ECLI:NL:RBGEL:2025:9215

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
447826
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om wijziging hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie in een internationale context

In deze zaak heeft de rechtbank Gelderland op 3 november 2025 uitspraak gedaan over een verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van haar 15-jarige dochter, geboren in het Verenigd Koninkrijk, bij haar te bepalen. De moeder woont in het Verenigd Koninkrijk en heeft verzocht om een zorgregeling en kinderalimentatie. De rechtbank heeft in haar beoordeling de ontwikkeling van de minderjarige in Nederland en haar wens om terug te keren naar het Verenigd Koninkrijk in overweging genomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ontwikkeling van de minderjarige bedreigd wordt door haar huidige situatie en dat zij niet goed functioneert in Nederland. De rechtbank heeft de Raad voor de Kinderbescherming om advies gevraagd, die heeft geadviseerd het verzoek van de moeder af te wijzen. Echter, de rechtbank heeft uiteindelijk besloten om het verzoek van de moeder toe te wijzen, met als argument dat de minderjarige beter tot haar recht zal komen in het Verenigd Koninkrijk, waar zij eerder beter functioneerde. De rechtbank heeft bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige per 1 december 2025 bij de moeder zal zijn, met een zorgregeling waarbij de minderjarige ten minste vijf weken per jaar bij de vader verblijft. De rechtbank heeft ook de reiskostenverdeling en de belregeling tussen de minderjarige en de moeder vastgesteld. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de minderjarige snel terug kan keren naar het Verenigd Koninkrijk.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/447826 / FA RK 25-601
Datum uitspraak: 3 november 2025
beschikking over hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie van de meervoudige kamer
in de zaak van
[naam moeder](hierna: de moeder),
wonende in [woonplaats moeder] , Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
advocaat: mr. C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers in Eindhoven,
tegen
[naam vader](hierna: de vader),
wonende in [woonplaats vader] ,
advocaat: mr. M.T. Wernsen in Voorburg.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd in Arnhem, locatie Arnhem, hierna: de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
de tussenbeschikking van deze rechtbank van 23 mei 2025;
het ‘verweerschrift kinderalimentatie’ van mr. Van der Vegt-Boshouwers, ingekomen bij de griffie op 18 juni 2025;
de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 7 juli 2025 met als bijlage onder meer het raadsrapport van die datum;
het F9-formulier van mr. Wernsen van 29 september 2025 met bijlagen en gewijzigde verzoeken;
het F9-formulier van mr. Van der Vegt-Boshouwers van 30 september 2025 met bijlage;
het F9-formulier van mr. Van der Vegt-Boshouwers van 3 oktober 2025 met bijlagen;
het F9-formulier van mr. Wernsen van 6 oktober 2025 met bijlagen;
et F9-formulier van mr. Wernsen van 7 oktober 2025 met bijlagen;
de door mr. Wernsen tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitaantekeningen
1.2.
Namens de moeder heeft haar advocaat verzocht om de processtukken van 6 en 7 oktober 2025 van de vader buiten beschouwing te laten vanwege de late indiening. Daarbij heeft zij aangevoerd dat deze weliswaar ten minste drie dagen voor de mondelinge behandeling zijn ingediend, maar dat de processtukken in het Nederlands zijn, waardoor de moeder die niet zelf kan lezen. Vanwege het feit dat de moeder in het Verenigd Koninkrijk woont is afstemming met haar advocaat ook lastiger. Bovendien had haar advocaat verschillende zittingen, waardoor het ook feitelijk niet mogelijk was de stukken nog te bespreken. De rechtbank neemt de stukken mee in haar beoordeling. Deze zijn ten minste drie werkdagen voor de mondelinge behandeling ingediend en dus in beginsel op tijd. Ook zijn deze niet omvangrijk. De bijlagen bij de brief van mr. Wernsen van 6 oktober 2025 zijn bovendien Engelstalig en betreffen correspondentie tussen partijen, die de moeder bekend moet zijn. De brief van 7 oktober 2025 betreft de kinderalimentatie. Met partijen is afgesproken dat zij zich hierover nader schriftelijk mogen uitlaten, waarna de moeder haar bezwaren tegen het overleggen van die stukken niet heeft gehandhaafd. De rechtbank betrekt alle stukken daarom in haar oordeel.
