ECLI:NL:RBGEL:2025:9307

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
AWB 25/4409
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopige voorziening inzake geheimhouding Woo-verzoek

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland wordt een verzoek om een voorlopige voorziening behandeld. Verzoeker, benoemd tot burgerlid van de Monumentencommissie, heeft een Woo-verzoek ingediend om inzage in documenten die geheimhouding hebben. Het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet heeft dit verzoek afgewezen en de geheimhouding gehandhaafd. Verzoeker is het hier niet mee eens en vraagt om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Hij wijst het verzoek toe en bepaalt dat de geheimhouding op de documenten moet worden opgeheven, tenzij het college binnen twee weken een gemotiveerd besluit neemt. De voorzieningenrechter concludeert dat de geheimhouding te ruim is toegepast en dat het belang van verzoeker zwaarder weegt. Tevens wordt het college veroordeeld tot betaling van griffierecht en proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4409

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet

(gemachtigden: E. Fecunda-Coumou en mr. J.H. Meester).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing op het verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) en de weigering om de opgelegde geheimhouding van deze informatie op te heffen. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter beslist in deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat is reden om het verzoek toe te wijzen en een voorlopige voorziening te treffen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
1.2.
Hierna schetst de voorzieningenrechter eerst het procesverloop (onder 2) en gaat hij in op het beroep op artikel 8:29 van de Awb (onder 3). Vervolgens gaat hij in op het spoedeisend belang (onder 4) en op de vraag of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft (onder 6).

