ECLI:NL:RBGEL:2025:9162

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
ARN 25/287
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag 2013 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen

Deze uitspraak betreft het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om compensatie van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2013, gebaseerd op de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek en voert verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank heeft de zaak beoordeeld en komt tot de conclusie dat de Dienst Toeslagen bij de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag 2013 terecht heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor compensatie. Het beroep is ongegrond verklaard.

Eiseres heeft in de jaren 2010 tot en met 2013 kinderopvangtoeslag ontvangen en heeft zich op 17 februari 2020 gemeld als gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire. Ze verzocht om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag voor de jaren 2010 tot en met 2013. De Dienst Toeslagen heeft op 27 september 2021 het verzoek om compensatie voor de jaren 2011 en 2013 afgewezen, maar heeft op 5 oktober 2022 vastgesteld dat eiseres recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 en 2012. Voor toeslagjaar 2011 is een bijzondere omstandigheid vastgesteld, maar voor toeslagjaar 2013 blijft de afwijzing staan.

De rechtbank heeft op 7 oktober 2025 de zaak behandeld. Eiseres stelt dat het bestreden besluit onjuist en ondeugdelijk is, maar de rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen op goede gronden heeft besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie voor het toeslagjaar 2013. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van vooringenomenheid of onbillijkheden van overwegende aard. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard, wat betekent dat zij geen gelijk krijgt en geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/287