1.3.
De rechtbank heeft in de (tussen)beschikking van 23 mei 2025 onder meer:
  • de Raad verzocht onderzoek te doen, te rapporteren en te adviseren;
  • de beslissing van het Family Court in Carlisle (Engeland) van 14 oktober 2019 gewijzigd en een
  • iedere verdere beslissing aangehouden tot een nader te bepalen zitting.
1.4.
Bij beschikking van 25 augustus 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 25 augustus 2026.
1.5.
Tijdens de mondelinge behandeling van 10 oktober 2025 zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Van der Vegt-Boshouwers en een tolk in de Engelse taal;
- de vader, bijgestaan door mr. Wernsen en een tolk in de Engelse taal;
- een vertegenwoordigster van de GI;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
1.6.
[minderjarige] is opnieuw in de gelegenheid gesteld om haar mening te geven over de verzoeken. Zij heeft op 16 oktober 2025 met de kinderrechter gesproken.

2.Het raadsrapport van 7 juli 2025 en de ondertoezichtstelling van [minderjarige]

Het raadsrapport
2.1.
De Raad heeft in zijn rapport van 7 juli 2025 het volgende aangegeven.
[minderjarige] ontwikkeling lijkt grotendeels gestagneerd. Zij gaat niet naar school en inmiddels ook niet meer naar het vervangende trainingshuis. Zij vindt beperkt aansluiting bij leeftijdgenoten en heeft weinig contacten buitenshuis. Zij heeft maar één vriendin. [minderjarige] verzorgt zichzelf matig en alleen op haar eigen voorwaarden. Er lijkt een sterke behoefte aan controle van waaruit zij zelfbepalend en koppig gedrag laat zien. Hierdoor komen haar zelfredzaamheid en zelfstandigheid onder druk te staan. [minderjarige] is vrijwel altijd thuis, ook als de vader en zijn huidige partner [naam partner vader] aan het werk zijn. Met name als [naam partner vader] thuis is, zijn er regelmatig spanningen. [minderjarige] en [naam partner vader] gaan elkaar zoveel mogelijk uit de weg om ruzies te voorkomen. Er zijn minder escalaties thuis en de Raad maakt zich geen zorgen over de veiligheid van de twee andere kinderen in het gezin van de vader. Overdag belt [minderjarige] vaak met de moeder, meestal in de ochtend. Dit lijkt [minderjarige] schoolverzuim in stand te houden. Vanuit een loyaliteitsconflict accepteert [minderjarige] haar verblijf in het gezin van haar vader en de rol van [naam partner vader] onvoldoende. Als [minderjarige] haar verblijf bij de vader accepteert, kan haar dit het gevoel geven dat zij haar moeder in de steek laat. [minderjarige] heeft een goede band met haar vader en werkt mee met de wekelijkse begeleiding die zij thuis krijgt vanuit Prolis; zij geniet van de (creatieve) activiteiten die worden aangeboden. Ook fietst [minderjarige] wekelijks met de vader naar de boulderhal, waar zij samen sporten. De vader geeft aan dat de zelfstandigheid van [minderjarige] wat lijkt toe te nemen. Ook lijkt zij te profiteren van de gesprekken bij de psycholoog en te ervaren dat deze nut hebben. [minderjarige] lijkt, ondanks de kleine stapjes die zij zet, in de wachtstand te blijven staan tot zij terug “mag” naar de moeder.
2.2.