Procesverloop

2. Verzoeker is in 2021 door de gemeenteraad van [plaats] benoemd tot
burgerlid van de plaatselijke Monumentencommissie en per 26 oktober 2023 tot lid van de Commissie Omgevingskwaliteit gemeente [plaats] . Verzoeker heeft op 25 november 2023 een brief aan de burgemeester gestuurd waarin hij zijn zorgen heeft geuit over de relatie van de Monumentencommissie met het college. Op 18 december 2023 informeerde de burgemeester verzoeker dat er ernstige, zwaarwegende klachten tegen hem zijn ingediend. De aard en de inhoud van de klachten zijn niet aan hem bekend gemaakt.
De burgemeester van [plaats] heeft verzoeker vervolgens geschorst als burgerlid van de commissie Omgevingskwaliteit van de gemeente [plaats] .
2.1.
Op 18 juni 2025 heeft verzoeker een verzoek op grond van de Woo ingediend om inzage in/afschrift van stukken met betrekking tot de kwestie rondom de burgerleden Monumentencommissie te verkrijgen. Hij wenst specifiek de inzage in/afschrift van het interne ambtelijke advies van oktober 2024 en de daarna uitgebrachte externe juridische adviezen. Op deze stukken heeft het college geheimhouding gelegd.
2.2.
Het college heeft bij besluit van 22 september 2025 dit verzoek van verzoeker afgewezen en besloten de geheimhouding op deze stukken in stand te houden.
2.3.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker met zijn echtgenote [naam] en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Artikel 8:29 Awb
3. Op grond van artikel 8:29 van de Awb kunnen partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
3.1.
Het college heeft bij de rechtbank een aantal stukken ingediend waarbij een beroep is gedaan op artikel 8:29 van de Awb. De voorzieningenrechter stelt vast dat een groot deel van deze stukken vallen onder het Woo-verzoek. Op grond van het zesde lid is van rechtswege toestemming verleend aan de voorzieningenrechter om kennis te nemen van deze stukken. Voor het andere stuk geldt dat de voorzieningenrechter toestemming van de andere partij nodig heeft om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen. Op zitting hebben beide partijen ermee ingestemd dat er geen beslissing over de toepassing van artikel 8:29 van de Awb wordt genomen en dat de voorzieningenrechter inzage krijgt in dit stuk en mede op grondslag van dit stuk uitspraak mag doen.
Is er een spoedeisend belang?
4. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [1]
4.1.
Verzoeker stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker is inmiddels twee jaar geschorst als lid van de door de gemeenteraad benoemde commissie Omgevingskwaliteit zonder dat daar een rechtsgeldig besluit van het college en een rechtsgeldige reden aan ten grondslag ligt. Verzoeker is, ondanks meerdere verzoeken daartoe, niet geïnformeerd over de aard en de inhoud van de klachten. De wethouder heeft de gemeenteraad toegezegd met verzoeker in gesprek te gaan, met behulp van een externe partij. Op 30 september 2025 heeft het intakegesprek voor een mediationtraject plaatsgevonden. Verzoeker heeft de gevraagde stukken nodig om een gelijkwaardige positie tijdens het mediationtraject te verkrijgen.
4.2.
Het college weerspreekt dat er sprake is van een spoedeisend belang. Niet duidelijk is wanneer het mediationtraject zal starten. Daarnaast kan uit de onderbouwing van verzoeker niet zonder meer begrepen worden waarom de door hem gevraagde stukken noodzakelijk zijn voor het kunnen voeren van het gesprek en waarom hij de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan afwachten. Daarnaast heeft verzoeker niet gesteld dan wel onderbouwd dat er sprake is van ernstige twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit. Daarvan is ook geen sprake.
5. Het betoog van verzoeker slaagt. Tussen partijen is afgesproken dat er een mediationtraject zal worden gestart. Dit traject is feitelijk al op 30 september 2025 begonnen met een intakegesprek tussen de mediator en verzoeker. Verzoeker wil inzage in de stukken zodat hij op een gelijk niveau kan komen als de wethouder en zijn belangen tijdens het mediationgesprek goed kan behartigen. In dat kader acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang voldoende aanwezig.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
6. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo, blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
6.1.
Uit artikel 8.8 van de Woo volgt dat artikel 5.1, tweede lid, van de Woo, niet van toepassing is op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet. In de bijlage zijn onder meer de artikelen 87 tot en met 89 van de Gemeentewet opgenomen. Deze artikelen gaan over het opleggen, verstrekken en opheffen van geheimhouding.
6.2.
Het Woo-verzoek is afgewezen, omdat door het college op grond van artikel 87 van de Gemeentewet geheimhouding is gelegd op de door verzoeker opgevraagde documenten. Het college hanteert als (enige) grond voor de geheimhouding de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het college overwoog daarbij dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het algemene belang van openbaarheid en dat het handhaven van geheimhouding noodzakelijk is ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
6.3.
Het leggen van geheimhouding op documenten is een zwaar middel dat terughoudend moet worden toegepast. Na kennisneming van de stukken stelt de voorzieningenrechter vast dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer weliswaar speelt bij de opgevraagde documenten maar niet van toepassing is op de volledige inhoud van de opgevraagde documenten.
Het college heeft ook desgevraagd op zitting niet onderbouwd waarom dit belang speelt voor de gehele inhoud van de stukken. Dit leidt tot het oordeel dat in dit geval het college de geheimhouding te ruim heeft toegepast. Zo is niet te volgen waarom hier op de conclusie van de externe adviezen en de onderbouwing daarvan het belang van de persoonlijke levenssfeer speelt. Deze te ruime toepassing doet geen recht aan het belang van verzoeker en aan een behoorlijke behandeling. Het college heeft daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte besloten om op de gehele stukken geheimhouding te leggen. Het bezwaar heeft daarom meer dan een redelijke kans van slagen en er is dus grond om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat gehandeld moet worden als ware dat de geheimhouding op de documenten is opgeheven. Dit betekent dat de door verzoeker opgevraagde documenten openbaar gemaakt moeten worden, tenzij het college binnen twee weken na deze uitspraak een aanvullend besluit neemt waarin per onderdeel wordt gemotiveerd op welke uitzonderingsgrond uit hoofdstuk 5 van de Woo de geheimhouding dan wel de weigering van de openbaarmaking kan worden gebaseerd.
7.1.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een dwangsom op te leggen.
7.2.
De voorzieningenrechter ziet daarentegen wel aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht aan verzoeker moet vergoeden. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het college te veroordelen tot betaling van de reiskosten van verzoeker van
€ 43,40.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- treft de voorlopige voorziening dat gehandeld moet worden als ware dat de geheimhouding op de documenten is opgeheven en bepaalt dat de door verzoeker opgevraagde documenten openbaar gemaakt moeten worden, tenzij het college binnen twee weken na deze uitspraak een aanvullend besluit neemt waarin per onderdeel wordt gemotiveerd op welke uitzonderingsgrond uit hoofdstuk 5 van de Woo de geheimhouding dan wel de weigering van de openbaarmaking kan worden gebaseerd ;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 43,40 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).