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. Y. Eryilmaz),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: mr. H.A.W. Oude Lenferink en mr. S. Heersink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om compensatie van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2013 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen bij de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag 2013 terecht tot de conclusie komt dat er geen aanleiding bestaat voor compensatie. Het beroep is dan ook ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft in de jaren 2010 tot en met 2013 kinderopvangtoeslag ontvangen in verband met de opvang van haar kinderen. Zij heeft zich op 17 februari 2020 gemeld als gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire en verzocht om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag voor de jaren 2010 tot en met 2013.
2.1.
Met het besluit van 27 september 2021 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek om compensatie kinderopvangtoeslag voor de jaren 2011 en 2013 afgewezen.
2.2.
Met het besluit van 5 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC-I heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres recht heeft op een compensatie van € 51.713 voor de jaren 2010 en 2012.
2.3.
Met het bestreden besluit van 9 december 2024 op het bezwaar van eiseres is gedeeltelijk aan het bezwaar van eiseres tegemoetgekomen. De Dienst Toeslagen heeft voor toeslagjaar 2011 een bijzondere omstandigheid vastgesteld. Aan eiseres wordt door de Dienst Toeslagen het voordeel van de twijfel gegeven en voor toeslagjaar 2011 wordt compensatie toegekend op basis van hardheid. Eiseres ontvangt nog een bedrag van € 1.813. Voor toeslagjaar 2013 blijft de Dienst Toeslagen bij de afwijzing.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij stelt ook voor het toeslagjaar 2013 gecompenseerd te moeten worden.
2.5.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Hersteloperatie: de integrale beoordeling
3. Gedurende de looptijd van de hersteloperatie heeft de Dienst Toeslagen op basis van verschillende herstelregelingen compensatie toegekend. Met ingang van 5 november 2022 is de Wht van kracht. Op grond van het overgangsrecht worden compensatiebeschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de Wht.
3.1.
De compensatieregeling in de Wht is bedoeld voor gedupeerden van zowel institutionele vooringenomenheid als hardheid van het stelsel. De regeling biedt financiële compensatie voor een aantal componenten: teruggevorderde kinderopvangtoeslag, niet toegekende kinderopvangtoeslag of stopgezette voorschotverlening, opgelegde boetes, immateriële schade, proceskosten, invorderingskosten, rentenadeel en materiële schade. In de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht is opgenomen op welke wijze de hoogte van de
compensatie voor deze componenten wordt vastgesteld. De berekening van compensatie
op basis van deze componenten wordt ook wel integrale beoordeling genoemd.
3.2.
Een aanvrager van kinderopvangtoeslag heeft op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht in beginsel recht op door hem aangevraagde compensatie in twee situaties. De eerste is als hij schade heeft geleden doordat over hem voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. De tweede is als hij schade heeft geleden doordat wat hem betreft de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), de Wet kinderopvang of de uitvoeringsbepalingen hebben geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijk systeem.
3.3.
In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Wht [1] worden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken; (5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid, zo blijkt uit de memorie van toelichting.
3.4.
Van hardheid van het stelsel als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.
Herhaling en inlassing bezwaar
4. Eiseres blijft bij het standpunt zoals verwoord in het bezwaarschrift en verzoekt de rechtbank dan ook om de inhoud van haar bezwaarschrift als herhaald en ingelast te beschouwen.
4.1.
Ten aanzien van de verwijzing in het beroepschrift naar wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank dat het aan eiseres is om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom zij het niet eens is met het bestreden besluit. De verwijzing naar het bezwaarschrift wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit. Eiseres zal dus moeten aanvoeren waarom zij het met die reactie niet eens is. Gelet hierop zal de rechtbank de beoordeling van het beroep plaatsen in het licht van de in beroep nader uitgewerkte gronden en niet in het licht van hetgeen in bezwaar is aangevoerd.
Heeft de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie voor toeslagjaar 2013 toegekend?
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onjuist, dan wel ondeugdelijk is. Het bestreden besluit is volgens eiseres onzorgvuldig tot stand gekomen. De Dienst Toeslagen is gedeeltelijk tegemoetgekomen, maar voor toeslagjaar 2013 wijzigt de Dienst Toeslagen het standpunt niet. Eiseres is het hier niet mee eens en vindt dat zij ook over toeslagjaar 2013 gecompenseerd moet worden. De verrekening die in het jaar 2013 heeft plaatsgevonden is achteraf bezien onterecht geweest en heeft eiseres in veel problemen gebracht. De Dienst Toeslagen heeft ook erkend dat de verrekening veel eerder had moeten worden teruggedraaid. Daarmee is ook voor het toeslagjaar 2013 sprake geweest van vooringenomenheid. Op de zitting heeft eiseres aangevoerd dat er voor toeslagjaar 2013 maar één kind is meegenomen in de berekening terwijl eiseres twee kinderen heeft. Hierdoor heeft eiseres over 2013 te weinig toeslag ontvangen.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het bestreden besluit onjuist, ondeugdelijk en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiseres heeft deze stelling niet nader onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen in het verweerschrift gemotiveerd toegelicht heeft dat er voor het toeslagjaar 2013 geen sprake is van institutioneel vooringenomen handelen dan wel van hardheid in het stelsel. Er zijn in 2013 geen terugvorderingen geweest, de kinderopvangtoeslag is niet op nihil gesteld en/of er zijn geen grote hoeveelheden stukken opgevraagd bij eiseres. Het enkele feit dat in een bepaald toeslagjaar verrekening is toegepast, kan niet tot compensatie voor dat toeslagjaar leiden. De hoogte van de compensatie is namelijk gekoppeld aan het bedrag dat niet is toegekend of teruggevorderd vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van kinderopvangtoeslag. [2] Als in een toeslagjaar alleen verrekening is toegepast van een eerder ontstane toeslagschuld, is in dat jaar geen sprake van een dergelijke beschikking. Daarbij is op grond van artikel 30 van de Awir de Dienst Toeslagen bevoegd tot verrekening van het door eiseres verschuldigd bedrag. Ook deze verrekening duidt niet op vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of hardheid van het stelsel. Een ouder die recht heeft op compensatie en meent dat meer schade is geleden, kan een aanvraag doen om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. [3] Uit het beoordelingskader van de Commissie Werkelijke Schade blijkt ook dat bij de beoordeling van de werkelijke schade rekening wordt gehouden met verrekeningen en moeilijke langdurige financiële omstandigheden.
5.2.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen op goede gronden heeft besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht voor het toeslagjaar 2013, nu niet is gebleken van vooringenomenheid, van onbillijkheden van overwegende aard of bijzondere omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat in het geval van eiseres sprake is van hardheid. Hetgeen eiseres op de zitting heeft aangevoerd leidt ook niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft op zitting namelijk aangevoerd dat er onder andere over toeslagjaar 2013 maar één kind is berekend terwijl zij twee kinderen in de opvang had. Hierdoor heeft zij te weinig toeslag ontvangen. Zoals op de zitting is besproken kan dit punt in het kader van deze procedure niet aan de orde worden gesteld omdat dit ziet op een eventuele fout bij de toekenning van de kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft op de zitting, zonder enige toezegging te doen, aangegeven hier naar te gaan kijken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71.
2.Artikel 2.2, aanhef en onder a, en artikel 2.3, eerste lid, van de Wht.
3.Artikel 2.1, derde lid, van de Wht.