ECLI:NL:RBGEL:2025:9169

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
AWB 24/8452 en 24/8457
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaarmaking van informatie over konijnenhouderijen en de bescherming van persoonlijke levenssfeer en bedrijfsgegevens

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 30 oktober 2025, wordt een verzoek om voorlopige voorziening behandeld in het kader van een beroep tegen de openbaarmaking van informatie door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De zaak betreft een verzoek van Stichting Animal Rights om informatie over konijnenhouderijen in Nederland, dat door de minister gedeeltelijk is ingewilligd. Eisers, die zich verzetten tegen de openbaarmaking, hebben beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening, waarbij zij anoniem willen procederen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de minister op goede gronden heeft besloten om de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te maken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak bevat een uitgebreide beoordeling van de relevante wettelijke bepalingen, waaronder de Wet open overheid (Woo) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en bespreekt de belangen van openbaarmaking versus de bescherming van persoonlijke levenssfeer en bedrijfsgegevens. De voorzieningenrechter concludeert dat de minister niet in strijd heeft gehandeld met de wet en dat de openbaarmaking van de informatie gerechtvaardigd is. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/8452 en 24/8457

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

eisers,

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. C. Vooijs).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting Animal Rights uit Den Haag,

(gemachtigde: mr. M. van Duijn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de openbaarmaking van informatie die gaat over eisers. De minister heeft daartoe besloten op verzoek van Animal Rights. Eisers zijn het niet eens met deze openbaarmaking. Zij hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Het is eisers toegestaan om te procederen zonder dat hun naam bekend wordt gemaakt aan Animal Rights. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of de minister heeft mogen besluiten de informatie openbaar te maken.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden heeft besloten om de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te maken. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat het toetsingskader dat geldt voor deze zaak. Daarna volgt de beoordeling van de voorzieningenrechter. Onder 5 wordt besproken of de minister de hoorplicht heeft geschonden. Daarna volgt de beoordeling of het openbaar maken van de gegevens toegestaan is, waarbij speelt er sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens (6), inbreuk op de persoonlijke levenssfeer (7) of een risico voor de veiligheid van personen en bedrijven (8). Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Animal Rights heeft op 24 maart 2022 de minister verzocht om informatie openbaar te maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Zij heeft gevraagd om informatie over alle in Nederland gevestigde konijnenhouderijen, waar konijnen worden gehouden als landbouwhuisdieren, over de periode van 1 januari 2017 tot 24 maart 2022. Het gaat om alle documenten die betrekking hebben op uitgevoerde inspecties en andersoortige controles en bezoeken.
2.1.
Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) inwerking getreden en is de Wob ingetrokken. De minister heeft het verzoek van Animal Rights verder behandeld als een verzoek op grond van de Woo.
2.2.
De minister heeft op 6 januari 2023 besloten op het Woo-verzoek en bepaald dat 29 documenten gedeeltelijk openbaar worden gemaakt. Animal Rights heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.3.
De minister heeft op 8 juni 2023 een aanvullend besluit genomen, omdat naar aanleiding van een aanvullende zoekslag nog zeven documenten zijn aangetroffen. Deze zeven documenten worden ook gedeeltelijk openbaar gemaakt. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het bezwaar mede gericht geacht tegen het besluit van 8 juni 2023.
2.4.
De minister heeft nogmaals een aanvullende zoekslag gedaan, waarbij 87 documenten zijn aangetroffen die onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Een deel van deze informatie, heeft betrekking op eisers. De minister heeft eisers in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven op de voorgenomen openbaarmaking van documenten die op hen betrekking hebben. De minister heeft op 22 oktober 2024 een beslissing op bezwaar genomen. De minister heeft bepaald dat de 87 documenten (gedeeltelijk) openbaar worden gemaakt.
2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 22 oktober 2024 en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.6.
Eisers hebben de rechtbank verzocht anoniem te procederen. Een andere kamer van de rechtbank heeft met de beslissing van 7 februari 2025 dit verzoek ingewilligd.
2.7.
De minister heeft op het verzoekschrift gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van Animal Rights was met kennisgeving afwezig.
2.9.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3. Het uitgangspunt van de Woo is dat bij bestuursorganen berustende informatie in beginsel openbaar is, tenzij een uitzonderingsgrond zich tegen openbaarmaking verzet. Artikel 5.1 van de Woo bespreekt in het eerste lid de absolute en in het tweede lid de relatieve uitzonderingsgronden. Deze uitzonderingsgronden kunnen aan openbaarmaking in de weg staan. Bij de absolute uitzonderingsgrond blijft informatieverstrekking te allen tijde achterwege. Bij de relatieve uitzonderingsgrond maakt het bestuursorgaan een afweging tussen het vooropgestelde, algemene belang van openbaarheid en de belangen genoemd in artikel 5.1, tweede lid, van de Woo. De uitzonderingsgronden moeten in terughoudende zin worden uitgelegd.
