, de onttrekking van mr. Van den Hoogen voornoemd op 17 juni 2025 en het verval van het recht van [gedaagde] om te antwoorden op de eiswijziging in conventie van 28 mei 2025;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 oktober 2025 en de daarin genoemde processtukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn sinds 1 december 2023 gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning aan de [adres] , waarin zij zijn gaan samenwonen. Partijen zijn niet gehuwd (geweest) en hebben ook geen samenlevingscontract gesloten.
2.2.
De woning is gefinancierd met een geldlening van partijen bij Lloyds Bank GmbH, ten gunste van wie tot zekerheid van verhaal van de geldlening een recht van hypotheek op de eigendom van de woning is gevestigd tot een bedrag van € 450.000,00. De bank brengt uit hoofde van de geldlening maandelijks een bedrag van (ongeveer) € 1.930,47 in rekening.
2.3.
Gedurende de samenwoning betaalde [gedaagde] de bank. Hij voldeed ook de premie voor de opstalverzekering en de kosten van gas, water en licht. [eiser] betaalde [gedaagde] maandelijks een bedrag van € 1.100,00.
2.4.
In november 2024 is de affectieve relatie van partijen geëindigd. Op 27 november 2024 heeft [eiser] de woning verlaten, [gedaagde] is er blijven wonen en heeft de hypotheeklasten tot en met februari 2025 betaald. Per 1 december 2024 heeft [eiser] haar maandelijkse betalingen aan [gedaagde] gestaakt. Nadat de bank in mei 2025 vanwege een betalingsachterstand op betaling had aandrongen, heeft [eiser] de achterstand van toen € 3.866,14 voldaan. Zij heeft ook de betalingsverplichtingen aan de bank over de maanden september en oktober 2025 voldaan. De betalingsverplichting van partijen aan de bank over de maanden mei, juni en juli 2025 is tot op heden niet voldaan. [eiser] heeft met de bank afgesproken dat deze zal worden voldaan na overdacht van de woning.
2.5.
Bij vonnis in kort geding van 7 augustus 2025 (zaak- en rolnummer C/05/452010 / KG ZA 25-161) heeft de voorzieningenrechter de wijze van verkoop van de woning gelast. Daarbij is bepaald dat partijen een sleutel aan de makelaar ter beschikking moeten stellen, dat partijen, als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan verkoop en levering van de woning, dat na verkoop met de opbrengst de hypothecaire geldlening(en) moeten worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten moeten worden betaald, en dat de rest(schuld) bij helfte wordt gedeeld c.q. gedragen. Verder is in dat vonnis beslist dat [eiser] vanaf de datum van het vonnis bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de zich daarin bevindende inboedel tot het moment van levering aan een derde. Ook is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van de € 3.866,14 aan [eiser] . [eiser] heeft het vonnis op 20 augustus 2025 aan [gedaagde] laten betekenen. Tegen het vonnis is geen rechtsmiddel ingesteld.
2.6.
Op 26 augustus 2025 is [eiser] gebleken dat [gedaagde] de woning had verlaten, met medeneming van de volledige inboedel. Op 26 augustus 2025 heeft [eiser] van Slotenmaker Fix-it een factuur van € 349,80 inclusief btw ontvangen voor het met spoed vervangen van drie sloten. Op 29 augustus 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 105,00 betaald aan Direct-Dierplaagbeheersing. Op 30 augustus 2025 heeft The Clean en Green People vof een bedrag van € 150,00 inclusief btw bij [eiser] in rekening gebracht voor ‘Dienstverlening Onderhoud tuinen snoeien hedera’. Op 31 augustus 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 650,00 aan JP Fonseca do Livramento betaald voor het verwijderen van onkruid en onderhoud tuin.
2.7.
[eiser] is niet weer in de woning gaan wonen, maar heeft tot op heden afwisselend bij haar moeder en zus verbleven.
2.8.