De Raad adviseert de rechtbank om het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen, af te wijzen. Deze wijziging van de hoofdverblijfplaats is niet in het belang van [minderjarige] . De behandelmogelijkheden voor [minderjarige] sluiten in Nederland op dit moment goed aan bij wat zij nodig heeft. Ook lijkt het (mogelijk onbewuste) ondermijnende patroon van de moeder jegens de vader in de loop van de jaren onvoldoende verbeterd. Daarnaast lijkt [minderjarige] op de Engelse school net zo te functioneren zoals zij dat op de Nederlandse school deed toen zij die nog bezocht. Als [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder in Engeland heeft zonder passende behandeling om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden, is het niet waarschijnlijk dat het verschil in de opvoedvisie tussen de ouders zal verbeteren. Gezien de (sociaal-emotioneel jonge) leeftijd van [minderjarige] zijn er nog kansen op ontwikkeling en kan zij mogelijk in Nederland de switch nog maken naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en een passend toekomstperspectief waarbij zij haar kwaliteiten kan benutten.
2.3.
De Raad adviseert onder regie van de jeugdbeschermer verdere afspraken over de zorgregeling te maken. De Raad is van mening dat het van groot belang is dat [minderjarige] onbelast contact heeft met beide ouders. Daarom zal er regelmatig contact moeten zijn tussen [minderjarige] en de moeder. Omdat de werelden van de vader en de moeder erg uiteenlopen, bestaat het gevaar dat [minderjarige] opnieuw weigert naar Nederland terug te keren bij vakanties in Engeland. Daarom is het belangrijk dat de gezinsvoogd/hulpverlening met de ouders een aantal basisafspraken kan maken waar de ouders beiden achter staan over bijvoorbeeld bedtijden, schoolgang, dagbesteding en zelfstandigheid. Tot die tijd adviseert de Raad [minderjarige] contacten met de moeder en haar gezin in Nederland te laten plaatsvinden.

3.De beoordeling

De hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de school
3.1.
De moeder heeft haar verzoeken zoals opgenomen in de beschikking van 23 mei 2025 gehandhaafd. Zij heeft in de brief bij het F9-formulier van 30 september 2025 een schema voorgesteld voor de dagen waarop [minderjarige] bij haar is vanaf november 2025 tot eind 2026 voor het geval haar verzoek niet (onmiddellijk) wordt toegewezen.
3.2.
De vader heeft zijn verzoeken deels gewijzigd. Hij verzoekt om de verzoeken van de moeder af te wijzen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
  • een zorgregeling vast te stellen voor de moeder, inhoudende dat de moeder en [minderjarige] iedere schoolvakantie een week samen kunnen doorbrengen op een locatie in Nederland, en te bepalen dat daarbij geldt dat partijen ieder jaar voor 1 januari moeten vastleggen welke weken de moeder kan komen en waarbij geldt dat de moeder zelf haar reiskosten moet betalen;
  • subsidiair, als de zorgregeling deels in Engeland plaatsvindt en de rechtbank meent dat de moeder niet al haar eigen reiskosten en die van [minderjarige] tussen Engeland en Nederland zelf hoeft te betalen, te bepalen dat de reiskosten van de moeder en [minderjarige] tussen Nederland en Engeland 50/50 gedeeld worden;
  • meer subsidiair, als de zorgregeling in Engeland plaatsvindt, te bepalen dat de reiskosten van [minderjarige] tussen Nederland en Engeland 50/50 gedeeld worden;
  • te bepalen dat [minderjarige] en de moeder eenmaal per week op woensdag van 19.30 uur tot 20.00 uur CET (video)bellen en dat deze regeling kan worden uitgebreid op aanwijzing van de Jeugdbescherming;
althans een beschikking te geven zoals de rechtbank juist acht.
3.3.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen, toewijzen. Zij zal een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader bepalen en vervangende toestemming verlenen voor inschrijving van [minderjarige] op [naam school] . Zij wijkt hiermee dus af van het advies van de Raad. Hierna zal de rechtbank deze beslissing uitleggen.