3.1.
In de bijlage bij deze uitspraak zijn de relevante bepalingen uit de Woo, het EVRM en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) opgenomen.
Beroepsgrond die eisers niet langer handhaven
4. Op zitting hebben eisers meegedeeld dat zij niet langer de beroepsgrond dat de bestreden beslissing onbevoegd is genomen, omdat deze ondertekend is door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, handhaven.
Had de minister eisers moeten horen in bezwaar?
5. Eisers stellen dat zij gehoord hadden moeten worden in de bezwaarfase op grond van artikel 7:2 van de Awb.
5.1.
De minister verzoekt de voorzieningenrechter om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. In deze procedure hebben eisers voldoende mogelijkheid gekregen om hun standpunt naar voren te brengen. Zij zijn dan ook niet in hun belangen geschaad.
5.2.
Deze beroepsgrond van eisers slaagt. De minister heeft inderdaad ten onrechte eisers niet gehoord in de bezwaarfase en heeft daarmee artikel 7:2 van de Awb geschonden. De voorzieningenrechter passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij door deze schending zijn benadeeld. In de behandeling van dit verzoek om een voorlopige voorziening hebben zij alsnog de gelegenheid gehad hun standpunt mondeling toe te lichten.
Slaagt het beroep van eisers op de bescherming van bedrijfs- en fabricagegegevens?
6. Volgens eisers zijn er in de stukken bedrijfs- en fabricagegegevens opgenomen die vertrouwelijk aan de NVWA zijn meegedeeld. Het gaat om gegevens over sterfte, geneesmiddelengebruik, vruchtbaarheid, aantal jongen per voedster en dier-dag-doseringen. Een deel van deze gegevens valt ook buiten het toezicht door de NVWA en is vergaard om sectorgegevens te verkrijgen. Eisers beroepen zich op de weigeringsgronden opgenomen in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo.
6.1.
De minister wijst er in het verweerschrift op dat eisers niet hebben onderbouwd waarom de genoemde gegevens bedrijfs- en fabricagegegevens betreffen en waarom het openbaar maken leidt tot het schaden van de belangen van eisers of waarom bepaalde gegevens buiten de toezichthoudende taak van de NVWA vallen. Uit de genoemde gegevens kan ook geen informatie afgeleid worden over de bedrijfsvoering. Daarnaast stelt de minister dat het gaat om milieu-informatie, waardoor op grond van artikel 5.1, zesde lid, van de Woo een belangenafweging moet worden gemaakt. Het algemeen belang bij openbaarmaking weegt dan zwaarder.
6.2.
Het beroep van eisers slaagt niet. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden als bedrijfsgegevens worden aangemerkt. Deze uitzonderingsgrond is bedoeld om te voorkomen dat de bedrijfsgegevens die bedrijven met het oog op concurrentie geheim willen houden, maar wel genoodzaakt zijn aan bestuursorganen te verstrekken, openbaar moeten worden gemaakt. [2] Eisers hebben niet inzichtelijk gemaakt waarom uit de genoemde gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid over de bedrijfsvoering, het productieproces, de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers. De enkele stelling dat er sprake is van bedrijfsgevoelige gegevens is daarvoor onvoldoende. Er is ook geen reden om aan te nemen dat er sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens, zoals hier bedoeld. De voorzieningenrechter komt dan ook niet toe aan de vraag of er sprake is van vertrouwelijk verstrekte gegevens, dan wel of er sprake is van milieu-informatie.
Slaagt het beroep van eisers over de persoonlijke levenssfeer?
7. Eisers stellen dat de openbaarmaking van gegevens die zien op hun bedrijven in strijd zijn met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Informatie over de bedrijven is ook herleidbaar tot de privépersonen. De minister had daarom openbaarmaking van deze informatie moeten weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. Daarnaast beroepen eisers zich op artikel 8 van het EVRM en een arrest van het Hof [3] , omdat ook gegevens over beroeps- en handelsactiviteiten onder deze bescherming vallen. Verder is er geen sprake van dat de openbaarmaking noodzakelijk is in het licht van een democratische samenleving. Ook zonder de persoonsgegevens bieden de stukken voldoende inzicht in de werkzaamheden van de NVWA. Eiseres stellen ook dat artikelen 6 en 10 van de AVG openbaarmaking van persoonsgegevens verhinderen, omdat er geen toestemming van eisers is of een situatie waarbij openbaarmaking evenredig is met het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Eisers stellen ook dat de gegevens over overtredingen, in relatie tot de overtreding en de hercontrole naar aanleiding van de overtreding strafrechtelijke gegevens zijn. Overtredingen zijn immers strafrechtelijk vervolgbaar en ook een bestuurlijke boete is een ‘criminal charge’. Alle gegevens in relatie tot overtredingen zijn gegevens betreffende strafbare feiten, die vallen onder artikel 5.1, eerste lid, onder d van de Woo in samenhang met artikel 10 van de AVG. Eisers hebben op zitting aangegeven dat zij hopen dat er prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
7.1.
De minister volgt in het verweerschrift het standpunt van eisers niet. Het is een eigen keuze dat eisers hun familienaam hanteren als bedrijfsnaam. Dat zij die keuze hebben gemaakt, rechtvaardigt niet dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen bedrijven met een familienaam en bedrijven die geen familienaam hebben. Het publieke belang wordt niet in voldoende mate gediend als de bedrijfsnamen met een familienaam worden geanonimiseerd. [4] Ten aanzien van het beroep van eisers op de AVG verwijst de minister naar artikel 86 van de AVG.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het niet onleesbaar maken van de bedrijfsnamen van eisers is in lijn met vaste rechtspraak. Zo is daarin overwogen dat de omstandigheid dat een bedrijfsnaam een familienaam bevat, niet kan leiden tot het weigeren van openbaarmaking van die naam. [5] Het is een vrije keuze om de familienaam als bedrijfsnaam te gebruiken. Een onderscheid tussen bedrijven die een familienaam voeren en andere bedrijven is niet gerechtvaardigd. Hetzelfde geldt ten aanzien van het bedrijfsadres dat bij bedrijven hetzelfde is als een woonadres. Ook dan geldt dat openbaarmaking van het bedrijfsadres niet mag afhangen van of iemand zijn woonadres als bedrijfsadres gebruikt.