Op 4 oktober 2025 hebben partijen hun woning aan derden verkocht. Zij hebben de koopakte elektronisch ondertekend. De koopsom bedraagt € 470.175,00 en de overdracht is voorzien op 27 november 2025.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert ‒ na wijzigingen van eis en eisvermindering (ter zitting) ‒ dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad,
a. a) zal bepalen dat [gedaagde] de hypothecaire schuld aan/bij Lloyds Bank GmbH onder nummer 2.167.217 met ingang van 1 december 2024 geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen zonder verrekening met [eiser] , althans vanaf een zodanige datum als uw Rechtbank in goede justitie vermeent te behoren,
b) [gedaagde] zal veroordelen om, op eerste verzoek van [eiser] of de makelaar of de notaris binnen één week mee te werken aan het notarieel transport van de woning staande en gelegen te [adres] ,
c) zal bepalen, dat wanneer [gedaagde] niet binnen de sub b) genoemde termijn van één week zijn medewerking aan het notarieel transport van de woningen verleent, het in deze te wijzen vonnis, dezelfde kracht zal hebben als de handtekening en parafen van [gedaagde] onder en in de benodigde notariële akte,
d) [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiser] te voldoen een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere keer en dag dat hij niet voldoet aan de sub c) bedoelde vordering met een maximum van € 25.000,00, dan wel een bedrag die uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren,
e) zal bepalen dat [gedaagde] aan [eiser] dient te voldoen in het kader van een gebruiksvergoeding een bedrag dat gelijk is aan de helft van de maandelijkse eigenaarslasten (premie opstalverzekering, hypotheekrente, gemeentelijke belastingen)
f) [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 1.254,80, althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, welk bedrag in mindering strekt op de aan de man door de notaris uit te keren deel van de overwaarde, althans een zodanige regeling als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren,
g) [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 9.491,88, althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, welk bedrag in mindering strekt op de aan [gedaagde] door de notaris uit te keren deel van de overwaarde, althans een zodanige regeling als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren,
h) zal bepalen dat [gedaagde] de hypotheekrente over de maanden mei 2025 tot aan de datum transport van de gezamenlijke koopwoning dient te betalen, in ieder geval een bedrag van € 5.341,36, welke betaling zal geschieden van het deel van de overwaarde dat aan [gedaagde] toekomt en wordt uitgekeerd door de notaris, althans een zodanige regeling als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren,
met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de onderhavige procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] baseert haar vorderingen klaarblijkelijk erop dat ter zake van de eigendom van de woning een eenvoudige gemeenschap aanwezig is, dat de voorzieningenrechter de wijze van verdeling heeft vastgesteld, die erop neer komt dat de woning wordt verkocht en de netto-opbrengst van die verkoop zal worden verdeeld, dat de woning inmiddels is verkocht en dat [gedaagde] dus gehouden is mee te werken aan de overdracht.
Zoals partijen hebben afgesproken moet [gedaagde] tot die tijd de eigenaarslasten voldoen, waaronder de hypotheekverplichtingen, de gemeentelijke heffingen, de nutsvoorzieningen en het onderhoud van woning en tuin. Voor zover [eiser] deze lasten heeft voldaan moet [gedaagde] die aan haar betalen.
In het geval dat de lasten toch gezamenlijk gedragen zouden moeten worden, is [gedaagde] , vanwege zijn exclusieve gebruik van de woning een gebruiksvergoeding aan [eiser] verschuldigd, te bepalen op de helft van de eigenaarslasten.
Het bedrag van € 1.254,80 betreft de som van de in 2.6. genoemde bedragen, die zien op de kosten van het laten verwijderen van een wespennest, van onderhoud aan de tuin, van het verwijderen van klimop en van het vervangen van sloten. Het bedrag van € 9.491,88 betreft rekeningen van Essent, de hypotheekrente over augustus tot en met november 2025, nadere gebruikslasten en twee betalingen aan de bank. Het bedrag van € 5.341,36 betreft de hypotheekrente over de maanden mei, juni en juli 2025, aldus [eiser] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert dat de rechtbank de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van partijen bestaande in de woning aan de [adres] zal gelasten volgens het 'spoorboekje' dat onder punt 37 tot en met 46 van de conclusie van antwoord is opgenomen, en verder dat de rechtbank [eiser] zal veroordelen om voor 50% bij te dragen in de eigenaarslasten zoals uiteengezet in punt 14 van de conclusie van antwoord, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.6.
[eiser] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling, in conventie en in reconventie

4.1.
