Partijen sloten op 14 augustus 2023 een huurovereenkomst voor een bovenwoning met een maximale looptijd van 24 maanden. De verhuurder stelde de huurder bij brief van 10 juni 2025 in kennis dat de overeenkomst per 14 augustus 2025 zou eindigen en dat de woning dan ontruimd moest zijn. Tevens werd de huurder gesommeerd de huurachterstand van € 5.600 te voldoen, wat niet gebeurde.
De verhuurder vorderde in kort geding ontruiming van de woning, betaling van de huurachterstand, gebruiksvergoeding, incassokosten en proceskosten. De huurder kwam in verzet en voerde aan dat de huurachterstand voortkwam uit ziekte en dat er een coulanceregeling was getroffen. Ook stelde hij dat voortzetting van de huurovereenkomst was overeengekomen.
De rechtbank oordeelde dat de huurovereenkomst rechtsgeldig was geëindigd per 14 augustus 2025, dat de huurder zonder recht of titel de woning bleef gebruiken en dat de vordering tot ontruiming in een bodemprocedure waarschijnlijk zal worden toegewezen. De huurachterstand en bijkomende kosten werden toegewezen. De ontruimingstermijn werd vastgesteld op vier weken vanwege de aanwezigheid van minderjarige kinderen.
De rechtbank vernietigde het verstekvonnis en deed opnieuw uitspraak, waarbij de huurder werd veroordeeld tot ontruiming binnen vier weken, betaling van de huurachterstand, incassokosten en proceskosten. Tevens werd de huurder veroordeeld tot vergoeding van de kosten die de verhuurder maakte door een verkeerde dagvaardingsdatum in de verstekprocedure.