3.4.
In de eerste plaats is de rechtbank het met de Raad eens dat de ontwikkeling van [minderjarige] op dit moment wordt bedreigd. Zij sluit zich voor een groot deel uit van het leven hier. De rechtbank is ervan overtuigd dat dit voor een belangrijk deel samenhangt met haar niet aflatende wens om terug te gaan naar het Verenigd Koninkrijk. Het lijkt erop dat [minderjarige] wel heeft geprobeerd haar plek te vinden in Nederland, of dat ze dat in elk geval zelf vindt, maar dat dit niet goed lukt. Dat kan komen door wat ze in het verleden heeft meegemaakt, de tijdens de mondelinge behandeling besproken verlieservaringen. [minderjarige] was nog geen 2 jaar toen haar ouders uit elkaar gingen. Toen zij bijna 8 was, is zij bij de vader geplaatst en dit is haar niet eens door haar ouders verteld, maar door de benoemde guardian. Een jaar later is zij nog een keer uit haar vertrouwde omgeving gehaald om naar een vreemd land te gaan waar ze niemand kende en de taal niet sprak, met achterlating van haar moeder in het land dat ze kende en waar al haar familie woont. Dat zijn erg veel grote veranderingen voor een jong kind. Het is daarom begrijpelijk dat [minderjarige] het gevoel heeft dat er nooit naar haar is geluisterd. Zij rouwt om het verlies van wat haar vertrouwd was en dit blokkeert haar ontwikkeling. Zij is door de jaren heen niet van mening veranderd. De verwachting van de vader dat als [minderjarige] “het echte verhaal” kent en weet waarom indertijd is besloten dat ze bij hem zou wonen, ze het zal accepteren, is niet realistisch. Veel hiervan is al met haar besproken en ze heeft de wens nog steeds. Dat komt doordat [minderjarige] haar eigen ervaringen en herinneringen heeft. Het verhaal van haar vader zal niet afdoen aan dat gevoel, alleen al omdat dat verhaal gaat over een verleden en op zich niet hoeft te betekenen dat een terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk voor haar nu niet kan werken.
3.5.
Het uiteindelijke doel moet zijn dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] wordt weggenomen. In de Nederlandse situatie is daarvoor een ondertoezichtstelling uitgesproken. De vraag is of dat genoeg is. De vader heeft de overtuiging dat het kan helpen om het contact met de moeder te verminderen, zodat [minderjarige] de hoop op terugkeer loslaat en niet steeds bezig blijft met de situatie daar. Als [minderjarige] daar zelf niet achter kan staan, is het gevaar groot dat dit averechts werkt. Het biedt geen garantie dat ze dan wél wordt gestimuleerd in Nederland iets van haar leven te maken. De hoop die ze heeft om naar het Verenigd Koninkrijk te gaan, blijft aanwezig en het risico is dat ze gewoon haar tijd zal uitzitten tot ze 18 jaar is. Tot die tijd blijft ze dan stilstaan. Gelet op [minderjarige] houding naar de hulpverlening en de geringe resultaten die toe nu toe zijn bereikt, is het niet realistisch te verwachten dat die hulpverlening een oplossing gaat brengen. Daarbij speelt ook een rol dat [minderjarige] in de huidige gezinssituatie veel conflicten meemaakt. Een dergelijke spanningsvolle situatie belemmert haar om aan de slag te kunnen met haar eigenlijke hulpvraag. De rechtbank verwacht al met al niet dat doorgaan op deze manier [minderjarige] uiteindelijk verder helpt.
3.6.
