De rechtbank Gelderland heeft op 24 oktober 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie een ontnemingsvordering had ingesteld tegen een veroordeelde voor mensenmokkel. De officier van justitie stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel op bijna €92.000, gebaseerd op aannames over aantallen gesmokkelde personen, ritten en prijzen, die volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd waren.
De veroordeelde was bewezen zes personen behulpzaam geweest bij illegale inreizen en had zich beziggehouden met het verkrijgen van reis- en verblijfsdocumenten. De officier van justitie stelde dat het om veel meer gevallen ging, onderbouwd met gegevens uit telefoons en gesprekken, maar de rechtbank vond deze gegevens te vaag en onvoldoende concreet om het gevorderde bedrag te rechtvaardigen.
De rechtbank nam het door de veroordeelde zelf bevestigde bedrag van €250 per persoon als uitgangspunt en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €1.500. De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de staat te betalen. De rechtbank bepaalde tevens de maximale duur van gijzeling op 30 dagen.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en benadrukt het belang van concrete en aannemelijke feiten bij het vaststellen van ontnemingsbedragen in strafzaken.