7.2.1.
Ook het beroep van eisers op artikel 8 van het EVRM en het arrest van het Hof slaagt niet. In artikel 8, tweede lid, van het EVRM is geregeld dat inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven toegestaan, voor zover bij wet hierin is voorzien en dit noodzakelijke is in de belangen in een democratische samenleving. De Woo biedt een wettelijke grondslag voor openbaarmaking. De Woo dient het algemeen belang en biedt met artikel 5.1 en 5.2 een afgewogen stelsel van uitzonderingsgronden. Dat eisers zelf vinden dat de openbaarmaking van hun gegevens geen democratisch belang dient, neemt niet weg dat in de Woo is bepaald dat bij de toepassing wordt uitgegaan van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving. De voorzieningenrechter ziet geen reden om in dit geval niet dit uitgangspunt aan te nemen.
7.2.2.
Ook het beroep van eisers op de artikelen 6 en 10 van de AVG slaagt niet. De minister wijst terecht op artikel 86 van de AVG. Artikel 86 van de AVG regelt dat een overheidsorgaan persoonsgegevens openbaar mag maken, als dit in overeenstemming is met het lidstatelijk recht. Met de Woo is voorzien in nationaal recht om de openbaarmaking te regelen. Eisers hebben op zitting gesteld dat de uitleg van de minister verkeerd is. Volgens hen is artikel 86 van de AVG niet van toepassing op gegevens van strafrechtelijke aard, waardoor openbaarmaking van dit soort gegevens niet toegestaan is op grond van artikel 10 van de AVG. Eisers onderbouwen deze stelling niet met ondersteunende rechtspraak, regelgeving of literatuur. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de minister, ondanks het bepaalde in artikel 86 van de AVG, de gegevens door de werking van artikel 10 van de AVG niet openbaar mag maken.
7.3.
Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Slaagt het beroep van eisers over risico’s voor veiligheid van personen en het bedrijf?
8. Openbaarmaking van persoonsgegevens brengt volgens eisers een groot risico tot ongewenste benadering van betrokkenen met zich mee. Op de zitting hebben eisers toegelicht dat zij zich begeven in een kleine sector, die gevoelig is voor acties van activisten. Er is een constante dreiging. De minister had daarom openbaarmaking van deze informatie moeten weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h, van de Woo. Ook leidt openbaarmaking tot onevenredige benadeling, waardoor artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo zich verzet tegen openbaarmaking. Eisers halen meerdere voorbeelden van acties van dierenactivisten over de periode van 2021 tot en met 2024 aan. Op de zitting hebben eisers gezegd dat sinds het indienen van dit beroep ook weer incidenten zijn geweest in de agrarische sector.
8.1.
De minister wijst er in het verweerschrift op dat er geen concrete aanknopingspunten naar voren zijn gebracht waaruit volgt dat het openbaar maken van de documenten daadwerkelijk zal leiden tot vergaande of buitensporige acties van activisten. Enkel de vrees voor acties is onvoldoende. [6] De minister wijst er op dat artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo niet bedoeld is om subsidiair toe te passen, wanneer de weigeringsgronden op grond van artikel 5.1, eerste en tweede lid van de Woo niet aan de orde zijn. Er zijn geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht, waaruit onevenredige benadeling van eisers volgt.
8.2.
Het beroep van eisers op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h en artikel 5.1, vijfde lid van de Woo slaagt niet. Het is vaste rechtspraak dat de vrees alleen voor onevenredige gevolgen door openbaarmaking onvoldoende is om openbaarmaking te weigeren. [7] De enkele algemene veronderstelling van wat dierenrechtenactivisten zouden kunnen doen indien de naar eisers herleidbare gegevens openbaar worden gemaakt is daarvoor onvoldoende. Er moeten concrete, actuele aanknopingspunten zijn, aan de hand waarvan aannemelijk is dat sprake is van dreiging jegens eisers. Eisers hebben geen concrete, actuele dreiging richting hun bedrijven aannemelijk gemaakt. De verwijzingen naar verschillende acties van dierenactivisten zijn onvoldoende om concrete dreiging jegens eisers aan te nemen. De stelling dat in de sector van eisers sprake is van een constant, verhoogd risico op ongewenste benadering hebben zij ook niet onderbouwd met actuele stukken.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter concludeert dat de minister op goede gronden heeft besloten om de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te gaan maken. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op de zitting toegezegd dat bij een ongegrond beroep de informatie niet eerder dan twee weken na deze uitspraak openbaar wordt gemaakt, zodat eisers voor de openbaarmaking nog de gelegenheid hebben hoger beroep in te stellen.
9.1.
In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de voorzieningenrechter reden om te bepalen dat de minister de proceskosten en het griffierecht voor het beroep aan eisers moet vergoeden. Hij stelt de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907 per punt bij wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht voor beroep van € 371 aan eisers moet vergoeden, waarbij betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1814 aan proceskosten aan eisers, waarbij betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