De rechtbank ziet onder ogen dat de situatie bij de moeder in 2018 zodanig was dat de rechter het toen niet in het belang van [minderjarige] vond dat zij bij de moeder zou wonen. De rechtbank twijfelt niet aan de juistheid van die beslissing. Zij moet echter nu, in de gegeven situatie, met de huidige omstandigheden, een nieuwe afweging maken. Hoewel de huidige situatie bij de moeder niet volledig opgehelderd is, heeft de moeder wel verklaard dat er met haar is gesproken, dat zij hulpverlening heeft gehad en dat zij is gegroeid. Ook weegt mee dat [minderjarige] in de zomer van 2024 heeft laten zien dat ze in het Verenigd Koninkrijk wel naar school ging en zich beter op haar plek voelde. Dit zijn aanwijzingen dat er in die situatie op een aantal punten een minder grote ontwikkelingsbedreiging zal zijn dan in Nederland. Daar komt bij dat ook de situatie bij de vader thuis zorgen oplevert, waarmee de Britse rechter indertijd geen rekening heeft kunnen houden. Die zorgen zijn actueel en niet duidelijk is hoe de vader en zijn huidige partner die zorgen gaan oplossen. Dit betekent nog niet dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats de oplossing is voor alle problemen. Mogelijk idealiseert [minderjarige] de situatie in het Verenigd Koninkrijk. Bovendien: de moeizame verstandhouding tussen de ouders verdwijnt niet en al hetgeen [minderjarige] heeft meegemaakt in haar hele leven verdwijnt niet. De rechtbank acht het daarom waarschijnlijk dat [minderjarige] ook in het Verenigd Koninkrijk hulpverlening nodig zal hebben. Helaas heeft de Raad de mogelijkheden voor hulpverlening niet uitvoerig onderzocht, maar dat betekent niet dat er geen toegang tot hulpverlening is. De kans bestaat bovendien dat [minderjarige] minder hulp nodig zal hebben en dat deze effectiever zal zijn, omdat zij zelf meer gemotiveerd zal zijn en gemakkelijker uit het negatieve patroon kan stappen.
3.7.
Al het voorgaande afwegend, en ook rekening houdend met de al langer bestaande eigen wens van [minderjarige] , die inmiddels 15 jaar is, zal de rechtbank het verzoek toewijzen. Wel acht de rechtbank het van belang dat er wat voorbereidingstijd wordt genomen om te zorgen dat eventuele hulpverlening en instroming op de school geregeld kunnen worden. Daarom zal zij bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] (uiterlijk) per 1 december 2025 bij de moeder zal zijn.
3.8.
De rechtbank gaat ervan uit dat de vader de beslissing van de rechtbank zal opvolgen en zal het verzoek van de moeder om een dwangsom te bepalen daarom afwijzen.
3.9.
De rechtbank zal het verzoek om vervangende toestemming voor inschrijving op de school toewijzen, omdat de vader daartegen geen inhoudelijk verweer voert. Sterker nog, volgens hem is dit de beste school in de regio.
3.10.
Wat de zorgregeling betreft zal de rechtbank aansluiten bij de verzoeken van de vader, zij het dat rekening moet worden gehouden met de vakanties zoals die in het Verenigd Koninkrijk zijn en die niet geheel aansluiten bij de Nederlandse situatie. Daarom zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] ten minste vijf weken per jaar bij de vader verblijft, te weten in elk geval drie weken in de zomervakantie, één week in de kerstvakantie en één week in een andere schoolvakantie in overleg. Daarbij geldt voor 2026 dat de vader heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] in de voorjaarsvakantie bij hem verblijft, omdat hij voor zijn verjaardag een week naar [plaats] wil gaan. De moeder heeft daar geen inhoudelijk verweer tegen gevoerd, dus voor zover dit met de school te regelen valt, zal [minderjarige] die week bij de vader verblijven. Voor het overige vinden de vakanties in principe in Nederland plaats, maar dit is voor het overige ter bepaling door de vader. Als de vader tussendoor zijn familie in het Verenigd Koninkrijk bezoekt, dienen partijen in overleg af te spreken of [minderjarige] daarbij kan aansluiten. Dit komt dus bovenop die vijf weken vakantie. Desgewenst kunnen partijen ook extra omgangsmomenten afspreken, voor zover dit voor zowel de vader als [minderjarige] haalbaar is.