Nadat de advocaat van [gedaagde] zich had onttrokken heeft [eiser] tot twee keer toe haar eis gewijzigd, bij akte van 11 september 2025 en bij akte van 13 oktober 2025. [eiser] heeft de akte van 11 september 2025 door de deurwaarder aan [gedaagde] laten betekenen op 23 september 2025, waarbij [gedaagde] tevens is opgeroepen voor de mondelinge behandeling. [eiser] heeft beide akten ook per e-mail aan [gedaagde] zelf toegezonden op 13 oktober 2025. Daarin is [gedaagde] eveneens over de zitting geïnformeerd. Ter zitting heeft [eiser] nadere e-mailcorrespondentie tussen [gedaagde] en haar advocaat overgelegd. Daaruit blijkt dat [gedaagde] op de hoogte is van de mondelinge behandeling, van de gevolgen als hij daar niet zal verschijnen en van de gewijzigde eis, en dat hij bereid is tot betaling van het sub h) gevorderde bedrag. Op de in conventie gewijzigde eis kan dan ook worden beslist.
4.2.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
De wijze van verdeling
4.3.
Niet in geschil is dat de eigendom van de woning toebehoort aan partijen gezamenlijk en dat aldus sprake is van een eenvoudige gemeenschap. Ook is niet in geschil dat de aandelen van partijen in deze gemeenschap gelijk zijn. Verder zijn partijen het erover eens dat de gemeenschap verdeeld moet worden. Omdat de woning inmiddels aan een derde is verkocht, behoort de vordering van [gedaagde] tot toebedeling van de woning aan hem, niet meer tot de mogelijkheden. Ook heeft hij geen belang meer bij een uitspraak van de rechtbank over verdeling door verkoop aan een derde. De vorderingen in reconventie die hierop zien zijn daarom niet toewijsbaar.
4.4.
In dit verband resteert dan in conventie de vordering de wijze van verdeling aldus vast te stellen dat [gedaagde] dient mee te werken aan de levering, bij gebreke waarvan [eiser] gemachtigd wordt om al hetgeen te doen om tot levering van de woning te komen en het vonnis in de plaats treedt van de benodigde wilsverklaringen/handtekeningen van [gedaagde] . In reconventie vordert [gedaagde] hetzelfde ten aanzien van [eiser] . Hierover wordt het volgende overwogen.
4.5.
[eiser] heeft tot nu toe al het nodige gedaan om tot levering van de woning te komen, inclusief het voeren van een kort gedingprocedure tegen [gedaagde] . In dit licht bezien heeft [gedaagde] onvoldoende toegelicht waarom toch aanleiding bestaat te vrezen dat [eiser] niet aan de levering zal gaan meewerken. De daarop gebaseerde vorderingen in reconventie zijn niet toewijsbaar.
4.6.
Dat andersom wel reden bestaat te vrezen dat [gedaagde] zonder rechterlijk gebod en een vervangende uitspraak niet zal meewerken aan de levering, heeft [eiser] voldoende toegelicht en is door [gedaagde] niet weersproken. Het daartoe in conventie gevorderde is toewijsbaar. De veroordeling tot medewerking zal echter niet met een dwangsom worden versterkt, nu dat geen zin heeft, zoals [gedaagde] ook opwerpt. Bij gebreke van medewerking zal dit vonnis immers voor deze medewerking in de plaats treden. Een financiële prikkel voor medewerking in de vorm van een dwangsom is dan overbodig.
4.7.
Dan is er de wijze van verdeling van de netto-verkoopopbrengst. In dat verband heeft de voorzieningenrechter in kort geding reeds bepaald dat, na verkoop, met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening(en) moet(en) worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten moeten worden betaald en verder dat partijen het eventuele restant bij helfte moeten delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, ieder de helft daarvan moeten dragen. In deze bodemprocedure is niet in geschil dat partijen inderdaad als uitgangspunt ieder aanspraak hebben op de helft van deze netto-verkoopopbrengst. Er is dan geen reden voor een uitspraak in dit verband. Wel is in geschil of uit het aan partijen (eventueel) toekomende, bedragen aan de andere partij c.q. aan de bank moeten worden betaald.
4.8.
[gedaagde] wil dat wordt bepaald dat [eiser] hem uit haar aandeel de helft zal betalen van eventuele kosten die hij voor het verkoop klaar maken op advies van de makelaar nog zal voldoen. De woning is al enige tijd geleden verkocht en [gedaagde] heeft niet concreet gesteld dat hij op advies van de makelaar daarvoor daadwerkelijk kosten heeft voldaan. Het wordt daarom ervoor gehouden dat [gedaagde] dergelijke kosten niet heeft gemaakt. In zoverre is het in reconventie gevorderde niet toewijsbaar.
4.9.
