ECLI:NL:RBGEL:2025:8283
Rechtbank Gelderland
- Beschikking
- J.H. Steverink
- V.G.T. Emstede
- C. Prenger
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek afkoelingsperiode in WHOA-procedure wegens onvoldoende belang schuldeisers
De besloten vennootschap [verzoekster] B.V., onderdeel van een groep die wereldwijd voedingswaren transporteert, verzoekt de rechtbank Gelderland om een afkoelingsperiode van vier maanden af te kondigen op grond van artikel 376 Faillissementswet Pro. Dit verzoek volgt op een gedeponeerde startverklaring en is bedoeld om de onderneming tijdens de voorbereiding en onderhandelingen over een akkoord te kunnen voortzetten.
Tijdens de mondelinge behandeling lichtte [verzoekster] toe dat de coronapandemie en overheidsmaatregelen hebben geleid tot ernstige omzetverliezen binnen de groep, waardoor financiële verplichtingen niet meer nagekomen konden worden. Een schuldeiser, [schuldeiser] B.V., betwistte het verzoek en stelde dat er geen noodzaak bestaat voor een afkoelingsperiode en dat het verzoek misbruik van recht betreft.
De rechtbank oordeelt dat aan het eerste vereiste voor toewijzing van een afkoelingsperiode is voldaan: het is noodzakelijk om de onderneming voort te zetten tijdens de akkoordvoorbereiding. Echter, aan het tweede vereiste, dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers worden gediend en derden niet wezenlijk worden geschaad, is niet voldaan. De rechtbank constateert dat onvoldoende is aangetoond dat [verzoekster] gedurende de afkoelingsperiode aan haar lopende verplichtingen kan voldoen en dat de schuldeisers beter af zijn bij het akkoord dan bij faillissement. Daarbij speelt mee dat belangrijke financiële gegevens ontbreken en dat de schuldenlast waarschijnlijk toeneemt.
Gelet op deze overwegingen wijst de rechtbank het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode af.
Uitkomst: Het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijk belang voor de gezamenlijke schuldeisers.