3.11.
De rechtbank gaat ervan uit dat in deze situatie [minderjarige] beter te stimuleren zal zijn naar haar vader te gaan en zal daarom ook op dit punt afzien van het opleggen van een dwangsom. Daar komt bij dat de moeder zelfs een wat ruimere omgangsregeling voor de vader heeft verzocht, wat maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat de moeder achter de vast te stellen regeling staat.
3.12.
De moeder heeft aanvullende omgangsmomenten met [minderjarige] verzocht, waaronder het weekend van 21 tot 23 november 2025, maar dit verzoek gaat uit van de situatie dat [minderjarige] (nog) niet haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal krijgen. Omdat de rechtbank daar wel toe beslist, zal zij aan het verzoek van de moeder voorbijgaan. Zo krijgt [minderjarige] voldoende rust en ruimte om zich in te stellen op de nieuwe situatie.
3.13.
Partijen hebben de rechtbank verzocht ook een beslissing over de reiskosten te nemen. De rechtbank acht het passend om te bepalen dat elk van partijen de reiskosten in eigen land betaalt (dat wil zeggen tussen hun huis en het vliegveld). De vliegtickets (retour) betalen de ouders om en om (per vakantie) zoals de vader subsidiair en meer subsidiair heeft verzocht, waarbij de betaler ook boekt. De rechtbank zal bepalen dat de moeder deze kosten de eerste keer draagt (voor de kerstvakantie), de keer daarna betaalt de vader deze dus. Het is aan elk van partijen zelf om te bepalen of ze meevliegen, maar dat gebeurt dan op eigen kosten. Gelet op deze beslissing hoeft de rechtbank geen specifieke plek voor de overdracht te bepalen: elk van de ouders haalt [minderjarige] op van het vliegveld waar zij landt. Verder zal de rechtbank bepalen dat als de vader zijn familie in het Verenigd Koninkrijk bezoekt, partijen elk de helft van de reiskosten van [minderjarige] dragen.
3.14.
Ook met betrekking tot het paspoort van [minderjarige] zal de rechtbank geen uitdrukkelijke beslissing nemen. Het ligt voor de hand dat het paspoort is waar [minderjarige] is. Dat is dus in hoofdzaak bij de moeder. Wanneer zij naar de vader gaat, of met hem op vakantie gaat, zal zij het paspoort moeten meenemen en als zij terugreist heeft zij dat opnieuw nodig. Dit spreekt naar het oordeel van de rechtbank zo voor zich dat een beslissing hierover niet van toegevoegde waarde is. Niet valt te verwachten dat dit een discussie tussen partijen zal opleveren.
3.15.
Omdat de wijzing van de hoofdverblijfplaats pas ingaat per (uiterlijk) 1 december 2025 zal de rechtbank de voorlopige belregeling die partijen zijn overeengekomen tussen [minderjarige] en de moeder in deze beschikking vastleggen voor de periode dat zij nog in Nederland verblijft. Die komt erop neer dat [minderjarige] de moeder tweemaal per week ’s avonds belt, te weten op zondag en woensdag. Partijen hebben niet verzocht om een belregeling vast te leggen voor het geval de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder wordt bepaald. Partijen kunnen hierover desgewenst in overleg (samen, of gedrieën inclusief [minderjarige] ) afspraken maken.
De kinderalimentatie
3.16.
De vader heeft een bijdrage van de moeder gevraagd in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] voor het geval zij haar hoofdverblijfplaats bij de vader houdt. Omdat de rechtbank anders beslist, zal zij de vader in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraag of en in hoeverre hij het verzoek handhaaft. Voor zover het gehandhaafd wordt, zal de moeder in de gelegenheid worden gesteld - zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling - schriftelijk op de laatste stellingen en stukken van de vader te reageren. Tenzij partijen de rechtbank anders berichten, zal de rechtbank de zaak vervolgens schriftelijk afdoen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.17.