[eiser] heeft wel concreet gemotiveerd gevorderd (zoals hiervoor onder 3.1. sub f), g) en h) is weergegeven) dat en waarom bepaalde bedragen uit het (eventueel) aan [gedaagde] toekomende deel moeten worden voldaan aan haar c.q. aan de bank. [gedaagde] heeft dit niet afzonderlijk weersproken. In zoverre is het in conventie gevorderde dan toewijsbaar, met dien verstande dat de verschuldigdheid van deze bedragen hierna nog aan de orde zal komen.
Bijdragen tot uitgaven ten behoeve van de gemeenschap
4.10.
In geschil is of [gedaagde] vanaf december 2024 alle kosten van de woning moet dragen, zoals [eiser] stelt, of dat vanaf dat moment de helft van de eigenaarslasten voor rekening moeten komen van [eiser] , zoals [gedaagde] opwerpt. In dit verband is het volgende van belang.
4.11.
In art. 3:172 BW Pro is bepaald dat de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert delen, en dat zij in dezelfde evenredigheid moeten bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht, tenzij een regeling anders bepaalt.
4.12.
Volgens [eiser] hebben partijen op 10 december 2024 afgesproken dat [gedaagde] in de woning zou blijven wonen en dat hij de daaraan gerelateerde lasten voor zijn rekening zou nemen. Daartoe heeft zij erop gewezen dat [gedaagde] op 10 december 2024 via Whatsapp heeft verklaard dat hij alles zal betalen (“I will pay everything Don’t worry”) en dat [gedaagde] deze afspraak tot maart 2025 ook daadwerkelijk is nagekomen. Ter zitting heeft [eiser] het bestaan van de afspraak desgevraagd aldus toegelicht dat zij destijds eerst heeft voorgesteld dat partijen ieder 50% van de tijd in de woning zouden gaan wonen en dat partijen de kosten zouden delen. Omdat [gedaagde] dat niet wilde is toen echter afgesproken dat alleen [gedaagde] in de woning zou blijven wonen en dat hij alle kosten zou dragen. [gedaagde] heeft dit alles niet weersproken. Van het bestaan van deze, van de hoofdregel van art. 3:172 BW Pro afwijkende regeling wordt dan verder uitgegaan, met dien verstande dat deze regeling geacht moet worden eind augustus 2025 te zijn geëindigd. Op dat moment was [gedaagde] op basis van de tenuitvoerlegging van het vonnis in kort geding immers gehouden aan [eiser] het exclusieve gebruik van de woning te laten. Hij heeft de woning toen ook daadwerkelijk verlaten. Daarmee kwam een einde aan het exclusieve gebruik van de woning door [gedaagde] . Wat vanaf september 2025 geldt zal hierna worden bepaald. Eerst is de periode vanaf december 2024 tot en met augustus 2025 aan de orde.
4.13.
Het bedrag van € 1.254,80 ziet op de kosten van het laten verwijderen van een wespennest, van onderhoud aan de tuin, van het verwijderen van klimop en van het vervangen van sloten. Als onbetwist staat vast dat de kosten van het laten verwijderen van het wespennest en van het onderhouden van de tuin, waaronder het snoeien van de klimop (hedera), uitgaven zijn die voortvloeien uit handelingen die [gedaagde] ten behoeve van de woning had moeten laten verrichten toen hij daar nog woonde. Het gaat hier immers onbetwist om onderhoud aan de woning dat achterstallig was toen [gedaagde] de woning in augustus 2025 verliet. [eiser] heeft deze kosten voldaan. [gedaagde] is dan gehouden om deze kosten, die onweersproken in totaal € 905,00 bedragen, aan [eiser] te betalen, zoals zij vordert.
4.14.
Voor de kosten van het vervangen van de sloten ad € 349,80 inclusief btw ligt dat anders. Dit betreft geen achterstallig onderhoud of anderszins een uitgave waarop art. 3:172 BW Pro ziet. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat zij de sloten heeft laten vervangen omdat [gedaagde] de sleutels niet had achtergelaten toen hij uit de woning vertrok en de makelaar toegang tot de woning moest krijgen. Ook voelde zij zich in de woning niet veilig in de wetenschap dat [gedaagde] naar believen naar binnen zou kunnen komen, aldus [eiser] . De rechtbank constateert dat [eiser] ook een sleutel had kunnen laten bijmaken om de makelaar toegang tot de woning te geven, zoals door de voorzieningenrechter was bepaald. Dat [eiser] zich zonder nieuwe sloten onveilig voelde in de woning wil de rechtbank wel aannemen, maar daarmee zijn de uitgaven voor vervanging nog niet ten behoeve van de gemeenschap verricht. Zij heeft de uitgaven immers ten behoeve van zichzelf gedaan. De kosten van nieuwe sloten kunnen dan ook niet op grond van art. 3:172 BW Pro voor rekening van [gedaagde] komen. Een rechtsgrond waarop dat wel zou kunnen heeft [eiser] niet gesteld en is de rechtbank gegeven de gestelde feiten en omstandigheden ook niet ambtshalve gebleken. In zoverre is de vordering in conventie niet toewijsbaar.
