De zaak betreft een geschil tussen voormalig echtelieden over hoofdelijke aansprakelijkheid voor een kredietschuld die aan de man is toegescheiden bij echtscheiding. De vrouw heeft betalingen gedaan aan de schuldeiser, IB Krediet, en vordert regres op de man.
De man heeft een minnelijke schuldsanering doorlopen die in 2010 positief werd afgesloten, waarbij finale kwijting werd verleend. De rechtbank oordeelt dat IB Krediet de man niet meer kan aanspreken, maar de vrouw wel regresvorderingen op de man verkrijgt bij haar betalingen.
De man stelt rechtsverwerking en verjaring tegen de regresvorderingen. De rechtbank wijst rechtsverwerking af omdat onvoldoende bijzondere omstandigheden zijn gesteld, maar verklaart een deel van de regresvorderingen verjaard die meer dan vijf jaar voor de stuiting in 2024 zijn ontstaan.
De rechtbank veroordeelt de man tot betaling van niet-verjaarde regresvorderingen en toekomstige vorderingen binnen 14 dagen na betaling door de vrouw. Vergoeding van incassokosten en deurwaarderskosten wordt afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd. Partijen worden aangespoord gezamenlijk tot een regeling met IB Krediet te komen.