De rechtbank verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat partijen hieraan gebonden zijn, ook als er hoger beroep zou worden ingesteld, zolang het gerechtshof niet anders beslist. De rechtbank acht het namelijk van belang dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt voor [minderjarige] en dat die duidelijkheid niet weer in gevaar komt door een hoger beroep, althans dat in die tijd [minderjarige] al terug kan naar het Verenigd Koninkrijk en zij de beslissing niet in Nederland hoeft af te wachten. Zo wordt een langere periode van relatieve stilstand in haar ontwikkeling zo veel mogelijk voorkomen.
Proceskosten
3.18.
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking geeft op alle onderdelen, houdt zij de beslissing over de proceskosten aan.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt de beslissing van de Family Court in Carlisle, Verenigd Koninkrijk, van 14 mei 2018 en de beschikking van deze rechtbank van 23 mei 2025 in die zin dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige
[naam minderjarige] ,geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , Verenigd Koninkrijk, vanaf 1 december 2025 bij de moeder zal zijn;
4.2.
stelt ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] vast dat zij ieder jaar ten minste vijf weken bij de vader verblijft, te weten ten minste drie weken in de zomervakantie, ten minste een week in de kerstvakantie en ten minste een week in een andere schoolvakantie, in overleg te bepalen, waaronder in 2026 in ieder geval een week in februari ter viering van de 40ste verjaardag van de vader, voor zover de school daarvoor toestemming verleent, waarbij elk van partijen de reiskosten in eigen land betaalt (dat wil zeggen tussen hun huis en het vliegveld) en dat de vliegtickets (retour) door de ouders om en om (per vakantie) worden geboekt en betaald, waarbij de moeder deze kosten de eerste keer draagt (voor de kerstvakantie), de volgende vakantie de vader en zo verder;
4.3.
bepaalt dat als de vader zijn familie in het Verenigd Koninkrijk bezoekt, partijen tijdig van tevoren met elkaar afspreken of en wanneer [minderjarige] haar vader daar bezoekt
,waarbij partijen elk de helft van de reiskosten van [minderjarige] dragen;
4.4.
verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, om [minderjarige] in te schrijven op [naam school] [adres] , Verenigd Koninkrijk;
4.5.
stelt als belregeling tussen [minderjarige] en de moeder tot 1 december 2025 vast dat zij telefonisch contact hebben op zondag vanaf 19.00 uur Nederlandse tijd (18.00 uur VK-tijd) tot uiterlijk 20.00 uur Nederlandse tijd en op woensdagavond vanaf 20.30 uur Nederlandse tijd (19.30 uur VK-tijd) tot uiterlijk 21.30 uur Nederlandse tijd, waarbij de vader [minderjarige] in de gelegenheid stelt om de moeder te bellen vanuit een kamer waar geen anderen aanwezig zijn;
4.6.
verklaart deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst het meer of anders verzochte af voor zover de zaak op die punten niet wordt aangehouden;
alvorens verder te beslissen:
4.8.
houdt de beslissingen over de kinderalimentatie en de proceskosten aan tot 21 november 2025 (pro forma);
4.9.
bepaalt dat de vader zich uiterlijk op die datum schriftelijk dient uit te laten over de vraag of en in hoeverre hij het verzoek om kinderalimentatie handhaaft;
4.10.
bepaalt, voor zover de vader zijn verzoek over de kinderalimentatie handhaaft, dat de moeder vervolgens een termijn van vier weken zal krijgen om zich schriftelijk uit te laten over de laatste stellingen en stukken van de vader.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.E. van Spanje, voorzitter, en mr. R.A. Eskes en
mr. Y. Yildiz, allen (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Stroink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.