4.15.
Het bedrag van € 9.491,88 ziet voor een bedrag van € 3.085,47 op betalingen die [eiser] ten behoeve van de woning heeft gedaan in de periode tot en met augustus 2025, waarin de regeling zoals hiervoor onder 4.12 is opgenomen gold. Dit bedrag bestaat uit de betaling van € 655,00 op 29 juli 2025 aan Essent en betalingen aan de bank van € 1.930,47 op 22 augustus 2025, van € 400,00 op 25 juli 2025 en van € 100,00 op 11 juli 2025. Niet in geschil is dat [eiser] deze betalingen ten behoeve van de woning heeft verricht. [gedaagde] is gehouden om het bedrag van € 3.085,47 aan [eiser] te betalen, zoals zij vordert.
4.16.
Het bedrag van € 5.341,36 ziet op de hypotheekrente over de maanden mei, juni en juli 2025, zoals [eiser] onbetwist heeft gesteld. Gelet op de regeling die partijen hebben getroffen is [gedaagde] gehouden dit bedrag aan de bank te betalen. [eiser] heeft dit bedrag niet voorgeschoten, maar met de bank afgesproken dat het door de notaris zal worden voldaan uit het aan [gedaagde] toekomende deel van de overwaarde. Zoals in 4.9. is overwogen en beslist, zal de rechtbank bepalen dat [gedaagde] tot betaling op deze wijze gehouden is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bank bij gebreke van betaling niet tot doorhaling van de inschrijving van haar hypotheekrecht zal overgaan, hetgeen de levering zal blokkeren. Het in conventie gevorderde is dus in zoverre toewijsbaar.
4.17.
Voor de periode vanaf september 2025 is het volgende van belang. Omdat de door partijen getroffen regeling door de uitspraak van de voorzieningenrechter is geëindigd, moet als uitgangspunt worden teruggevallen op de hoofdregel van de wet, te weten dat partijen naar evenredigheid van hun aandeel moeten bijdragen aan de kosten van de woning. Nu partijen ieder een gelijk aandeel hebben in de gemeenschap zou dit hier erop neerkomen dat [eiser] de helft van de kosten moet bijdragen, zoals [gedaagde] vordert.
4.18.
[eiser] vordert echter dat wordt bepaald dat [gedaagde] de schuld aan de bank zal (blijven) voldoen (de vordering sub a) en concreet dat hij de betalingsverplichtingen over de maanden september tot aan de overdracht ad € 5.791,41 (de vordering sub h) en het restant van het sub g) gevorderde bedrag van € 9.491,80) zal nakomen, en voor zover [eiser] de bank heeft betaald (vooralsnog een bedrag van € 3.883,94, ter zake van de maanden september en oktober), aan haar zal betalen. In dit verband geldt het volgende.
4.19.
Zoals [eiser] onweersproken heeft gesteld, heeft [gedaagde] vanaf maart 2025 niets meer bijgedragen aan de kosten van de woning, terwijl hij de woning exclusief in gebruik had tot eind augustus 2025. Vervolgens heeft [gedaagde] in strijd met het vonnis in kort geding de woning niet met de zich daarin bevindende inboedel voor exclusief gebruik door [eiser] achtergelaten. Hij heeft namelijk de volledige inboedel, inclusief het bed, het beddengoed en de borden en ook de aan [eiser] in eigendom toebehorende stoelen, meegenomen en desgevraagd niet teruggebracht. Aldus heeft [gedaagde] niet alleen het gebod van de voorzieningenrechter moedwillig gefrustreerd maar ook feitelijk onmogelijk gemaakt dat [eiser] gebruik kon maken van de woning. [eiser] heeft daadwerkelijk elders moeten verblijven, terwijl zij wel de lasten van de woning is blijven voldoen, voor zover haar middelen toereikend waren. Uit de vaststaande feiten volgt met andere woorden dat [gedaagde] [eiser] heeft laten zitten met alle lasten van de woning en dat [eiser] niet de lusten ervan kon en kan hebben. Dat is niet alleen in strijd met de verplichting van deelgenoten om zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar acht de rechtbank zodanig laakbaar dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de hoofdregel van art. 3:172 BW Pro, inhoudende dat partijen ieder de helft van de kosten van woning moeten dragen, hier toepassing vindt. In plaats daarvan acht de rechtbank het redelijk en billijk dat de maandelijkse betalingsverplichtingen aan de bank ook vanaf september 2025 voor rekening worden gebracht van [gedaagde] , conform de onbetwist gebleven eis van [eiser] . Het in dit verband in reconventie gevorderde zal worden afgewezen.