BIJLAGE

Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo:
Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo:
Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens.
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Woo:
Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h, van de Woo:
Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage.
Artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo:
In uitzonderlijke gevallen kan openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Het bestuursorgaan baseert een beslissing tot achterwege laten van de openbaarmaking van enige informatie op deze grond ten aanzien van dezelfde informatie niet tevens op een van de in het eerste of tweede lid genoemde gronden.
Artikel 8 van het EVRM:
Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 6 van de AVG (voor zover relevant):
1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
3. De rechtsgrond voor de in lid 1, punt c), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij: a) Unierecht; of b) lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld. (…) Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.
Artikel 10 van de AVG:
Persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen mogen op grond van artikel 6, lid 1, alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden. (…)
Artikel 86 van de AVG:
Persoonsgegevens in officiële documenten die voor de uitvoering van een taak van algemeen belang in het bezit zijn van een overheidsinstantie, een overheidsorgaan of een particulier orgaan, mogen door de instantie of het orgaan in kwestie worden bekendgemaakt in overeenstemming met het Unierecht of het lidstatelijke recht dat op de overheidsinstantie of het orgaan van toepassing is, teneinde het recht van toegang van het publiek tot officiële documenten in overeenstemming te brengen met het recht op bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie ABRvS, 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2982.
3.HvJEU 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:912.
4.De minister verwijst naar ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2679.
5.ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2679.
6.De minister verwijst naar ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2679, en ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:489.
7.Zie ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:489.