4.20.
Bij deze stand van zaken heeft [eiser] , zoals zij ter zitting ook heeft laten weten, geen belang erbij dat ook nog zal worden bepaald dat [gedaagde] een gebruiksvergoeding aan [eiser] dient te voldoen. De daartoe strekkende vordering in conventie zal worden afgewezen. Verder constateert de rechtbank dat [eiser] haar vordering sub a) om te bepalen dat [gedaagde] de schuld aan de bank voor zijn rekening zal nemen en zal voldoen, concreet heeft gemaakt in haar vorderingen sub g) en h), die ertoe strekken dat [gedaagde] de concrete maandelijks verschuldigde bedragen aan de bank zal voldoen, voor zover [eiser] dat niet al heeft gedaan. Nu de vorderingen sub g) en h) zullen worden toegewezen heeft [eiser] bij toewijzing van het sub a) gevorderde geen belang. Die vordering zal om deze reden worden afgewezen. Het sub g) gevorderde is nu aldus toewijsbaar dat [gedaagde] een bedrag van € 6.969,41, te weten het bedrag van deze vordering dat [eiser] inmiddels daadwerkelijk voor [gedaagde] heeft betaald (zie hiervoor onder 4.15. en 4.18.) aan [eiser] moet voldoen. Hetgeen partijen aan de bank vanaf de maand november tot de levering nog verschuldigd zullen worden is verdisconteerd te achten in het sub h) gevorderde, dat gelet op overweging 4.19. ook toewijsbaar is.
4.21.
[eiser] heeft nog een bewijsstuk van betaling van een bedrag van € 205,00 aan Essent in het geding gebracht. Nu zij geen veroordeling tot betaling van dit bedrag vordert, komt de rechtbank aan een beoordeling van een dergelijke vordering niet toe.
Proceskosten
4.22.
Partijen hebben zowel in conventie als in reconventie over en weer gevorderd dat de ander in de proceskosten zal worden veroordeeld. De rechtbank zal, gelet op de relatie tussen partijen, deze proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De inzet van de procedure betrof de wijze van verdeling, noodzakelijk geworden omdat partijen er gezamenlijk niet uitkwamen. Compensatie van kosten ligt dan in de rede. Dat [gedaagde] na de onttrekking van zijn advocaat stil is gaan zitten en gedeeltelijk geen uitvoering heeft gegeven aan het vonnis van de voorzieningenrechter, is onvoldoende reden om daar van af te wijken.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om, op eerste verzoek van [eiser] of de makelaar of de notaris binnen één week mee te werken aan het notarieel transport van de woning staande en gelegen te [adres] ,
5.2.
bepaalt dat, wanneer [gedaagde] niet binnen de in 5.1. genoemde termijn van één week zijn medewerking aan het notarieel transport van de woning verleent, dit vonnis, dezelfde kracht zal hebben als de handtekening en parafen van [gedaagde] onder en in de benodigde notariële akte,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 905,00, welk bedrag in mindering strekt op de aan [gedaagde] door de notaris uit te keren deel van de overwaarde,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 6.969,41, welk bedrag in mindering strekt op de aan [gedaagde] door de notaris uit te keren deel van de overwaarde,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] om een bedrag van € 5.341,36, alsmede de nog in rekening te brengen hypotheekrente over de maand(en) november 2025 tot aan de datum van transport van de gezamenlijke koopwoning, aan de bank te betalen, welke betaling zal geschieden van het deel van de overwaarde dat aan [gedaagde] toekomt en wordt uitgekeerd door de notaris,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.9.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.10.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.
512/822